Erfrecht – Hoofdstuk 1
Een verkrijging krachtens erfrecht wordt belast met successierecht, erfbelasting. Dit is geregeld in de
Successiewet 1956. Op grond hiervan worden erfenis en schenking belast. BW4 ziet op de overgang van
het vermogen van een overleden natuurlijke persoon, de erfopvolging. Erfopvolging is een vorm van
verkrijging van goederen onder algemene titel (Art. 3:80.2 BW).
Het nieuwe erfrecht heeft sinds 2003 onmiddellijke werking. Maar onder het oude recht verkregen rechten
worden wel geëerbiedigd (Art. 69 Overgangswet NBW). Een rechtshandeling die onder het oude recht
geldig was, blijft nu ook geldig, ook wanneer dit onder nieuw recht nietig of vernietigbaar is.
Hoofdstuk 2 – Algemene bepalingen
BW4 Begint met algemene bepalingen. Erfopvolging kan op grond van de wet (erfopvolging bij versterf of ab
intestaat – BW4 titel 2 en 3) of op grond van een uiterste wilsbeschikking (testamentaire erfopvolging –
BW4 titel 4 en 5). Van erfopvolging bij versterf kan afgeweken bij een uiterste wilsbeschikking, als deze een
erfstelling of onterving inhoudt (Art. 4:1.2 jo. 4:115 BW). Testamentair erfgenamen hebben wel dezelfde
rechten en verplichtingen als erfgenamen bij versterf (Art. 4:116 BW).
Volgorde van overlijden
Je moet op het moment dat een nalatenschap openvalt bestaan om als erfgenaam bij versterf op te kunnen
treden (Art. 4:9 BW). Daarom is het van belang om de volgorde van overlijden vast te stellen. Kan dit niet,
dan worden betrokken personen geacht gelijktijdig te zijn overleden (de Commoriënten-regel – Art. 4:2.1
BW). Bij onduidelijkheid kun je uitstel van de termijn vragen, om dit uit te zoeken. Verstrijkt de termijn, dan
kun je daarna alsnog bewijs leveren, maar de verklaring van erfrecht wordt dan al wel afgegeven (Art. 4:188
BW) en degenen die daarop af zijn gegaan, zijn te goeder trouw.
Onwaardigheid
Sommige handelingen zorgen ervoor dat je onwaardig bent te erven. Onwaardigheid kan in de weg staan
van erfgenaamschap, maar ook aan het verkrijgen van legaten of lastbevoordelingen. Onwaardigheid werkt
van rechtswege. Je bent onwaardig (Art. 4:3 BW) wanneer je bent veroordeeld voor de moord op de
overledene, of bent veroordeeld voor een misdrijf of laster tegen de overledene, waarop een vrijheidsstraf
met een maximum van minimaal 4 jaar is gesteld. Tot slot ben je onwaardig wanneer je de erflater hebt
gedwongen of belet een uiterste wilsbeschikking te maken, of deze hebt verduisterd, vernietigd of vervalst.
Komt dit pas aan het licht nadat al geërfd is, dan kan de rechter aan de rechthebbende een vergoeding
toekennen ten laste van degene die het voordeel heeft genoten. Ook wanneer deze dit al heeft doorgespeeld
naar derden. Mits het om niet verkregen is. Anders is de derde te goeder trouw. Onwaardigheid vervalt
wanneer de erflater de gedraging ondubbelzinnig heeft vergeven.
Beschikken over niet opengevallen nalatenschap
Over niet opengevallen nalatenschappen kan slechts bij uiterste wilsbeschikking worden beschikt. Hierbij
zijn rechtshandelingen die een persoon belemmeren bevoegdheden uit te oefenen vanuit Boek 4 en
overeenkomsten strekkende tot beschikking over het nog niet opengevallen nalatenschap (geheel of een
evenredig deel daarvan), nietig. Overeenkomsten over bepaalde goederen zijn niet ongeldig (bv
verblijvingsbedingen, overnemingsbedingen etc.).
