Methodologie
Waarom sociaal wetenschappelijk onderzoek?
• Ontologie: Waaruit bestaat de wereld? Hoe is de sociale werkelijkheid opgebouwd? Wat is de aard van de
werkelijkheid?
• Epistemologie: Wat is goede kennis? Wat kunnen we kennen?
• Methodologie: Op welke wijze kunnen we kennis produceren? Hoe kunnen we kennis verwerven?
Sociaalwetenschappelijk onderzoek richt zich op menselijk gedrag. Het proces van onderzoek omvat het
genereren van betrouwbare en geldige kennis door theorie (denken) en empirie (observeren) met elkaar te
verbinden.
Methodologie: Dit is het gehele proces van wetenschapsbeoefening, niet louter de kennis en beheersing van
methoden en technieken.
Aspect Naturalisme (Positivisme) Constructivisme (Interpretatieve Sociale
Wetenschappen)
Ontologie Eén objectieve, externe werkelijkheid, Werkelijkheid is subjectief; geconstrueerd
observeerbaar. Stuurt menselijk gedrag via door mensen. Mensen denken, dus geen
universele wetten. Sociale wereld is eenvoudig; objectieve werkelijkheid, maar een
simpele onderliggende wetten. geïnterpreteerde werkelijkheid.
Verschijnselen zijn sociale constructies.
Epistemologie "Erklären": Regelmatigheden ontdekken en "Verstehen": Sociaal gedrag van binnenuit
presenteren als (natuur)wetten, wereld in proberen te begrijpen, aangepast aan
termen van oorzaak-gevolg. Universele wetten specifieke handelingscontext. Geen
in de sociale werkelijkheid ontdekken en "natuurwetten" die menselijk handelen
observeren. Methodologisch monisme: determineren. Methodologisch dualisme:
methoden van natuurwetenschappen methoden van natuurwetenschappen niet
toepasbaar in sociale wetenschappen. toepasbaar in sociale wetenschappen.
Methodologie Hypothesen uit theorie empirisch testen via Objectief onderzoek niet wenselijk, maar
falsificatieprincipe. Combinatie van empathie cruciaal. Via interactie
correspondentietheorie en rationaliteit. betekenissen achterhalen die mensen aan
Onderzoeker als objectieve buitenstaander; handelen geven.
waardevrijheid.
Methoden: Specifieke technieken voor het selecteren van onderzoekseenheden, verzamelen en analyseren van
gegevens, en rapporteren van resultaten.
Epistemologische kwesties zijn kwesties over wat we kunnen kennen Broken windows theorie; james Wilson en
George kelling (1980) Oorzakelijk of causal verband ?
Causaal verband
1. Er moet een zeker statistisch verband zijn tss gebeurtenis A en gebeurtenis B
2. A moet voorafgaan aan B
3. Het statistische verband tss A en B mag niet te wijzen zijn aan een derde geheime
gebeurtenis C die het verband teweeg brengt
ALTERNATIEVE BRONNEN
1. Persoonlijke ervaring: Neiging tot overgeneralisatie en selectieve observatie, wat leidt tot subjectiviteit.
2. (Populaire) massamedia: Vaak selectief, belicht slechts één aspect, en combineert wetenschappelijke
inzichten met ongefundeerde informatie.
3. Ideologische overtuigingen: Beïnvloeden en sturen de waarneming van de werkelijkheid, zoals
creationisme versus de evolutietheorie.
1
, WETENSCHAPPELIJKE KENNIS
1. Observeerbare fenomenen
2. Methodologische spelregels
3. ‘waarheid als criterium
Selectieve observatie; speciaal letten op bepaalde mensen of situaties en van daaruit veralgemeningen maken ->
kleurt je waarneming
Bouwstenen en soorten sociaalwetenschappelijk onderzoek
inleiding
Sociaal wetenschappelijk onderzoek
= de productie van geldige en betrouwbare kennis over de sociale realiteit door het combineren van theorie en
empirie, waarbij methodologische principes rigoureus (= nauwgezet) worden toegepast.
