DEEL 1
Hoe verlopen de grote en de kleine circulatie?
De kleine circulatie begint in de rechterkant van het hart, via het
rechteratrium naar het rechterventrikel, met zuurstofarm bloed.
Vanuit het rechterventrikel wordt het bloed omhooggestuwd
richting de longen. In de longen krijgt het bloed opnieuw zuurstof
mee om dit te kunnen vervoeren door het lichaam. Vanuit de
longen gaat het zuurstofrijke bloed terug naar de linkerkant van
het hart, via het linkeratrium naar het linkerventrikel.
Vanuit de linkerkant van het hart begint ook gelijk de grote
circulatie. Vanuit het linkerventrikel wordt het zuurstofrijke bloed
de aorta ingepompt, en hierdoor gaat het bloed het hele lichaam
door (alle organen). Wanneer de zuurstof op de juiste plekken is
afgeleverd, gaat het zuurstofarme bloed terug naar de
rechterkant van het hart, waarna het opnieuw de kleine circulatie
doorloopt.
**het zuurstofarme bloed gaat via aders weer terug naar het hart,
het zuurstofrijke bloed gaat via slagaders het lichaam door.
Hoe is het hart opgebouwd (inclusief kleppen en bloedvaten)?
Het hart bestaat uit 4 holle ruimtes; 2 in een rechterharthelft en 2
in een linkerharthelft. De rechterharthelft heeft een rechteratrium
en een rechterventrikel. De linkerharthelft heeft een linkeratrium
en een linkerventrikel.
Ook heeft het hart 4 kleppen: de aortaklep (tussen het
linkeratrium en de grote lichaamsader (aorta)), de mitralisklep
(tussen het linkeratrium en het linkerventrikel), de pulmonalisklep
(tussen het rechterventrikel en de longslagader), en de
tricuspidalisklep (tussen het rechteratrium en het
rechterventrikel).
Rondom (aan de buitenzijde) het hart bevinden zich kleine
bloedvaatjes die bloed aanvoeren richting het hart. Dit zijn de
kransslagaders. Er zijn 2 hoofdtakken: de linker- en
rechterkransslagader. Deze vertakken zich in steeds kleinere
vaten, en zorgen ervoor dat de hartspier zelf voldoende zuurstof
en voeding krijgt.
Wat zijn de verschillen tussen de verschillende bloedvaten (arteriën, venen,
capillairen)?
De arteriën, oftewel de slagaders, vervoeren zuurstofrijk bloed (behalve van de rechterhelft
van het hart naar de longen, dit is de enige slagader die zuurstofarm bloed vervoert) door het
lichaam. Ze voeren het bloed van het hart weg.
De venen, oftewel de ader, vervoeren zuurstofarm bloed (behalve bij de longen vandaan
terug naar de linkerhelft van het hart, dit is de enige ader die zuurstofrijk bloed vervoert) door
het lichaam. Ze voeren het bloed terug naar het hart.
De capillairen, oftewel de haarvaten, zijn kleine, dunwandige vaten tussen de kleinste
arteriën en venen. Dankzij hun dunne vaten kan een uitwisseling van voedingsstoffen,
opgeloste gassen en afvalstoffen plaatsvinden tussen het bloed en de omringende weefsels.
, Uit welke fases is een hartcyclus opgebouwd?
De hartcyclus begint met een atriale systole. Bij het begin van een cyclus worden de atria
met bloed gevuld en zijn de ventrikels deels met bloed gevuld. Tijdens deze systole trekken
de atria zich samen en worden de ventrikels volledig met bloed gevuld. Als de atriale systole
eindigt beginnen de atriale diastole en de
ventriculaire systole.
Wanneer de druk in de ventrikels hoger wordt
dan de druk in de atria, worden de AV-kleppen
automatisch dichtgedrukt. Het bloed kan
echter pas de arteriën in stromen wanneer de
druk in de ventrikels hoger is dan de druk in de
arteriën zelf. Als dit verschil is bereikt, perst
het bloed de halvemaanvormige kleppen open
en stroomt de aorta en a. pulmonalis binnen.