Betalingsregeling
Door toepassing van erfrecht kunnen geldschulden ontstaan. Denk aan de vordering wegens overbedeling
of overneming van een bedrijf. Dit kan soms echter niet direct, bijvoorbeeld wanneer de schuld betaald
moet worden vanuit beroeps- of bedrijfsgoederen. De rechter kan daarom voor schulden ontstaan vanuit
Boek 4 om gewichtige redenen uitstel geven (Art. 4:5 VW(.
Waarde van goederen
Hierbij gaat het telkens om de waarde die goederen onmiddellijk na het overlijden van de erflater hebben,
ook wanneer dit door het overlijden is beïnvloedt.
,Schulden
De nalatenschap kan ook schulden bevatten. Ook schulden die na overlijden ontstaan kunnen hiertoe
worden gerekend (Art. 4:7 sub b t/m i BW). Op grond van de Saisineregel gaan wel slechts de schulden uit
Art. 4:7.1 sub a BW op de erfgenamen over. Zij zijn daarvoor aansprakelijk naar evenredigheid van hun
erfdeel (Art. 4:182.2 BW).
Rangorde en wijze van voldoening van schulden
In Art. 4:7.2 BW wordt de rangorde gegeven:
• Art. 4:7.1 sub a-e BW -> Deze hebben onderling gelijke rang.
• Art. 4:7.1 sub f BW ->
• Art. 4:7.1 sub g BW -> Als vorderingen van legitimarissen groter zijn dan de waarde van het
nalatenschap, hoeven erfgenamen dat deel niet te voldoen.
• Art. 4:7.1 sub h BW -> Schulden uit legaten worden alleen voldaan als alle andere schulden vanuit
het nalatenschap konden worden voldaan (Art. 4:120.1 BW).
Hierbij geldt dat de langstlevende echtgenoot de schulden voor rekening krijgt, zowel jegens de
schuldeisers als jegens de kinderen (zie ook Art. 4:14.2 BW). Sommen ineens komen ten laste van het deel
van de nalatenschap waarover niet bij uiterste wil is beschikt en daarna ten laste van de makingen (ten
hoogste de helft van de waarde van de nalatenschap).
Onderlinge rangorde legitieme en wettelijke rechten
Vorderingen van legitimarissen (zie sub g) zijn achtergesteld bij de vorderingen uit hoofde van de wettelijke
rechten van titel 4.3 afdeling 2 BW. Geregistreerde partners worden aan echtgenoten gelijkgesteld binnen
het erfrecht. Ook stiefouder wordt gelijkgesteld aan geregistreerd partner (Art. 4:8.3 BW).
Hoofdstuk 3 – Erfrecht bij versterf
Op moment dat nalatenschap openvalt moet je bestaan om te erven. Uitzondering is het ongeboren kind
(Art. 1:2 BW). Gaat het om een vermist persoon, dan kijk je naar Art. 1:412 BW.
Erven uit eigen hoofde of bij plaatsvervulling
Je erft uit eigen hoofde wanneer je erft op grond van de plaats die je in de ordening van erfopvolging inneemt.
Bij plaatsvervulling erf je wanneer je de plaats van een ander inneemt in de erfopvolging. Plaatsvervulling
treedt op wanneer degene die je vervangt op moment van openvallen niet meer bestaat, onwaardig is,
onterfd is of die het erfrecht verwerpen of waarvan het erfrecht is vervallen (art. 4:12.1 BW). Verval van
erfrecht treedt op bij vererving onder ontbindende voorwaarde of door rechterlijke vervallenverklaring bij
niet uitvoering van een opgelegde last (Art. 4:131 BW).
