1. Cytologie
1.1. Wat is een cel?
- Kleinste zelfstandig werkende bouwstenen en
stofwisselingseenheden
- Alles wat leeft bestaat uit 1 of meerdere cellen.
- Elke cel ontstaat uit een deling (mitose of meiose) van eerder
bestaande cel.
Golgi – apparaat
ribosoom
celkern
GER
RER
Plasmamembraan
, 1.2. Bouw van een cel:
- Celmembraan of plasmamembraan
- Cytoplasma
o Cytosol
o Organellen
- Celkern
1.3. Plasmamembraan
- Afscheiding tussen intra en extracellulaire milieu
- Fosfolipiden
o Polaire kop
o Apolaire staart
- Semi – permeabel
- Bestaat niet alleen uit fosfolipiden. Daarnaast ook
membraaneiwitten zoals transporteiwitten en receptoren.
1.3.1. Transporteiwitten
- Verplaatsen specifieke moleculen
- Sommige verbruiken ATP, andere niet
- Bekendste voorbeeld: natrium – kaliumpomp
1.3.2. Receptoren
Ze hebben een specifieke structuur. Enkel moleculen die een
structuur ebben die hier perfect in past gaan binden op deze
receptoren. Deze noemen we liganden Receptor – ligand –
complex activeert een waterval van reacties
Veel hormonen zijn liganden zo zal testosteron binden op
testosteronreceptoren op spiercellen en zal dit complex de
spieropbouw in die cel activeren
Anders dan de transporteiwitten transporteren de receptoren
dus geen moleculen in of uit de cel, maar starten ze specifieke
processen in de cel na binding met een bepaald ligand.
1.4. Celkern of nucleus
- RBC hebben dit niet
- 46 chromosomen
- Nucleoplasma, omgeven door kernmembraan. Op sommige plaatsen
nucleaire poriën waardoor uitwisseling kan plaatsvinden tussen het
nucleoplasma en cytoplasma
- Chromatinedraden histonen en DNA voorbereidt op celdeling
spiraliseren = chromosomen. Elk chromosoom bevat 1 lange DNA –
molecule.