3de hoofdstuk over de reeks van sociale psychologie
Verhaaltjes:
1. Bisschop Roger Vangelhuwe en seksueel misbruik in de kerk => godvergeten
Worden celibaten (priesters) pedofielen, of worden pedofielen priesters?
=> wat is oorzaak van gedrag, waarom doen priesters dat?
=> Volgens theologe Karlijn Demasure worden pedofielen priesters (want ze hebben vaak laag
zelfbeeld en willen dan een beroep met hoog aanzien + geeft toegang tot kinderen
=> andere mogelijkheid, volgens Roger Vangeluwe: priesters worden pedofielen, opleiding tot
preister begint vroeg, krijgen nooit warm lichamelijk contact, beginnen dan seks met kinderen niet
als seks te zien => worden pedofielen
=> compleet andere visies, ene van vrouw andere van priester
2. Winnen en verliezen
Kapitein nationale ploeg NL: zei dat ze waren verloren maar door de scheids die niet goed heeft
gefloten (ander team had rode kaart moeten krijgen etc)
Enkele jaren later verliest NL keer op keer tijdens kampioenschap, en ook tegen vriendschappelijke
match met België
Deze keer is volgens de kapitein van de nationale ploeg de reden van verliezen: te haastig
gespeeld, geen concentratie, balverlies…
Attributietheorie
Waar leggen we de oorzaak van ons eigen gedrag en dat van anderen?
>< Waaraan schrijven we successen en mislukkingen toe?
Fritz Heider, vader van de attributietheorie
Alle mensen zijn amateurpsychologen, mensen zoeken steeds naar redelijke verklaringen van
gedrag.
Maakte onderscheid tussen:
Interne attributies >< externe
• Interne: het zit in hen, hun persoonlijkheid => de persoon die het doet
• Externe: ze gedragen zich zo omwille van omstandigheden (vb. dronken)
=> mensen hebben voorkeur voor interne attributies, we structureren wereld die we observeren als
figuren en achtergrond (die minder aandacht krijgt) => als we iemand observeren spenderen we
vooral aandacht aan persoon (en achtergrond krijgt minder aandacht) => minder snel situatie
toewijden aan achtergrond/situatie
Studie van Karney & Bradbury
• Toeschrijven van gedrag aan interne of externe oorzaken: partnerrelaties
• Tevreden partners:
o Intern voor positieve gedragingen
o Extern voor negatieve gedragingen
1
, • Ongelukkige partners
o Omgekeerd effect
Harold Karney: normatieve attributietheorie
3 mog oorzaken
1. Persoon (intern)
2. Situatie (extern)
3. Het moment => specifieke omstandigheden (net gebuisd voor examen + vriendin maakte
het uit + iemand morste bier op persoon => beginnen vechten)
=> mensen zoeken systematisch naar beschikbare informatie (amateur psychologen) om oorzaak van
gedrag te achterhalen => houden het allemaal impliciet in rekening bij attributie van gedrag van
anderen en onszelf.
• Consistentie: gedraagt deze persoon zich steeds op dezelfde manier?
• Consensus: gedragen anderen zich ook zo in deze situatie?
• Kenmerkendheid: lokken andere situaties bij deze persoon hetzelfde gedrag uit of is het
kenmerkend voor dit moment?
=> het covariatiemodel: mensen maken attributies op een logische, rationele manier => uitvoerig
onderzocht
Mensen gedragen zich meestal volgens het model maar…
Er zijn enkele opvallende uitzonderingen
Gebrek aan consensus
Veel persoonsattributies bij vb. experimenten van Milgrim (ondanks meerderheid het ook doet, heeft
het dan iets met persoon te maken? Hoe zou ik reageren? Mss moeten besluiten dat er meer kans is
dat jij het ook zou doen)
Er wordt te weinig rekening gehouden met consensus-informatie
Nisbett & Borgida
Wel gebruik van consistentie- en kenmerkendheidsinformatie
Systematisch te weinig gebruik van consensus-informatie
1. Nisbett & Schachter: 32 van de 34 ppn zijn beried zeer sterke shocks te ondergaan.
2. Latané & Darley: 11 van de 15 ppn helpen epilepticus niet na een aantal minuten
2 condities: met en zonder consensusinformatie; als ze het niet krijgen, krijgen ze wel uitleg van
experiment maar geen conclusie, bij degene met consensus wel
=> beide condities even sterke persoonsattributie gemaakt.