DOEL: theoretische kennis op te bouwen over de samenleving/ veralgemening
Kenmerkend:
• voortdurende wisselwerking tussen theorie en empirie.
• gebaseerd op systematische observatie van de realiteit, waarbij bepaalde methodologische spelregels nauwgezet
gevolgd worden.
Bouwstenen van sociaal wetenschappelijk onderzoek
Theorie en empirie.
THEORIE:
= het geheel van samenhangende uitspraken of proposities die bepaalde fenomenen beschrijven of verklaren
Nut?
Leggen terugkerende patronen of regelmatigheden in de wereld rondom ons uit
Beantwoorden wat-, hoe-, en waaromvragen
Idealiter mogelijk voorspellingen te doen -> verre van eenvoudig; a c h t e r a f regelmatig niet te kloppen
Beschrijven hoe verschillende concepten met elkaar in verband s t a a n
Vb. job demand-control model – Karasek (1979)
2 elementen: concepten + proposities theorieën bestaan uit uitspraken over relaties tussen concepten
> Concepten = algemeen en abstract idee dat als een label dient om concreet waarneembare zaken of fenomenen
te categoriseren
> Propositie = vooronderstelde relatie tussen concepten
Niet noodzakelijk goede theorieën
Wetenschappelijk theorie kenmerken:
> Logisch consistent (Proposities mogen elkaar niet tegenspreken)
> Veralgemeenbaar (Een ruimer toepassingsgebied)
> Verklaringskracht (Beter naarmate ze meer succesvol is om wereld rondom ons te verklaren)
> Spaarzaam (Hoe minder concepten en proposities je nodig hebt om fenomeen te verklaren hoe beter)
> Empirisch toetsbaar
o Verifieerbaarheid: Mogelijkheid om via observatie te toetsen of theoretische aannames
overeenstemmen met de werkelijkheid.
o Weerlegbaarheid/Falsifieerbaarheid: Mogelijkheid om via observatie de onjuistheid van kennis aan te
tonen.
o Repliceren: Herhalen van onderzoek om te controleren of dezelfde conclusies worden getrokken.
Wetenschappelijke methoden geeft de beste garantie om tot geldige en betrouwbare kennis te komen
wetenschappelijke theorieën die niet met andere worden gedeeld kunnen niet weerlegd worden en voldoen
daarom niet aan het criterium van empirische toetsbaarheid
2
,Formele theorieën = een soort theorie die ervan uitgaat dat je allerhande sociale fenomenen los van de concrete
inhoud kan verklaren vanuit enkele vormelijke basisprincipes
vertrekt dus niet vanuit de inhoud van een situatie maar vanuit de vorm
Vb. rational choice theory – Becher (1976) – gaat er van uit dat mensen nutscalculerende
wezens zijn vorm kan je plakken op verschillende situaties bv. Spijbelen,
winkeldiefstal, trouwen, migreren (als je beslitst kijk je naar wat levert het me op & wat
kost het mij. past gedrag hierop aan
Middle range theory = theorieën die berusten op een reeks aannames over één bepaald sociaal fenomeen, waaruit
hypothesen kunnen worden afgeleid die op hun beurt empirische getoetst worden. (cfr. Merton)
‘Grand theorie’ = een soort theorie die sociale fenomenen probeert te vatten vanuit één abstract conceptueel kader,
waarin het ordenen van concepten belangrijker is dan het begrijpen van de sociale werkelijkheid
Vb. structurele functionalisme – Talcott Parsons (1951) – probeert alle mogelijke
aspecten van sociaal gedrag en organisatie te begrijpen vanuit de structuur van sociale
systemen en de functies van deelsystemen
EMPIRIE:
= het ervaren van de wereld rondom ons door waarneming. (kan experimenteel zijn)
niet enkel met ogen kijken maar ook met instrumenten werken (vragenlijst, statistiek,..)
