Samenvatting midterm
Ethiek&Recht
Samenvatting van de hoofdstukken
H1: De structuur en grondslagen van het Nederlandse
recht
Een Verklaring Omtrent Gedrag is in steeds meer sectoren verplicht.
Het recht is het resultaat van het afwegen van belangen op abstract niveau
(vrijheid vs milieu). Dit afwegen wordt door de wetgever en deels door de
rechterlijke macht.
Nederland is een rechtsstaat:
- Grondrechten: opgenomen in de grondwet
Klassieke grondrechten= fundamentele rechten van burgers (hier kan de
overheid geen inbreuk op maken)
Sociale grondrechten= verplichtingen van overheid om zich in te zetten voor
welvaart en welzijn van burgers.
Als er ‘behoudens…’ achter staat mag er inbreuk op gemaakt worden.
Legaliteitseis= er moet een wettelijke grondslag zijn voordat een
overheidsoptreden mag plaatsvinden waarbij vrijheden of eigendommen van
burgers worden beperkt. Overheidsinstanties moeten dus een bevoegdheid
bezitten die verleend is door de hoogste wetgevende instantie: Regering &
Staten-Generaal
Trias politica= scheiding tussen wetgevende, uitvoerende en rechtsprekende
macht.
Komt van de filosoof Montesquieu en is in 1848 vastgelegd in de Grondwet door
Thorbecke.
Doel: tegengaan van een te grote centrale macht.
Wetgevende macht Uitvoerende macht Rechtsprekende macht
Staten-Generaal (1 en 2
e e
Overheidsinstanties Gerechtelijke collega’s
kamer) (rechtbanken)
Trias politica is niet waterdicht (je kunt bijv. lid zijn van wetgevende en
rechtsprekende macht)
Gebondenheid aan de wet= houdt in dat iedereen zich moet houden aan de
wettelijke regelingen.
Onafhankelijke rechtspraak= particuliere organisaties en burgers mogen zich
keren tot een onafhankelijke rechter wanneer ze van mening zijn dat een andere
partij contractuele afspraken of wettelijke voorschriften niet is nagekomen.
, Bij een wetsovertreding wordt je vervolgd door het Openbaar Ministerie en
gestraft door een rechter. Overheidsinstanties hebben gedeeltelijke immuniteit
en kunnen moeilijker worden vervolgd dan particuliere organisaties en burgers.
Rechtszekerheid= uitspraken van rechter moeten duidelijk en begrijpbaar zijn.
Positieve recht= algemene, voor herhaalde toepassing vatbare normen die op
een bepaald tijdstip gelden. Naleving afdwingen bij rechter.
Natuurrecht= rechtsnomen die een universeel karakter hebben en niet
gebonden zijn aan een gebied of tijd (goddelijke macht of menselijke redenering).
4 bronnen positief recht:
1. Wetgeving
2 soorten: wetgeving in materiële zin (bindende regeling door bevoegde
overheidsinstantie vastgesteld) en formele zin (regeling door regering en Staten-
Generaal vastgesteld). Een deel van de wetgeving in materiële zin is dus ook
wetgeving in formele zin.
2. Besluiten en verdragen van internationale organisaties
Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de
fundamentele vrijheden is de meest relevante.
3. Jurisprudentie= geheel van uitspraken van rechters.
Uitspraken van de Hoge Raad worden vaak overgenomen in de wet.
4. Ongeschreven recht= het gewoonterecht (regels die zijn ontstaan doordat
ze als gewoon gezien worden) en ongeschreven rechtsbeginselen
(uitgangspunten die rechters als norm beschouwen)
Rechtsvinding= uitwerking van een concreet geval in het positieve recht.
Subsumptie= wanneer alle relevante bronnen geraadpleegd zijn en het duidelijk
is welke rechten en plichten de partijen hebben.
Voorrangsregels:
1. Hogere wet/regelgeving gaat voor lagere wet/regelgeving. (internationale
verdragen gaan voor de nationale verdragen en formele wetten gaan voor
andere wetten)
2. Bijzonder gaat voor algemeen
3. Nieuw gaat voor oud
Interpretatiemethoden:
- Grammaticale interpretatiemethode= achterhalen van de letterlijke
betekenis door taalkundige analyse
- Wetshistorische interpretatiemethode= achterhalen welke bedoeling
de wetgever had toen de regeling werd vastgelegd.
- Systematische interpretatiemethode= wettelijke bepaling in groter
geheel plaatsen van bepalingen die over hetzelfde onderwerp gaan
- Telefonische/doelgerichte interpretatiemethode= uitzoeken van doel
dat de bepaling zou moeten vervullen
- Rechtshistorische interpretatiemethode= interpreteren in de context
waarin de bepaling is ontstaan
- Anticiperende interpretatiemethode= vooruitlopen op inhoud van een
wet die in de toekomst in werking zal treden en de huidige zal vervangen
Wat gebeurt er als er geen wettelijke bepaling van toepassing is op de situatie?