Dwz dat in de conditie waarbij de resultaten erbij gegeven werden dat hier geen rekening
mee gehouden werd.
=> vraag wat ze zelf zouden gdn hebben: degene met resultaten houden er te weinig rekening mee
2
,Opvallendheid
Taylor & Fiske
Twee 'studenten' A & B voeren een kennismakingsgesprek, 2 andere zitten achter A dus observeren
B en omgekeerd.
6 proefpersonen beoordelen de studenten:
Wie nam meeste initiatief?
Wie stuurde" onderwerpen het meest?
=> meest 'in beeld' heeft grootste invloed want meer aandacht dus meer initiatief aan toewijden.
Taylor, Fiske, Close, Anderson & Ruderman
Brainstormsessie voor uitdenken van een publieke campagne met 6 mensen
3 groepen: 1 blanke, rest zwart; helft helft, 1 zwarte rest blank
=> meer invloed toegeschreven aan persoon die meest 'opvalt' = meer invloed
=> als iemand meer beweeglijk is/ afwijkende kleding dan is die persoon meer opvallend en heeft
deze persoon meer invloed.
De fundamentele attributiefout
Geobserveerde persoon = figuur op achtergrond
=> onderschatting situationele invloed, gebrek aan consensusinformatie
Correspondence bias = fundamentele attributiefout
Jones & Harris
Illustreerden voor het eerst de corresponence bias
Lln krijgen opdracht om een essay te schrijven over Castro
Conditie 1: opdracht voor (ene helft) of tegen (andere helft) Castro
Conditie 2: standpunt zelf gekozen, voor of tegen.
Nadien andere ppn moesten essays lezen en echte standpunt vd schrijver beoordelen
Bij oranje zou je een horizontale curve verwachten (want je zou denken dat als er vrije keuze is, je
niet veel kan inschatten => niet juist)
Proefpersonen maken hierbij de fundamentele attributie fout.
Blauwe lijn is wel te verwachten
3
, Pietromanco & Nisbett
1. Darley & Batson
• Seminaristen (mensen die studeren om pastoor te worden) schrijven preek over de
parabel van de barmhartige Samaritaan.
=> zeggen dat ze preek moeten voorbereiden en voorstellen in ander gebouw
• Ene helft: 'oei het is al laat, je moet je haasten'
• Andere helft: 'er is nog veel tijd doe maar op het gemak'
• Onderweg naar andere gebouw ligt er een man op de grond die in nood is.
→ Registreert of de ppn de man helpen
=> Religiositeit geen goede voorspeller voor hulp verlenen of niet.
=> Al dan niet gehaast zijn is wel een goede voorspeller. (10%: gehaaste groep vs 63%: niet gehaaste
groep)
Deze resultaten worden gebruikt in de studie van Pietromanco & Nisbett:
Conditie 1: horen eerst verhaal over Darley & Batson te horen met de resultaten erbij
Conditie 2: krijgt dit niet te horen, maar nadien krijgen ze een soort gelijk verhaal te horen en
moeten ze een attributieoordeel vellen over de personen in die situatie.
In welke mate gaan ze het gedrag toeschrijven aan de situatie of aan de persoon
Je verwacht voor conditie één dat ze sensitief zijn voor de situatie en het gedrag dus minder zouden
toeschrijven aan de persoon dan in de tweede conditie => dit is niet het geval.
=> in beide condities maken ppn fundamentele attributiefout.
Culturele verschillen in attributie
Is de fundamentele attributiefout universeel?
Amerikaanse & Europese cultuur:
• Individuele autonomie centraal
• Gedrag gevolg van persoonsspecifieke motieven en trekken
Oost-Aziatische culturen (China, Japan, Korea)
• Belang van de groep
• Individu ontleent ‘zelf’-gevoel aan sociale groep waartoe zij behoort
=> Relatief meer dispositionele attributies in USA en Europa
Miller
'denk aan opvallend gedrag van vrienden recent'
=> beschrijf kort + ook oorzaak van dat specifiek gedrag
=> nadien voorgelegd aan blinde beoordeelaars
'Amerikaanse pp geven meer persoonsgebonden/dispositionele verklaringen' voor het gedrag dat ze
toeschrijven
'Indische meer situationele verklaringen' voor het gedrag => dus minder fundamentele attributie fout
maken.
=> relatief meer dispositionele attributies in USA
4