Parenteel stelsel
Parentele: De aanwezigheid van een erfgenaam in een lagere parentele sluit de erven in een hogere
parentele uit. Enige uitzondering is de niet van tafel en bed gescheiden echtgenoot, deze
erft naast de afstammelingen van de erflater. Het versterferfrecht kent een reeks van
opklimmende parentelen voor erven uit eigen hoofde (Art. 4:10 BW):
- Niet van tafel en bed gescheiden echtgenoot + kinderen
- Ouders + broers en zussen
- Grootouders
- Overgrootouders
Afstammelingen van een kind, broer, grootouder etc. worden bij plaatsvervulling geroepen. Alleen zij die in
familierechtelijke betrekking stonden worden tot versterferfgenamen gerekend. Een familierechtelijke
betrekking ontstaat door geboorte (t.o.v. moeder) en geboorte tijdens huwelijk of geregistreerd
partnerschap (t.o.v. man of vrouw) (Art. 1:199a jo. 1:198.1b BW). Degenen in een parentele erven voor
gelijke delen. Behalve halfbroers- en zussen, zij erven voor de helft (Art. 4:11.2 BW).
Hoofdstuk 4 – Erfrecht bij versterf van de niet van tafel en bed gescheiden echtgenoot en de kinderen.
BW4 afdeling 3.1 ziet hierop en is van regelend recht. De erflater kan bij uiterste wilsbeschikking de gehele
afdeling buiten toepassing verklaren. De echtgenoot verkrijgt alle goederen en schulden (Art. 4:13 BW). De
, kinderen verkrijgen hun erfdeel in de vorm van een in beginsel niet opeisbare vordering op de langstlevende
echtgenoot.
Geldvordering ten gevolge van wettelijke verdeling
Kinderen verkrijgen dus van rechtswege een geldvordering. Deze vordering is opeisbaar wanneer de
echtgenoot is overleden of wanneer de echtgenoot in staat van faillissement is verklaard of wanneer de
schuldsaneringsregeling natuurlijke personen van toepassing is verklaard (Art. 4:13.3 BW). De
opeisbaarheid bij de laatste eindigt weer zodra de regeling wordt ingetrokken. De vordering is ook opeisbaar
in door de erflater bij testament genoemde gevallen. De geldvordering wordt, tenzij anders bepaald, jaarlijks
vermeerderd met een rentepercentage (wettelijke rente verminderd met zes). Het gaat om enkelvoudige
rente: bij berekening wordt uitsluitend de hoofdsom in aanmerking genomen.
Aansprakelijkheid, verhaal en draagplicht schulden
De erfgenamen volgen van rechtswege onder algemene titel op in de goederen en schulden (Saisine regel
– Art. 4:182 jo. Art. 4:7.1 sub a BW). De erfgenamen zijn aansprakelijk voor die schulden naar evenredigheid
van hun erfdeel (Art. 6:6.1 BW). Is de prestatie ondeelbaar, dan zijn zij hoofdelijk aansprakelijk. Kinderen
zijn niet rechtstreeks aansprakelijk (Art. 4:14 BW).
De nalatenschap vormt een bijzondere gemeenschap (Art. 3:189 BW) en is een afgescheiden vermogen
(Art. 3:192 BW). Dit betekent dat iedere schuldeiser der nalatenschap zich rechtstreeks op de goederen der
nalatenschap kan verhalen. De nalatenschapscrediteuren en de crediteuren van de
huwelijksgemeenschap hebben voorrang bij verhaal op de aan de echtgenoot toebedeelde goederen (Art.
4:14.2 BW). Hierop zijn twee uitzonderingen:
• De geldvordering van kinderen is een verhaalsobject (Art. 4:14.3 BW) maar gezien deze in beginsel
niet opeisbaar is, is de praktische betekenis gering.
• Als de geldvordering van de kinderen is verminderd door aflossing of overdracht van goederen, is
het afgeloste bedrag/de goederen wel verhaalsobject voor de schuldeisers.
Vaststelling omvang geldvordering
De geldvordering komt overeen met de waarde van zijn erfdeel. Komen de deelgenoten er niet uit, dan kan
de kantonrechter de verdeling vaststellen (Art. 4:15.1 BW). Achteraf kan blijken dat de omvang van de
vordering onjuist is. Dit kan door:
• Dwaling omtrent de waarde van de goederen en de schulden
• Onjuiste berekening van het saldo van de nalatenschap
• Geldvordering is niet berekend overeenkomstig deel waarop kind aanspraak kan maken.
