Hoofdstuk 1: Terreinverkenning
1.1 Een korte historiek
Filosofie: vragen over zin van het leven, Cicero met uitspraken over kenmerken van de ouderdom
Babybiografieën: systematische aantekeningen over vordering gedrag van eigen kinderen.
→ begin ontwikkelingspsychologie, Darwin die zijn zoon observeerde (subjectief), 19de eeuw.
Objectieve wetenschap: nieuwe technieken zoals enquêtes
Tot halfweg 20ste eeuw: enkel veranderingen bij kinderen bestudeerd.
Later andere levensfases in kaart: adolescentie (sociologen), ouderdom (medisch perspectief),
volwassenheid (stabiele periode) typische veranderingen!
Ontwikkeling is een levenslang veranderingsproces → levenslooppsychologie
1.2 De indeling in fasen
1. Prenatale fase bevruchting – geboorte
2. Babytijd geboorte – 1j
3. Peutertijd 1 - 3j
4. Kleutertijd 3 - 6j
5. Schoolperiode 6 - 12j
6. Adolescentie 12 - 20j
7. Volwassenheid 20 - 65j
8. Ouderdom 65 – einde
Methodes om evolutie te onderzoeken:
- longitudinaal onderzoek = op regelmatige tijdstippen observeren. (Darwin: zoon)
- transversaal/cross-sectioneel onderzoek = dwarsdoorsnede van bevolkingsgroep die
verschillende leeftijden omvat. (Stern: intelligentie)
- cohort-sequentieel onderzoek = verschillende leeftijdsgroepen op regelmatige tijdstippen.
,1.3 Factoren die de ontwikkeling sturen
Nature-nurture debat
Impact van de omgeving: NURTURE
* prille begin = biochemische aard, kritieke periode voor taal dus taalmilieu nodig (Genie Wiley)
* gaande weg meer omgevingsinvloeden
→ Ecologische systeemtheorie Bronfenbrenner
= 4 lagen als concentrische cirkels die over elkaar heen liggen.
- microsysteem: instanties waar individu rechtstreeks mee in contact komt. <->
- mesosysteem: interacties tussen sommige van die actoren. +/-
- exosysteem: groepen/instanties die impact hebben op individu zonder direct contact
- macrosysteem: bredere cultuur.
Later = Chronosysteem (met tijdsdimensie)
Balansmodel bakker: risicofactoren
Interacties tussen erfelijkheid en milieu
Erfelijkheid: NATURE, endogeen
Milieu: NURTURE, exogeen
3de factor: zelfsturing/zelfbepaling
• tweelingenonderzoek
1.4 Enkele algemene ontwikkelingstheorieën
Erikson: volledige levensloop, dynamisch affectieve functies (uitdaging per levensfase)
Mahler, Levinson: specifieke levensfasen
Piaget: brede theorie over de cognitieve ontwikkeling, cognitieve functies
De psychosociale identiteitstheorie van Erikson
Ziet leven als 8 verschillende levensfasen:
1. Oraal-sensorisch stadium 5. Jeugdperiode
2. Anaal-musculair stadium 6. Jongvolwassenheid
3. Locomotorisch-genitaal stadium 7. Middenvolwassenheid
4. Latentiestadium 8. Laatvolwassenheid
→ in elke fase gewerkt aan de verdere uitbouw van de psycho-sociale identiteit.(jezelf/omgeving)
→ door biologische rijping en nieuwe sociale verwachtingen klopt je vorige identiteit niet meer.
→ in elke fase is er een soort crisis, kernconflict met 2 polen = psychosociale crisis.
,- Egosterkte: mate waarin individu in staat is om met conflicten om te gaan, harmonie ervaren.
- Sociale steun om tot nieuwe identiteit te komen
(Extra)
zelfdeterminatietheorie = psychologische basisbehoefte theorie PBT (ABC van de psychologie)
→ motivatieperspectief, verhoogt psychosociale identiteit.
- door omgeving gesteund om behoefte te vervullen, psychosociale maturiteit bekomen.
De cognitieve ontwikkelingstheorie van Piaget
Mensen doorlopen eenzelfde cognitieve ontwikkelingsstadia. Functies van inteligentie
Door middel van schema’s: mentaal patroon in hersenen tot probleem oplost. (evolueren)
2 aangeboren tendensen:
Adaptatie = individu en omgeving goed op elkaar afstemmen.
- assimilatie: nieuwe stukken toevoegen aan bestaande schema.
- accommodatie: aanpassing van bestaand schema.
Organisatie = verschillende schema’s samenvoegen tot meer complexere structuren.
, Evenwichts-/equilibratieproces
Equilibratie: op elkaar afstemmen van assimilatie en accommodatie → schema’s aanpassen.
4 periodes:
1. Senso-motorische periode, 0 – 1.5J zintuiglijke wereld zonder denken, motorisch reageren
2. Pre-operationele periode, 1.5 – 7j voorstellingen (denkinhouden), geen operaties (logica)
3. Concreet-operationele periode logisch denken, antwoorden op opgaven geven.
4. Formeel-operationele periode formules, niet-inhoudelijke redeneringen, abstract.
- ontdekkend leren (minder aandacht voor de invloed van de sociale omgeving)
Vygotsky en het belang van de sociale omgeving
Interactief leren (via taal)
- Sociale omgeving van groot belang
Zone van naaste ontwikkeling
* onderwijs: kinderen uitdagingen geven, hoger mikken dan wat ze al kunnen.
* scaffholding: minimale steun (volwassene die tijdelijk hulp biedt voor nieuwe kennisstructuur).