Ethiek&Recht
Samenvatting van de hoofdstukken
H1: De structuur en grondslagen van het Nederlandse
recht
Een Verklaring Omtrent Gedrag is in steeds meer sectoren verplicht.
Het recht is het resultaat van het afwegen van belangen op abstract niveau
(vrijheid vs milieu). Dit afwegen wordt door de wetgever en deels door de
rechterlijke macht.
Nederland is een rechtsstaat:
- Grondrechten: opgenomen in de grondwet
Klassieke grondrechten= fundamentele rechten van burgers (hier kan de
overheid geen inbreuk op maken)
Sociale grondrechten= verplichtingen van overheid om zich in te zetten voor
welvaart en welzijn van burgers.
Als er ‘behoudens…’ achter staat mag er inbreuk op gemaakt worden.
Legaliteitseis= er moet een wettelijke grondslag zijn voordat een
overheidsoptreden mag plaatsvinden waarbij vrijheden of eigendommen van
burgers worden beperkt. Overheidsinstanties moeten dus een bevoegdheid
bezitten die verleend is door de hoogste wetgevende instantie: Regering &
Staten-Generaal
Trias politica= scheiding tussen wetgevende, uitvoerende en rechtsprekende
macht.
Komt van de filosoof Montesquieu en is in 1848 vastgelegd in de Grondwet door
Thorbecke.
Doel: tegengaan van een te grote centrale macht.
Wetgevende macht Uitvoerende macht Rechtsprekende macht
Staten-Generaal (1 en 2
e e
Overheidsinstanties Gerechtelijke collega’s
kamer) (rechtbanken)
Trias politica is niet waterdicht (je kunt bijv. lid zijn van wetgevende en
rechtsprekende macht)
Gebondenheid aan de wet= houdt in dat iedereen zich moet houden aan de
wettelijke regelingen.
Onafhankelijke rechtspraak= particuliere organisaties en burgers mogen zich
keren tot een onafhankelijke rechter wanneer ze van mening zijn dat een andere
partij contractuele afspraken of wettelijke voorschriften niet is nagekomen.
, Bij een wetsovertreding wordt je vervolgd door het Openbaar Ministerie en
gestraft door een rechter. Overheidsinstanties hebben gedeeltelijke immuniteit
en kunnen moeilijker worden vervolgd dan particuliere organisaties en burgers.
Rechtszekerheid= uitspraken van rechter moeten duidelijk en begrijpbaar zijn.
Positieve recht= algemene, voor herhaalde toepassing vatbare normen die op
een bepaald tijdstip gelden. Naleving afdwingen bij rechter.
Natuurrecht= rechtsnomen die een universeel karakter hebben en niet
gebonden zijn aan een gebied of tijd (goddelijke macht of menselijke redenering).
4 bronnen positief recht:
1. Wetgeving
2 soorten: wetgeving in materiële zin (bindende regeling door bevoegde
overheidsinstantie vastgesteld) en formele zin (regeling door regering en Staten-
Generaal vastgesteld). Een deel van de wetgeving in materiële zin is dus ook
wetgeving in formele zin.
2. Besluiten en verdragen van internationale organisaties
Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de
fundamentele vrijheden is de meest relevante.
3. Jurisprudentie= geheel van uitspraken van rechters.
Uitspraken van de Hoge Raad worden vaak overgenomen in de wet.
4. Ongeschreven recht= het gewoonterecht (regels die zijn ontstaan doordat
ze als gewoon gezien worden) en ongeschreven rechtsbeginselen
(uitgangspunten die rechters als norm beschouwen)
Rechtsvinding= uitwerking van een concreet geval in het positieve recht.
Subsumptie= wanneer alle relevante bronnen geraadpleegd zijn en het duidelijk
is welke rechten en plichten de partijen hebben.
Voorrangsregels:
1. Hogere wet/regelgeving gaat voor lagere wet/regelgeving. (internationale
verdragen gaan voor de nationale verdragen en formele wetten gaan voor
andere wetten)
2. Bijzonder gaat voor algemeen
3. Nieuw gaat voor oud
Interpretatiemethoden:
- Grammaticale interpretatiemethode= achterhalen van de letterlijke
betekenis door taalkundige analyse
- Wetshistorische interpretatiemethode= achterhalen welke bedoeling
de wetgever had toen de regeling werd vastgelegd.
- Systematische interpretatiemethode= wettelijke bepaling in groter
geheel plaatsen van bepalingen die over hetzelfde onderwerp gaan
- Telefonische/doelgerichte interpretatiemethode= uitzoeken van doel
dat de bepaling zou moeten vervullen
- Rechtshistorische interpretatiemethode= interpreteren in de context
waarin de bepaling is ontstaan
- Anticiperende interpretatiemethode= vooruitlopen op inhoud van een
wet die in de toekomst in werking zal treden en de huidige zal vervangen
Wat gebeurt er als er geen wettelijke bepaling van toepassing is op de situatie?