De stroming gaat door zolang de ventriculaire
systole duurt.
De druk in het ventrikel daalt snel wanneer de
ventriculaire diastole begint. Wanneer deze
druk lager wordt dan de druk in de arteriën,
sluiten de halvemaanvormige kleppen zich,
terwijl de druk in de ventrikels blijft dalen. Als
deze druk lager wordt dan in de atria, zullen de
AV-kleppen zich weer openen en stroomt er
bloed vanuit de atria de ventrikels binnen. Zowel de atria als de ventrikels zijn nu in diastole.
Vanaf daar begint de cyclus weer opnieuw.
Hoe komt de impulsgeleiding tot stand?
De elektrische prikkel begint in een groepje cellen
boven in het rechteratrium: de sinusknoop. Hierin
bevinden zich, net als in de AV-knoop, de nodale
cellen. Deze bepalen de snelheid van de
hartcontracties: de sinusknoop is eigenlijk de
pacemaker van het hart.
**Niet alle nodale cellen depolariseren in hetzelfde
tempo en de normale contractiesnelheid wordt
vastgesteld door gangmakercellen, de nodale cellen
waarin de drempelwaarde het eerst wordt bereikt.
Alle spiercellen in het hart zijn in staat om een
stroomstootje te produceren, maar de cellen in de
sinusknoop doen dit het snelst. De sinusknoop geeft
als het ware het tempo aan. Vanuit de sinusknoop
verspreidt de elektrische prikkel zich over de
spiercellen van beide atria en wordt dan opgehouden
in de AV-knoop.
Tussen de atria en ventrikels zit een isolerende laag
die geen elektrische prikkel geleidt. Dit kan alleen via
de AV-knoop. De AV-knoop vertraagt de elektrische
prikkel, wat als gevolg heeft dat de ventrikels iets later
samentrekken dan de atria, waardoor het bloed in
twee stappen door het hart gaat. Hierdoor ontstaan
de systole en diastole.
Voorbij de AV-knoop, dus onderin het hart, komt de
elektrische prikkel terecht bij de bundel van His.
Hoe verlopen de grote en de kleine circulatie?
De kleine circulatie begint in de rechterkant van het hart, via het
rechteratrium naar het rechterventrikel, met zuurstofarm bloed.
Vanuit het rechterventrikel wordt het bloed omhooggestuwd
richting de longen. In de longen krijgt het bloed opnieuw zuurstof
mee om dit te kunnen vervoeren door het lichaam. Vanuit de
longen gaat het zuurstofrijke bloed terug naar de linkerkant van
het hart, via het linkeratrium naar het linkerventrikel.
Vanuit de linkerkant van het hart begint ook gelijk de grote
circulatie. Vanuit het linkerventrikel wordt het zuurstofrijke bloed
de aorta ingepompt, en hierdoor gaat het bloed het hele lichaam
door (alle organen). Wanneer de zuurstof op de juiste plekken is
afgeleverd, gaat het zuurstofarme bloed terug naar de
rechterkant van het hart, waarna het opnieuw de kleine circulatie
doorloopt.
**het zuurstofarme bloed gaat via aders weer terug naar het hart,
het zuurstofrijke bloed gaat via slagaders het lichaam door.
Hoe is het hart opgebouwd (inclusief kleppen en bloedvaten)?
Het hart bestaat uit 4 holle ruimtes; 2 in een rechterharthelft en 2
in een linkerharthelft. De rechterharthelft heeft een rechteratrium
en een rechterventrikel. De linkerharthelft heeft een linkeratrium
en een linkerventrikel.
Ook heeft het hart 4 kleppen: de aortaklep (tussen het
linkeratrium en de grote lichaamsader (aorta)), de mitralisklep
(tussen het linkeratrium en het linkerventrikel), de pulmonalisklep
(tussen het rechterventrikel en de longslagader), en de
tricuspidalisklep (tussen het rechteratrium en het
rechterventrikel).