In dat geval kan de vaststelling van de omvang op verzoek van een kind of de echtgenoot door de
kantonrechter gewijzigd.
Boedelbeschrijving
Vaak is, om de samenstelling en waarde van de nalatenschap te bepalen, een boedelbeschrijving
noodzakelijk. Dit kan onderhands zijn of notarieel en bevat een waardering van de goederen en schulden
van de nalatenschap. Heeft de echtgenoot of een kind niet het vrije beheer over zijn vermogen, dan is een
boedelbeschrijving verplicht (Art. 4:16.2 BW). De beschrijving moet voldoen aan de vereisten van Art. 674
Rv. de wettelijk vertegenwoordiger levert binnen een jaar na overlijden de beschrijving in ter griffie van het
kantongerecht. Zolang de vorderingen van de minderjarigen niet opeisbaar zijn kan de echtgenoot de
goederen vervreemden of bezwaren.
Voldoening van de vordering
De echtgenoot is ten alle tijden bevoegd een vordering van een kind uit hoofde van Art. 4:13 BW geheel of
gedeeltelijk te voldoen (Art. 4:17 BW). De voldoening van de vordering van een minderjarig kind of een
meerderjarig kind zonder vrij beheer behoeft goedkeuring van de kantonrechter.
Ongedaanmaking wettelijke verdeling
De echtgenoot kan de wettelijke verdeling ongedaan maken binnen drie maanden na openvallen
nalatenschap door middel van een verklaring bij notariële akte. Deze korte termijn is vanwege de
rechtsonzekerheid die anders zou ontstaan. De bevoegdheid tot verwerping (Art. 4:190.1 BW) blijft wel
open staan. Partiële ongedaanmaking is niet mogelijk. Er kan wel afstand worden gedaan van de
Een verkrijging krachtens erfrecht wordt belast met successierecht, erfbelasting. Dit is geregeld in de
Successiewet 1956. Op grond hiervan worden erfenis en schenking belast. BW4 ziet op de overgang van
het vermogen van een overleden natuurlijke persoon, de erfopvolging. Erfopvolging is een vorm van
verkrijging van goederen onder algemene titel (Art. 3:80.2 BW).
Het nieuwe erfrecht heeft sinds 2003 onmiddellijke werking. Maar onder het oude recht verkregen rechten
worden wel geëerbiedigd (Art. 69 Overgangswet NBW). Een rechtshandeling die onder het oude recht
geldig was, blijft nu ook geldig, ook wanneer dit onder nieuw recht nietig of vernietigbaar is.
Hoofdstuk 2 – Algemene bepalingen
BW4 Begint met algemene bepalingen. Erfopvolging kan op grond van de wet (erfopvolging bij versterf of ab
intestaat – BW4 titel 2 en 3) of op grond van een uiterste wilsbeschikking (testamentaire erfopvolging –
BW4 titel 4 en 5). Van erfopvolging bij versterf kan afgeweken bij een uiterste wilsbeschikking, als deze een
erfstelling of onterving inhoudt (Art. 4:1.2 jo. 4:115 BW). Testamentair erfgenamen hebben wel dezelfde
rechten en verplichtingen als erfgenamen bij versterf (Art. 4:116 BW).
Volgorde van overlijden
Je moet op het moment dat een nalatenschap openvalt bestaan om als erfgenaam bij versterf op te kunnen
treden (Art. 4:9 BW). Daarom is het van belang om de volgorde van overlijden vast te stellen. Kan dit niet,
dan worden betrokken personen geacht gelijktijdig te zijn overleden (de Commoriënten-regel – Art. 4:2.1
BW). Bij onduidelijkheid kun je uitstel van de termijn vragen, om dit uit te zoeken. Verstrijkt de termijn, dan
kun je daarna alsnog bewijs leveren, maar de verklaring van erfrecht wordt dan al wel afgegeven (Art. 4:188
BW) en degenen die daarop af zijn gegaan, zijn te goeder trouw.
