Ziekteleer (83 vragen)
1. NIERZIEKTEN
1. Beschrijf het begrip klaring door de nieren. Hoe kun je dit begrip toepassen om de
glomerulaire filtratie te berekenen? Beschrijf de belangrijkste klinische
laboratoriumtesten ter evaluatie van de renale klaringsfunctie bij de mens.
Klaring (Cx) is een maat voor het vermogen van de nieren om een bepaalde stof x uit het
bloed te verwijderen. Ze geeft het plasmavolume (dat door de aa. afferentes vloeit) weer
dat per tijdseenheid volledig gezuiverd wordt van die stof. De klaring wordt uitgedrukt in
een debiet, bv in ml/min. De berekening gebeurt op basis van het principe van
massabehoud (principe van Fick):
Partx x Cx = Ux x V
Cx = Ux x V / Partx
- Ux = concentratie stof x in urine
- V = volume urine
- Partx = concentratie stof x in arteriële plasma
De klaring vertelt dus hoeveel ml plasma per minuut volledig wordt gezuiverd van de stof
x.
Een van de belangrijkste functies van de nier is de filtratiefunctie. Alle afvalstoffen
gevormd in het organisme moeten uit het bloed worden gefilterd en in de urine komen om
zo afgevoerd te worden. Deze functie kunnen we kwantificeren voor een bepaalde stof
adhv het begrip klaring. In de pathologische context geeft dit weer in welke mate deze
specifieke functie van de nier gecompromitteerd is.
Toepassingen voor berekening glomerulaire filtratiesnelheid (GFR):
De GFR is de hoeveelheid plasma die per minuut door de glomeruli wordt gefilterd.
Om de GFR te meten, kunnen we 4 belangrijke vormen van klaring onderscheiden:
1. Klaring uitsluitend via glomerulaire filtratie:
a. De eenvoudigste vorm van klaring
b. De stof wordt volledig uit het plasma verwijderd door filtratie in de
glomerulus
c. Cx = GF
2. Klaring met tubulaire reabsorptie:
a. De stof wordt eerst door de glomerulus gefilterd, maar dan gedeeltelijk
gereabsorbeerd in het tubulaire systeem.
b. Cx = GF - Tx
3. Klaring met filtratie en tubulaire secretie:
a. De stof komt voor een deel in het filtraat terecht door filtering door de
glomerulus, maar ook gesecreteerd wordt in het tubulaire lumen.
1
, b. Cx = GF + Tx
4. Filtratie, reabsorptie en secretie:
a. De stof wordt door de glomerulus gefiltreerd, gedeeltelijk gereabsorbeerd
en gedeeltelijk gesecreteerd op verschillende plekken in het tubulaire
systeem.
b. Cx = GF ± Tx
Belangrijkste klinische laboratoriumtesten ter evaluatie van de renale klaringsfunctie:
1. Creatinine
a. Een afbraakproduct van het eiwitmetabolisme van de perifere spieren dat
in de circulatie terechtkomt. Creatinine is een voorbeeld van het eerste
type klaring hierboven. De klaring die je berekent kan dus rechtstreeks
gebruikt worden om de glomerulaire functie te kwantificeren.
b. Telkens de echte klaring berekenen is tijdsintensief (conc serum, conc
urine en volume urine nodig). In de praktijk wordt deze test herleid tot de
bepaling van de creatinine concentratie in een bloedonderzoek.
a. Als de nier een probleem heeft waardoor de filtratiefunctie daalt, zal de
creatinineconcentratie gestegen zijn in het bloed.
2. Ureum
a. Ureum is een afbraakproduct van het eiwitmetabolisme dat ook uitsluitend
door de glomerulus geklaard wordt. Het wordt vaak samen gebruikt met
creatinine.
b. Verhoogd ureum kan ook wijzen op een verminderde nierfunctie.
c. Opnieuw wordt de test meestal gereduceerd tot de ureumconcentratie in
het bloed.
De functionele reserve kan dan op deze manier geïnterpreteerd worden:
- GFR > 50%
o Geen problemen
o Bv afstand doen van een nier is mogelijk
- 30 < GFR < 50%
o Lichte stijging van ureum en creatinine
o Asymptomatisch
o Symptomatische CNI (chronische nierinsufficiëntie) bij stress situaties
zoals infecties, bloeding, obstructie van darmen, nefrotoxische medicatie,
catabole situaties (ongeval, fractuur)
- GFR < 20%
o Ontwikkelen van symptomatische CNI (uremie)
2. Bespreek de belangrijkste nierfuncties bij de gezonde mens.
1. Filtratie
a. Ureum
b. Creatinine
De filtratiefunctie zorgt dat alle afvalstoffen die in het organisme gevormd
worden uit het bloed gefilterd worden en in de urine komen om zo afgevoerd te
2
, worden. Deze functie kunnen we kwantificeren voor een bepaalde stof adhv
het begrip klaring. In de pathologische context geeft dit weer in welke mate
deze specifieke functie van de nier gecompromitteerd is.