Rondom (aan de buitenzijde) het hart bevinden zich kleine
bloedvaatjes die bloed aanvoeren richting het hart. Dit zijn de
kransslagaders. Er zijn 2 hoofdtakken: de linker- en
rechterkransslagader. Deze vertakken zich in steeds kleinere
vaten, en zorgen ervoor dat de hartspier zelf voldoende zuurstof
en voeding krijgt.
Wat zijn de verschillen tussen de verschillende bloedvaten (arteriën, venen,
capillairen)?
De arteriën, oftewel de slagaders, vervoeren zuurstofrijk bloed (behalve van de rechterhelft
van het hart naar de longen, dit is de enige slagader die zuurstofarm bloed vervoert) door het
lichaam. Ze voeren het bloed van het hart weg.
De venen, oftewel de ader, vervoeren zuurstofarm bloed (behalve bij de longen vandaan
terug naar de linkerhelft van het hart, dit is de enige ader die zuurstofrijk bloed vervoert) door
het lichaam. Ze voeren het bloed terug naar het hart.
De capillairen, oftewel de haarvaten, zijn kleine, dunwandige vaten tussen de kleinste
arteriën en venen. Dankzij hun dunne vaten kan een uitwisseling van voedingsstoffen,
opgeloste gassen en afvalstoffen plaatsvinden tussen het bloed en de omringende weefsels.
, Uit welke fases is een hartcyclus opgebouwd?
De hartcyclus begint met een atriale systole. Bij het begin van een cyclus worden de atria
met bloed gevuld en zijn de ventrikels deels met bloed gevuld. Tijdens deze systole trekken
de atria zich samen en worden de ventrikels volledig met bloed gevuld. Als de atriale systole
eindigt beginnen de atriale diastole en de
ventriculaire systole.
Wanneer de druk in de ventrikels hoger wordt
dan de druk in de atria, worden de AV-kleppen
automatisch dichtgedrukt. Het bloed kan
echter pas de arteriën in stromen wanneer de
druk in de ventrikels hoger is dan de druk in de
arteriën zelf. Als dit verschil is bereikt, perst
het bloed de halvemaanvormige kleppen open
en stroomt de aorta en a. pulmonalis binnen.
De stroming gaat door zolang de ventriculaire
systole duurt.
De druk in het ventrikel daalt snel wanneer de
ventriculaire diastole begint. Wanneer deze
druk lager wordt dan de druk in de arteriën,
sluiten de halvemaanvormige kleppen zich,
terwijl de druk in de ventrikels blijft dalen. Als
deze druk lager wordt dan in de atria, zullen de
AV-kleppen zich weer openen en stroomt er
bloed vanuit de atria de ventrikels binnen. Zowel de atria als de ventrikels zijn nu in diastole.
Vanaf daar begint de cyclus weer opnieuw.
Hoe komt de impulsgeleiding tot stand?
De elektrische prikkel begint in een groepje cellen
boven in het rechteratrium: de sinusknoop. Hierin
bevinden zich, net als in de AV-knoop, de nodale
cellen. Deze bepalen de snelheid van de
hartcontracties: de sinusknoop is eigenlijk de
pacemaker van het hart.
**Niet alle nodale cellen depolariseren in hetzelfde
tempo en de normale contractiesnelheid wordt
vastgesteld door gangmakercellen, de nodale cellen
waarin de drempelwaarde het eerst wordt bereikt.
Alle spiercellen in het hart zijn in staat om een
stroomstootje te produceren, maar de cellen in de
sinusknoop doen dit het snelst. De sinusknoop geeft
als het ware het tempo aan. Vanuit de sinusknoop
verspreidt de elektrische prikkel zich over de
spiercellen van beide atria en wordt dan opgehouden
in de AV-knoop.
Tussen de atria en ventrikels zit een isolerende laag
die geen elektrische prikkel geleidt. Dit kan alleen via
de AV-knoop. De AV-knoop vertraagt de elektrische
prikkel, wat als gevolg heeft dat de ventrikels iets later
samentrekken dan de atria, waardoor het bloed in
twee stappen door het hart gaat. Hierdoor ontstaan
de systole en diastole.
Voorbij de AV-knoop, dus onderin het hart, komt de
elektrische prikkel terecht bij de bundel van His.