Onwaardigheid
Sommige handelingen zorgen ervoor dat je onwaardig bent te erven. Onwaardigheid kan in de weg staan
van erfgenaamschap, maar ook aan het verkrijgen van legaten of lastbevoordelingen. Onwaardigheid werkt
van rechtswege. Je bent onwaardig (Art. 4:3 BW) wanneer je bent veroordeeld voor de moord op de
overledene, of bent veroordeeld voor een misdrijf of laster tegen de overledene, waarop een vrijheidsstraf
met een maximum van minimaal 4 jaar is gesteld. Tot slot ben je onwaardig wanneer je de erflater hebt
gedwongen of belet een uiterste wilsbeschikking te maken, of deze hebt verduisterd, vernietigd of vervalst.
Komt dit pas aan het licht nadat al geërfd is, dan kan de rechter aan de rechthebbende een vergoeding
toekennen ten laste van degene die het voordeel heeft genoten. Ook wanneer deze dit al heeft doorgespeeld
naar derden. Mits het om niet verkregen is. Anders is de derde te goeder trouw. Onwaardigheid vervalt
wanneer de erflater de gedraging ondubbelzinnig heeft vergeven.
Beschikken over niet opengevallen nalatenschap
Over niet opengevallen nalatenschappen kan slechts bij uiterste wilsbeschikking worden beschikt. Hierbij
zijn rechtshandelingen die een persoon belemmeren bevoegdheden uit te oefenen vanuit Boek 4 en
overeenkomsten strekkende tot beschikking over het nog niet opengevallen nalatenschap (geheel of een
evenredig deel daarvan), nietig. Overeenkomsten over bepaalde goederen zijn niet ongeldig (bv
verblijvingsbedingen, overnemingsbedingen etc.).
Betalingsregeling
Door toepassing van erfrecht kunnen geldschulden ontstaan. Denk aan de vordering wegens overbedeling
of overneming van een bedrijf. Dit kan soms echter niet direct, bijvoorbeeld wanneer de schuld betaald
moet worden vanuit beroeps- of bedrijfsgoederen. De rechter kan daarom voor schulden ontstaan vanuit
Boek 4 om gewichtige redenen uitstel geven (Art. 4:5 VW(.
Waarde van goederen
Hierbij gaat het telkens om de waarde die goederen onmiddellijk na het overlijden van de erflater hebben,
ook wanneer dit door het overlijden is beïnvloedt.
,Schulden
De nalatenschap kan ook schulden bevatten. Ook schulden die na overlijden ontstaan kunnen hiertoe
worden gerekend (Art. 4:7 sub b t/m i BW). Op grond van de Saisineregel gaan wel slechts de schulden uit
Art. 4:7.1 sub a BW op de erfgenamen over. Zij zijn daarvoor aansprakelijk naar evenredigheid van hun
erfdeel (Art. 4:182.2 BW).
Rangorde en wijze van voldoening van schulden
In Art. 4:7.2 BW wordt de rangorde gegeven:
• Art. 4:7.1 sub a-e BW -> Deze hebben onderling gelijke rang.
• Art. 4:7.1 sub f BW ->
• Art. 4:7.1 sub g BW -> Als vorderingen van legitimarissen groter zijn dan de waarde van het
nalatenschap, hoeven erfgenamen dat deel niet te voldoen.
• Art. 4:7.1 sub h BW -> Schulden uit legaten worden alleen voldaan als alle andere schulden vanuit
het nalatenschap konden worden voldaan (Art. 4:120.1 BW).
Hierbij geldt dat de langstlevende echtgenoot de schulden voor rekening krijgt, zowel jegens de
schuldeisers als jegens de kinderen (zie ook Art. 4:14.2 BW). Sommen ineens komen ten laste van het deel
van de nalatenschap waarover niet bij uiterste wil is beschikt en daarna ten laste van de makingen (ten
hoogste de helft van de waarde van de nalatenschap).