Goed observeren is een sinecure en brengt veel uitdagingen met zich mee:
1. In welke maten is het mogelijk objectieve waarnemingen te doen die onafhankelijk zijn van de waarnemer?
wat we zien of horen is gekleurd door allerhande vooronderstellingen en verwachtingen
o Wat je opmerkt hangt af van waar je aandacht naartoe gaat, welke categorieën je al kent, en wat je
verwacht te zien. In onderzoek heet dat vaak observer bias of theory-ladenness: je theorie (of je
“idee” van wat belangrijk is) stuurt je blik.
observaties komen voort uit interacties tussen mensen – niet objectief want gekleurd door de
‘interagerende’ subjecten
o Dit heet vaak reactiviteit (mensen passen gedrag aan omdat ze bekeken worden) of in
experimenten demand characteristics (mensen proberen te raden wat “het juiste” antwoord is).
zorg dat onderzoek intersubjectief controleerbaar is (anderen begrijpen hoe je keek) + systematisch
duidelijke definities: wat telt als “onderbreking”, “conflict”, “controle”?
objectiever te werken
gestandaardiseerde instructies (iedereen krijgt dezelfde uitleg)
training van observatoren + vergelijken of ze hetzelfde scoren (interbeoordelaarsbetrouwbaarheid)
soms: blinderen (de observator weet niet in welke groep iemand zit), vooral bij experimenten
alles documenteren: zodat iemand anders je stappen kan volgen
2. Wetenschappers juist vaak geïnteresseerd door fenomenen die we niet kunnen observeren.
waardes en attitudes van mensen of zaken die mensen liever verborgen houden (deviant gedrag)
wat je wilt begrijpen is latent dus Operationaliseren = je neemt een abstract concept en je maakt
er meetbare indicatoren van.
Voorbeeld dat jij geeft: Job Demand–Control model (Karasek).
“Job demands” (taakeisen) en “job control” (controle/autonomie) zijn geen dingen die je rechtstreeks ziet zoals
een stoel. Je meet ze meestal via vragenlijsten (zelfrapportage) of via observatie op het werk, of via jobdata
(functieprofielen).
2 onderzoekstrategieën 2 onderzoeksstrategieën
1. Gestandaardiseerde procedures (sluiten subjectiviteit zo veel mogelijk uit) en doen kwantitatieve metingen,
experimenteel onderzoek (omgeving controleren en kijken naar effect) en surveyonderzoek -> populaire
observatie methodes
a. Doel: subjectiviteit zoveel mogelijk beperken door iedereen dezelfde meetprocedure te geven, en het
resultaat te vertalen in getallen.
2. Participerende observaties of diepte-interviews (valkuil: let op veralgemenen)
Participerende observaties of diepte-interview
1.1.1. Inductie en deductie
verbinden theorie en empirie met elkaar
Vormen samen de empirische cyclus van onderzoek
3
, DEDUCTIE
= een gevolgtrekking van het algemene naar het bijzondere
> stap van theorie naar empirie
> verwijst naar een gevolgtrekking van het algemene naar het specifieke
> hypothese confronteren we met empirisch materiaal met observaties
> wanneer hypothese word bevestigd -> bijkomende steun aan validiteit van de theorie
INDUCTIE
= obv specifieke waarnemingen komen tot een algemene regel.
> van empirie naar theorie
> obv het specifieke proberen we algemene conclusies te trekken
> uit concrete observaties destilleren we een algemene wetmatigheid
> proces waarbij een theorie oprijst uit empirische observaties
*vb. Le suicide – émile Durkheim
o Patronen in voorkomen zelfdoding: mannen vaker dan vrouwen, mensen zonder kinderen,
protestanten
o door deze observaties stelde hij theorie op die oorzaak van zelfdoding zoekt in het socialen
o 4 types zelfdoding: Egoïstisch (zwakke integratie), Fatalistisch (sterke regulatie), Altruïstische
(sterke integratie), Anomische (zwakke regulatie)
1.1.2. De empirische cyclus van wetenschappelijk onderzoek
= stelt op idealistische wijze voor hoe wetenschappelijke kennis zich ontwikkelt en evolueert Figuur
2.2.zeer schematische voorstelling van de voortuitgaan van een wetenschappelijk veld over een langere
termijn als collectieve onderneming van meerdere onderzoekers.
