Aarde Endogene en exogene processen
3.1- De opbouw van de aarde
De aarde is voortdurend in beweging. Processen zoals puinlawines, klimaatverandering
en gebergtevorming veranderen het landschap, soms in korte tijd en soms over
miljoenen jaren. Het onderzoek naar deze veranderingen valt onder de
aardwetenschap. Hierbij bestuderen wetenschappers niet alleen de aarde zelf, maar
ook de hydrosfeer (al het water op aarde) en de atmosfeer. Binnen de geomorfologie
wordt onderzocht hoe landschappen ontstaan en veranderen door natuurlijke
processen op lange termijn.
Omdat veel aardprocessen zich over zeer lange tijdschalen afspelen, maken
wetenschappers gebruik van de geologische tijdschaal. Deze verdeelt de 4,5 miljard
jaar oude geschiedenis van de aarde in overzichtelijke tijdperken. Om processen uit het
verre verleden te begrijpen, gebruiken aardwetenschappers kennis uit verschillende
vakgebieden en het actualiteitsprincipe: de natuurwetten en processen die nu
plaatsvinden, golden ook in het verleden.
De opbouw van de aarde kan niet direct worden onderzocht, omdat mensen niet dieper
dan ongeveer 10 kilometer de aarde in kunnen. Daarom gebruiken wetenschappers
indirecte methoden, zoals het bestuderen van aardbevingsgolven. De snelheid en
richting van deze golven veranderen afhankelijk van de eigenschappen van het
gesteente. Met deze informatie hebben seismologen de gelaagde opbouw van de aarde
vastgesteld.
Omdat mensen niet dieper dan ongeveer 10 kilometer de aarde in kunnen, wordt de
opbouw van de aarde onderzocht met indirecte methoden. Aardwetenschappers
gebruiken hierbij aardbevingsgolven. Deze trillingen bewegen door de aarde en
veranderen van snelheid en richting afhankelijk van eigenschappen van het gesteente,
zoals temperatuur, dichtheid en vloeibaarheid. Door gegevens van duizenden
aardbevingen te analyseren, hebben seismologen de inwendige opbouw van de aarde
vastgesteld.
, De aarde bestaat uit verschillende lagen. In het midden ligt de aardkern, die
voornamelijk uit ijzer bestaat en zeer heet is (ongeveer 5000 °C). Door de extreem hoge
druk is de binnenkern vast, terwijl de buitenkern vloeibaar is. Rondom de kern ligt de
aardmantel, die bestaat uit magnesium- en ijzerrijk gesteente. Ondanks de hoge
temperatuur is de mantel grotendeels vast, maar het gesteente beweegt op lange
termijn langzaam. De buitenste, plastische zone van de mantel heet de asthenofeer.
Boven op de mantel ligt de lithosfeer, de vaste buitenlaag van de aarde. Deze bestaat
uit het bovenste deel van de mantel en de aardkorst. De aardkorst is relatief licht en
‘drijft’ als het ware op de aardmantel. Er zijn twee soorten aardkorst: continentale en
oceanische korst. De oceanische korst is dunner en zwaarder omdat deze vooral uit
basalt bestaat, terwijl de continentale korst voornamelijk uit graniet bestaat. Omdat
basalt een hogere dichtheid heeft dan graniet, ligt de oceanische korst lager dan de
continentale korst.
Op de oceaanbodem komen grote reliëfvormen voor. In het midden van oceanen liggen
lange onderzeese bergketens, de midoceanische ruggen, waar de oceaanbodem
relatief hoog ligt. Daarnaast zijn er zeer diepe delen van de oceaanbodem, de troggen,
die vooral langs de randen van oceanen voorkomen en kilometers diep kunnen zijn.
3.2- Platentektoniek
De aardkorst bestaat niet uit één geheel, maar uit grote en kleine aardplaten die als
puzzelstukken op elkaar aansluiten. Deze platen bewegen langzaam over de