Onderlinge rangorde legitieme en wettelijke rechten
Vorderingen van legitimarissen (zie sub g) zijn achtergesteld bij de vorderingen uit hoofde van de wettelijke
rechten van titel 4.3 afdeling 2 BW. Geregistreerde partners worden aan echtgenoten gelijkgesteld binnen
het erfrecht. Ook stiefouder wordt gelijkgesteld aan geregistreerd partner (Art. 4:8.3 BW).
Hoofdstuk 3 – Erfrecht bij versterf
Op moment dat nalatenschap openvalt moet je bestaan om te erven. Uitzondering is het ongeboren kind
(Art. 1:2 BW). Gaat het om een vermist persoon, dan kijk je naar Art. 1:412 BW.
Erven uit eigen hoofde of bij plaatsvervulling
Je erft uit eigen hoofde wanneer je erft op grond van de plaats die je in de ordening van erfopvolging inneemt.
Bij plaatsvervulling erf je wanneer je de plaats van een ander inneemt in de erfopvolging. Plaatsvervulling
treedt op wanneer degene die je vervangt op moment van openvallen niet meer bestaat, onwaardig is,
onterfd is of die het erfrecht verwerpen of waarvan het erfrecht is vervallen (art. 4:12.1 BW). Verval van
erfrecht treedt op bij vererving onder ontbindende voorwaarde of door rechterlijke vervallenverklaring bij
niet uitvoering van een opgelegde last (Art. 4:131 BW).
Parenteel stelsel
Parentele: De aanwezigheid van een erfgenaam in een lagere parentele sluit de erven in een hogere
parentele uit. Enige uitzondering is de niet van tafel en bed gescheiden echtgenoot, deze
erft naast de afstammelingen van de erflater. Het versterferfrecht kent een reeks van
opklimmende parentelen voor erven uit eigen hoofde (Art. 4:10 BW):
- Niet van tafel en bed gescheiden echtgenoot + kinderen
- Ouders + broers en zussen
- Grootouders
- Overgrootouders
Afstammelingen van een kind, broer, grootouder etc. worden bij plaatsvervulling geroepen. Alleen zij die in
familierechtelijke betrekking stonden worden tot versterferfgenamen gerekend. Een familierechtelijke
betrekking ontstaat door geboorte (t.o.v. moeder) en geboorte tijdens huwelijk of geregistreerd
partnerschap (t.o.v. man of vrouw) (Art. 1:199a jo. 1:198.1b BW). Degenen in een parentele erven voor
gelijke delen. Behalve halfbroers- en zussen, zij erven voor de helft (Art. 4:11.2 BW).
Hoofdstuk 4 – Erfrecht bij versterf van de niet van tafel en bed gescheiden echtgenoot en de kinderen.
BW4 afdeling 3.1 ziet hierop en is van regelend recht. De erflater kan bij uiterste wilsbeschikking de gehele
afdeling buiten toepassing verklaren. De echtgenoot verkrijgt alle goederen en schulden (Art. 4:13 BW). De
, kinderen verkrijgen hun erfdeel in de vorm van een in beginsel niet opeisbare vordering op de langstlevende
echtgenoot.
Geldvordering ten gevolge van wettelijke verdeling
Kinderen verkrijgen dus van rechtswege een geldvordering. Deze vordering is opeisbaar wanneer de
echtgenoot is overleden of wanneer de echtgenoot in staat van faillissement is verklaard of wanneer de
schuldsaneringsregeling natuurlijke personen van toepassing is verklaard (Art. 4:13.3 BW). De
opeisbaarheid bij de laatste eindigt weer zodra de regeling wordt ingetrokken. De vordering is ook opeisbaar
in door de erflater bij testament genoemde gevallen. De geldvordering wordt, tenzij anders bepaald, jaarlijks
vermeerderd met een rentepercentage (wettelijke rente verminderd met zes). Het gaat om enkelvoudige
rente: bij berekening wordt uitsluitend de hoofdsom in aanmerking genomen.
