Vraag 1
Een definitie van facility management is:
“Facility management is het integraal managen en realiseren van de …..?...., …?...
en de …?..., die moeten bijdragen aan een doeltreffende, doelmatige, flexibele en
creatieve verwezenlijking van de doelen van een organisatie in een veranderende
omgeving”.
a. Volgens bovenstaande definitie bestaat FM uit 3 onderdelen. Benoem deze 3
onderdelen (3 punten).
b. De NEN2748 heeft het over 5 hoofdgroepen van FM. Welke 3 andere
hoofdgroepen staan er in de NEN2748 (3 punten)?
c. Leg uit waarom er in de definitie een “veranderende omgeving” genoemd staat
(3 punten)?
Vraag 2
Een andere definitie van facility management is:
“Facility Management is het management van alle diensten die aan de
werkomgeving gerelateerd zijn en die nodig zijn om …?...te ondersteunen bij hun
streven naar toegevoegde waarde?”
a. Sommige woorden in een definitie zijn zogenaamde kernwoorden en
behoeven soms nog enige toelichting. Geef deze toelichting op het woord
“werkomgeving” (3 punten).
b. Wat hoort er op de plek van het vraagteken te staan (2 punten)?
c. Je kunt op 2 manieren naar toegevoegde waarde kijken. Benoem deze 2
manieren en leg daarnaast de 4 bijbehorende begrippen uit (6 punten).
d. Toegevoegde waarde binnen het vakgebied van FM is nieuw, maar het begrip
toegevoegde waarde is niet nieuw. Welk model uit 1985 hanteert het begrip
“toegevoegde waarde” ook (2 punten)?
Vraag 3
Voor het in kaart brengen van de toekomstige facilitaire ontwikkelingen gebruiken we
vaak scenario’s.
a. Benoem de 3 scenario’s die het boek hanteert (3 punten)?
b. Kies binnen één scenario 4 recente facilitaire ontwikkelingen en licht deze toe
(8 punten)?
c. Een facilitaire ontwikkeling op meso niveau is het inrichten van een
regieorganisatie. Wat is het verschil tussen deze regieorganisatie en de
traditionele organisatievorm (3 punten)?
, Vraag 4
a. Leg de samenhang tussen een dienst, proces, activiteit, product en beleving
uit door middel van onderstaand schema in te vullen voor de facilitaire dienst
schoonmaak (11 punten).
b.
Dienst Proces Activiteit Resultaat
c. Naast schoonmaak benoemt het boek nog 7 andere facilitaire diensten.
Benoem er 5 (5 punten).
d. Kies één van de 5 genoemde facilitaire diensten bij vraag 4b en benoem 2
kritieke succesfactoren van deze facilitaire dienst (2 punten).
Vraag 5
Organisaties kennen van oudsher een hiërarchische opbouw, weergegeven als een
piramide.
a. Welke 3 niveaus kunnen we onderscheiden (3 punten)?
b. Leg per niveau uit welke facilitaire werkzaamheden worden uitgevoerd (3
punten).
c. Leg per niveau uit welke rol de klant heeft (3 punten).
Vraag 6
a. Hospitality kan men zien vanuit twee perspectieven. Benoem deze twee
perspectieven (1 punt per perspectief, totaal behalen punten = 2).
b. Conrad Lashley heeft het over drie hospitality domeinen. Benoem deze drie
hospitality domeinen (1 punt per domein, totaal behalen punten = 3).
c. De hospitality industrie is onderverdeeld in vijf categorieën. Benoem deze vijf
categorieën (1punt per categorie, totaal behalen punten = 5).