Klaring (Cx) is een maat voor het vermogen van de nieren om een bepaalde stof
x uit het bloed te verwijderen. Ze geeft het plasmavolume (dat door de aa.
afferentes vloeit) weer dat per tijdseenheid volledig gezuiverd wordt van die
stof. De klaring wordt uitgedrukt in een debiet, bv in ml/min. De berekening
gebeurt op basis van het principe van massabehoud (principe van Fick):
Partx x Cx = Ux x V
Cx = Ux x V / Partx
o Ux = concentratie stof x in urine
o V = volume urine
o Partx = concentratie stof x in arteriële plasma
De klaring vertelt dus hoeveel ml plasma per minuut volledig wordt gezuiverd
van stof x.
Aan de hand van klaring kunnen we de GFR (glomerulaire filtratiesnelheid)
berekenen. Dit is het makkelijkst als je een molecule gebruikt die uitsluitend
door de glomerulaire functie geklaard wordt, bv creatinine en ureum. Hierbij
zal de klaring gelijk zijn aan de GF. Verder zijn er nog moleculen die naast
glomerulaire klaring tubulaire reabsorptie ondergaan, tubulaire secretie
ondergaan of tubulaire reabsorptie en secretie ondergaan.
Een verhoogde creatinine- en ureumconcentratie in het bloed wijzen op een
verminderde nierfunctie.
De functionele reserve kan dan op deze manier geïnterpreteerd worden:
o GFR > 50%
§ Geen problemen
§ Bv afstand doen van een nier is mogelijk
o 30 < GFR < 50%
§ Lichte stijging van ureum en creatinine
§ Asymptomatisch
§ Symptomatische CNI (chronische nierinsufficiëntie) bij stress
situaties zoals infecties, bloeding, obstructie van darmen,
nefrotoxische medicatie, catabole situaties (ongeval, fractuur)
o GFR < 20%
§ Ontwikkelen van symptomatische CNI (uremie)
2. Bloeddruk regulatie
a. ADH
Antidiuretisch hormoon (= ADH = vasopressine) is een
compensatiemechanisme dat geactiveerd wordt bij hartfalen. Bij een verlaagd
hartdebiet daalt de bloedstroom naar de weefsels. Via osmoreceptoren wordt
de volumeretentie gedetecteerd. Als reactie wordt ADH vrijgesteld door de
neurohypofyse in de circulatie.
3
, ADH komt terecht op het niveau van de medulla van de nier. Daar zal het leiden
tot retentie van water. De veneuze retour naar het hart zal dan ook verhogen
(volgens de wet van Starling). Het hartdebiet zal verhogen.
Paradox: hoewel ADH aanvankelijk een compensatiemechanisme is, leidt het
op lange termijn tot een vicieuze cirkel:
§ Steeds meer retentie van zout en water
§ Hartaandoening wordt progressief erger: perifere weerstand blijft
verhogen door verhoogde retentie. Op een bepaald moment wordt
de limiet bereikt, het groot volume dat extra wordt bijgehouden
moet door het hart ook voorgestuwd worden, en dit lukt het hart niet
meer.
§ Symptomatologie treedt op.
ADH heeft ook een vasocontrictief effect dat bijdraagt aan een hogere
bloeddruk. De hypothalamo-hypofysaire as detecteert veranderingen in
osmolariteit of volume en pasr de ADH-secretie daaraan aan.
§ Lage bloeddruk à meer ADH à waterretentie en vasoconstrictie
§ Overvulling à minder ADH à meer waterexretie
b. RAAS (renine-angiotensine-aldosteron-systeem)
Het RAAS-systeem is een van de belangrijkste (niet-cardinale)
compensatiemechanisme bij hartfalen, met als doel de bloedruk en
weefselperfusie zo lang mogelijk op peil te houden. Het systeem wordt
gestuurd door de nier, meer specifiek door het juxtaglomerulair apparaat
(JGA), dat als sensor fungeert van de perfusiedruk in de afferente arteriole.
Bij hartfalen daalt het hartdebiet, waardoor de renale perfusiedruk zal dalen.
Dit wordt gedetecteerd door het JGA, waardoor renine wordt gesecreteerd en
in de circulatie terechtkomt.
ð Renine katalyseert de omzetting van angiotensinogeen tot
angiotensine I
ð Angiotensine I wordt door ACE (angiotensine-converting
enzyme) omgezet in angiotensine II
ð Angiotensine II heeft verschillende cardiovasculaire
effecten:
o Vasoconstrictie van de kleine arteriolen à perifere
weerstand neemt toe à hartdebiet verhoogt à
perfusie stijgt
o Vrijstelling aldosteron uit de bijnier à volumeretentie
(retentie van zout en bijgevolg van water) in de distale
tubulus à toename van circulerend bloedvolume à
verhoging preload (en bijgevolg van slagvolume
volgens Starling)
Paradox na lange activatie: Steeds meer retentie van zout en water
4