> Concrete onderzoeksprojecten leggen doorgaans niet ganse traject van de cyclus af:
o inductieve insteek met nadruk op ontwikkelen nieuwe theorieën
o deductieve insteek, voornaamste doelstelling bestaande theorieën onderwerpen aan empirische
toetsing
o meerdere malen de cyclus doorlopen
4 grote Fases:
Proces: Observatie → inductie → theorievorming → deductie (hypothese afleiden) → toetsen via empirie of
interventie → enzovoort
1. Observatie: doelgericht verzamelen, groeperen en beschrijven van gegevens over de
werkelijkheid
Meer systematisch en doelgericht dan louter waarnemen
o Omdat je niet vanuit theoretisch vacuüm waar neemt
Gegrondvest in bestaande kennis van de onderzoeker, hieruit worden z e k e r e
vermoedens gedestilleerd
2. Inductie
Wetmatigheden en theoretische proposities ontwikkelen vanuit empirische
feitenmateriaal
3. Theorie
Algemene wetmatigheden destilleren + theorieën construeren
4. Deductie
Abstracte, algemene kennis wordt verbijzonderd naar toetsbare hypothese
Nagaan in welke maten de empirische bevindingen de theorieën in k w e s t i e
ondersteunen/ falsifiëren, hoe sterk is het empirische argument ?
Nieuwe bevindingen -> opnieuw doorlopen cyclus
Endemisch = te wijten aan factoren die beperkt blijven tot een specifieke locatie
.
Kritiek: Inductie veronderstelt het destilleren van algemene wetten, maar bestaan er wel universele wetmatigheden
in de samenleving?
4
Waarom sociaal wetenschappelijk onderzoek?
• Ontologie: Waaruit bestaat de wereld? Hoe is de sociale werkelijkheid opgebouwd? Wat is de aard van de
werkelijkheid?
• Epistemologie: Wat is goede kennis? Wat kunnen we kennen?
• Methodologie: Op welke wijze kunnen we kennis produceren? Hoe kunnen we kennis verwerven?
Sociaalwetenschappelijk onderzoek richt zich op menselijk gedrag. Het proces van onderzoek omvat het
genereren van betrouwbare en geldige kennis door theorie (denken) en empirie (observeren) met elkaar te
verbinden.
Methodologie: Dit is het gehele proces van wetenschapsbeoefening, niet louter de kennis en beheersing van
methoden en technieken.
Aspect Naturalisme (Positivisme) Constructivisme (Interpretatieve Sociale
Wetenschappen)
Ontologie Eén objectieve, externe werkelijkheid, Werkelijkheid is subjectief; geconstrueerd
observeerbaar. Stuurt menselijk gedrag via door mensen. Mensen denken, dus geen
universele wetten. Sociale wereld is eenvoudig; objectieve werkelijkheid, maar een
simpele onderliggende wetten. geïnterpreteerde werkelijkheid.
Verschijnselen zijn sociale constructies.
Epistemologie "Erklären": Regelmatigheden ontdekken en "Verstehen": Sociaal gedrag van binnenuit
presenteren als (natuur)wetten, wereld in proberen te begrijpen, aangepast aan
termen van oorzaak-gevolg. Universele wetten specifieke handelingscontext. Geen
in de sociale werkelijkheid ontdekken en "natuurwetten" die menselijk handelen
observeren. Methodologisch monisme: determineren. Methodologisch dualisme:
methoden van natuurwetenschappen methoden van natuurwetenschappen niet
toepasbaar in sociale wetenschappen. toepasbaar in sociale wetenschappen.