Aansprakelijkheid, verhaal en draagplicht schulden
De erfgenamen volgen van rechtswege onder algemene titel op in de goederen en schulden (Saisine regel
– Art. 4:182 jo. Art. 4:7.1 sub a BW). De erfgenamen zijn aansprakelijk voor die schulden naar evenredigheid
van hun erfdeel (Art. 6:6.1 BW). Is de prestatie ondeelbaar, dan zijn zij hoofdelijk aansprakelijk. Kinderen
zijn niet rechtstreeks aansprakelijk (Art. 4:14 BW).
De nalatenschap vormt een bijzondere gemeenschap (Art. 3:189 BW) en is een afgescheiden vermogen
(Art. 3:192 BW). Dit betekent dat iedere schuldeiser der nalatenschap zich rechtstreeks op de goederen der
nalatenschap kan verhalen. De nalatenschapscrediteuren en de crediteuren van de
huwelijksgemeenschap hebben voorrang bij verhaal op de aan de echtgenoot toebedeelde goederen (Art.
4:14.2 BW). Hierop zijn twee uitzonderingen:
• De geldvordering van kinderen is een verhaalsobject (Art. 4:14.3 BW) maar gezien deze in beginsel
niet opeisbaar is, is de praktische betekenis gering.
• Als de geldvordering van de kinderen is verminderd door aflossing of overdracht van goederen, is
het afgeloste bedrag/de goederen wel verhaalsobject voor de schuldeisers.
Vaststelling omvang geldvordering
De geldvordering komt overeen met de waarde van zijn erfdeel. Komen de deelgenoten er niet uit, dan kan
de kantonrechter de verdeling vaststellen (Art. 4:15.1 BW). Achteraf kan blijken dat de omvang van de
vordering onjuist is. Dit kan door:
• Dwaling omtrent de waarde van de goederen en de schulden
• Onjuiste berekening van het saldo van de nalatenschap
• Geldvordering is niet berekend overeenkomstig deel waarop kind aanspraak kan maken.
In dat geval kan de vaststelling van de omvang op verzoek van een kind of de echtgenoot door de
kantonrechter gewijzigd.
Boedelbeschrijving
Vaak is, om de samenstelling en waarde van de nalatenschap te bepalen, een boedelbeschrijving
noodzakelijk. Dit kan onderhands zijn of notarieel en bevat een waardering van de goederen en schulden
van de nalatenschap. Heeft de echtgenoot of een kind niet het vrije beheer over zijn vermogen, dan is een
boedelbeschrijving verplicht (Art. 4:16.2 BW). De beschrijving moet voldoen aan de vereisten van Art. 674
Rv. de wettelijk vertegenwoordiger levert binnen een jaar na overlijden de beschrijving in ter griffie van het
kantongerecht. Zolang de vorderingen van de minderjarigen niet opeisbaar zijn kan de echtgenoot de
goederen vervreemden of bezwaren.
Voldoening van de vordering
De echtgenoot is ten alle tijden bevoegd een vordering van een kind uit hoofde van Art. 4:13 BW geheel of
gedeeltelijk te voldoen (Art. 4:17 BW). De voldoening van de vordering van een minderjarig kind of een
meerderjarig kind zonder vrij beheer behoeft goedkeuring van de kantonrechter.
Ongedaanmaking wettelijke verdeling
De echtgenoot kan de wettelijke verdeling ongedaan maken binnen drie maanden na openvallen
nalatenschap door middel van een verklaring bij notariële akte. Deze korte termijn is vanwege de
rechtsonzekerheid die anders zou ontstaan. De bevoegdheid tot verwerping (Art. 4:190.1 BW) blijft wel
open staan. Partiële ongedaanmaking is niet mogelijk. Er kan wel afstand worden gedaan van de