Methodologie Hypothesen uit theorie empirisch testen via Objectief onderzoek niet wenselijk, maar
falsificatieprincipe. Combinatie van empathie cruciaal. Via interactie
correspondentietheorie en rationaliteit. betekenissen achterhalen die mensen aan
Onderzoeker als objectieve buitenstaander; handelen geven.
waardevrijheid.
Methoden: Specifieke technieken voor het selecteren van onderzoekseenheden, verzamelen en analyseren van
gegevens, en rapporteren van resultaten.
Epistemologische kwesties zijn kwesties over wat we kunnen kennen Broken windows theorie; james Wilson en
George kelling (1980) Oorzakelijk of causal verband ?
Causaal verband
1. Er moet een zeker statistisch verband zijn tss gebeurtenis A en gebeurtenis B
2. A moet voorafgaan aan B
3. Het statistische verband tss A en B mag niet te wijzen zijn aan een derde geheime
gebeurtenis C die het verband teweeg brengt
ALTERNATIEVE BRONNEN
1. Persoonlijke ervaring: Neiging tot overgeneralisatie en selectieve observatie, wat leidt tot subjectiviteit.
2. (Populaire) massamedia: Vaak selectief, belicht slechts één aspect, en combineert wetenschappelijke
inzichten met ongefundeerde informatie.
3. Ideologische overtuigingen: Beïnvloeden en sturen de waarneming van de werkelijkheid, zoals
creationisme versus de evolutietheorie.
1
, WETENSCHAPPELIJKE KENNIS
1. Observeerbare fenomenen
2. Methodologische spelregels
3. ‘waarheid als criterium
Selectieve observatie; speciaal letten op bepaalde mensen of situaties en van daaruit veralgemeningen maken ->
kleurt je waarneming
Bouwstenen en soorten sociaalwetenschappelijk onderzoek
inleiding
Sociaal wetenschappelijk onderzoek
= de productie van geldige en betrouwbare kennis over de sociale realiteit door het combineren van theorie en
empirie, waarbij methodologische principes rigoureus (= nauwgezet) worden toegepast.
DOEL: theoretische kennis op te bouwen over de samenleving/ veralgemening
Kenmerkend:
• voortdurende wisselwerking tussen theorie en empirie.
• gebaseerd op systematische observatie van de realiteit, waarbij bepaalde methodologische spelregels nauwgezet
gevolgd worden.
Bouwstenen van sociaal wetenschappelijk onderzoek
Theorie en empirie.
THEORIE:
= het geheel van samenhangende uitspraken of proposities die bepaalde fenomenen beschrijven of verklaren
Nut?
Leggen terugkerende patronen of regelmatigheden in de wereld rondom ons uit
Beantwoorden wat-, hoe-, en waaromvragen
Idealiter mogelijk voorspellingen te doen -> verre van eenvoudig; a c h t e r a f regelmatig niet te kloppen
Beschrijven hoe verschillende concepten met elkaar in verband s t a a n
Vb. job demand-control model – Karasek (1979)
2 elementen: concepten + proposities theorieën bestaan uit uitspraken over relaties tussen concepten
> Concepten = algemeen en abstract idee dat als een label dient om concreet waarneembare zaken of fenomenen
te categoriseren
> Propositie = vooronderstelde relatie tussen concepten
Niet noodzakelijk goede theorieën
Wetenschappelijk theorie kenmerken:
> Logisch consistent (Proposities mogen elkaar niet tegenspreken)
> Veralgemeenbaar (Een ruimer toepassingsgebied)
> Verklaringskracht (Beter naarmate ze meer succesvol is om wereld rondom ons te verklaren)
> Spaarzaam (Hoe minder concepten en proposities je nodig hebt om fenomeen te verklaren hoe beter)
> Empirisch toetsbaar
o Verifieerbaarheid: Mogelijkheid om via observatie te toetsen of theoretische aannames
overeenstemmen met de werkelijkheid.
o Weerlegbaarheid/Falsifieerbaarheid: Mogelijkheid om via observatie de onjuistheid van kennis aan te
tonen.
o Repliceren: Herhalen van onderzoek om te controleren of dezelfde conclusies worden getrokken.
Wetenschappelijke methoden geeft de beste garantie om tot geldige en betrouwbare kennis te komen
wetenschappelijke theorieën die niet met andere worden gedeeld kunnen niet weerlegd worden en voldoen
daarom niet aan het criterium van empirische toetsbaarheid
2
,Formele theorieën = een soort theorie die ervan uitgaat dat je allerhande sociale fenomenen los van de concrete
inhoud kan verklaren vanuit enkele vormelijke basisprincipes
vertrekt dus niet vanuit de inhoud van een situatie maar vanuit de vorm
Vb. rational choice theory – Becher (1976) – gaat er van uit dat mensen nutscalculerende
wezens zijn vorm kan je plakken op verschillende situaties bv. Spijbelen,
winkeldiefstal, trouwen, migreren (als je beslitst kijk je naar wat levert het me op & wat
kost het mij. past gedrag hierop aan
Middle range theory = theorieën die berusten op een reeks aannames over één bepaald sociaal fenomeen, waaruit
hypothesen kunnen worden afgeleid die op hun beurt empirische getoetst worden. (cfr. Merton)
‘Grand theorie’ = een soort theorie die sociale fenomenen probeert te vatten vanuit één abstract conceptueel kader,
waarin het ordenen van concepten belangrijker is dan het begrijpen van de sociale werkelijkheid
Vb. structurele functionalisme – Talcott Parsons (1951) – probeert alle mogelijke
aspecten van sociaal gedrag en organisatie te begrijpen vanuit de structuur van sociale
systemen en de functies van deelsystemen
EMPIRIE:
= het ervaren van de wereld rondom ons door waarneming. (kan experimenteel zijn)
niet enkel met ogen kijken maar ook met instrumenten werken (vragenlijst, statistiek,..)
Goed observeren is een sinecure en brengt veel uitdagingen met zich mee:
1. In welke maten is het mogelijk objectieve waarnemingen te doen die onafhankelijk zijn van de waarnemer?
wat we zien of horen is gekleurd door allerhande vooronderstellingen en verwachtingen
o Wat je opmerkt hangt af van waar je aandacht naartoe gaat, welke categorieën je al kent, en wat je
verwacht te zien. In onderzoek heet dat vaak observer bias of theory-ladenness: je theorie (of je
“idee” van wat belangrijk is) stuurt je blik.
observaties komen voort uit interacties tussen mensen – niet objectief want gekleurd door de
‘interagerende’ subjecten
o Dit heet vaak reactiviteit (mensen passen gedrag aan omdat ze bekeken worden) of in
experimenten demand characteristics (mensen proberen te raden wat “het juiste” antwoord is).
zorg dat onderzoek intersubjectief controleerbaar is (anderen begrijpen hoe je keek) + systematisch
duidelijke definities: wat telt als “onderbreking”, “conflict”, “controle”?
objectiever te werken
gestandaardiseerde instructies (iedereen krijgt dezelfde uitleg)
training van observatoren + vergelijken of ze hetzelfde scoren (interbeoordelaarsbetrouwbaarheid)
soms: blinderen (de observator weet niet in welke groep iemand zit), vooral bij experimenten
alles documenteren: zodat iemand anders je stappen kan volgen
2. Wetenschappers juist vaak geïnteresseerd door fenomenen die we niet kunnen observeren.
waardes en attitudes van mensen of zaken die mensen liever verborgen houden (deviant gedrag)
wat je wilt begrijpen is latent dus Operationaliseren = je neemt een abstract concept en je maakt
er meetbare indicatoren van.
Voorbeeld dat jij geeft: Job Demand–Control model (Karasek).
“Job demands” (taakeisen) en “job control” (controle/autonomie) zijn geen dingen die je rechtstreeks ziet zoals
een stoel. Je meet ze meestal via vragenlijsten (zelfrapportage) of via observatie op het werk, of via jobdata
(functieprofielen).
2 onderzoekstrategieën 2 onderzoeksstrategieën
1. Gestandaardiseerde procedures (sluiten subjectiviteit zo veel mogelijk uit) en doen kwantitatieve metingen,
experimenteel onderzoek (omgeving controleren en kijken naar effect) en surveyonderzoek -> populaire
observatie methodes
a. Doel: subjectiviteit zoveel mogelijk beperken door iedereen dezelfde meetprocedure te geven, en het
resultaat te vertalen in getallen.
2. Participerende observaties of diepte-interviews (valkuil: let op veralgemenen)
Participerende observaties of diepte-interview
1.1.1. Inductie en deductie
verbinden theorie en empirie met elkaar
Vormen samen de empirische cyclus van onderzoek
3
, DEDUCTIE
= een gevolgtrekking van het algemene naar het bijzondere
> stap van theorie naar empirie
> verwijst naar een gevolgtrekking van het algemene naar het specifieke
> hypothese confronteren we met empirisch materiaal met observaties
> wanneer hypothese word bevestigd -> bijkomende steun aan validiteit van de theorie
INDUCTIE
= obv specifieke waarnemingen komen tot een algemene regel.
> van empirie naar theorie
> obv het specifieke proberen we algemene conclusies te trekken
> uit concrete observaties destilleren we een algemene wetmatigheid
> proces waarbij een theorie oprijst uit empirische observaties
*vb. Le suicide – émile Durkheim
o Patronen in voorkomen zelfdoding: mannen vaker dan vrouwen, mensen zonder kinderen,
protestanten
o door deze observaties stelde hij theorie op die oorzaak van zelfdoding zoekt in het socialen
o 4 types zelfdoding: Egoïstisch (zwakke integratie), Fatalistisch (sterke regulatie), Altruïstische
(sterke integratie), Anomische (zwakke regulatie)
1.1.2. De empirische cyclus van wetenschappelijk onderzoek
= stelt op idealistische wijze voor hoe wetenschappelijke kennis zich ontwikkelt en evolueert Figuur
2.2.zeer schematische voorstelling van de voortuitgaan van een wetenschappelijk veld over een langere
termijn als collectieve onderneming van meerdere onderzoekers.
> Concrete onderzoeksprojecten leggen doorgaans niet ganse traject van de cyclus af:
o inductieve insteek met nadruk op ontwikkelen nieuwe theorieën
o deductieve insteek, voornaamste doelstelling bestaande theorieën onderwerpen aan empirische
toetsing
o meerdere malen de cyclus doorlopen
4 grote Fases:
Proces: Observatie → inductie → theorievorming → deductie (hypothese afleiden) → toetsen via empirie of
interventie → enzovoort
1. Observatie: doelgericht verzamelen, groeperen en beschrijven van gegevens over de
werkelijkheid
Meer systematisch en doelgericht dan louter waarnemen
o Omdat je niet vanuit theoretisch vacuüm waar neemt
Gegrondvest in bestaande kennis van de onderzoeker, hieruit worden z e k e r e
vermoedens gedestilleerd
2. Inductie
Wetmatigheden en theoretische proposities ontwikkelen vanuit empirische
feitenmateriaal
3. Theorie
Algemene wetmatigheden destilleren + theorieën construeren
4. Deductie
Abstracte, algemene kennis wordt verbijzonderd naar toetsbare hypothese
Nagaan in welke maten de empirische bevindingen de theorieën in k w e s t i e
ondersteunen/ falsifiëren, hoe sterk is het empirische argument ?
Nieuwe bevindingen -> opnieuw doorlopen cyclus
Endemisch = te wijten aan factoren die beperkt blijven tot een specifieke locatie
.
Kritiek: Inductie veronderstelt het destilleren van algemene wetten, maar bestaan er wel universele wetmatigheden
in de samenleving?
4