cellulair organisatieniveau)
Celmembraan of plasmamembraan:
= scheidt celinhoud (cytoplasma = waterige
omgeving) vd omgeving (ook waterig) en
vervult ≠ functies
Bouw:
Heel dun
Bestaat uit 3 bouwstenen:
Membraanlipiden
Fosfolipiden: dubbele laag, selectieve barrière wordt
gevormd door hydrofobe laagjes
Cholesterol: verstevigt het celmembraan.
Membraaneiwitten
Transmembraaneiwitten: lopen doorheen membraan.
Perifere membraaneiwitten: eiwitten die gekoppeld zijn aan een
membraan, mr er niet doorheen steken.
o Receptoren: eiwittendie in membraan zitten.
o Kanaal: zorgt dat molecule in en uit membraan kunnen.
o Drager: eiwit dat molecule draagt die niet door membraan kan bv.
Glucose.
o Verankering: zorgt ervoor dat verschillende cellen aan elkaar
hangen.
o Herkenning: cellen kan het membraan herkennen door hun bouw.
Membraankoolhydraten
Suikers aan buitenkant v membraan (extracellulaire).
S zijn verbonden aan lipiden (glycolipiden) of eiwitten (glycoproteïnen). Bij
in cc komen v ander suiker laagje is dit een vreemde indringer. Als deze
dezelfde is w deze herkent dr celherkenning.
Functies:
Barrière: grens, maar niet 100%.
, Grens tss ICV (intracellulair vocht) en ECV (extracellulaire vocht)
Deze barrière = tussencelvocht, interstitieel vocht of milieu externe ->
samenstelling ICV ≠ ECV (Kalium zit vooral in cel en Natrium uit de cel.)
Transport: mogelijk van buiten naar binnen
Passief transport: diffusie (+osmose) en filtratie -> geen energie nodig,
gebeurt spontaan.
Diffusie: = Opgeloste stof verplaats zich v hoge concentratie nr lage
concentratie.
Gebeurt op veel plaatsen ih lichaam.
Bv. Zuurstof gaat ve hoge concentratie ih bloed nr lage concentratie id cel
dr dr de celmembraan te dringen. (O2 en CO2 kunnen makkelijk dr
celmembraan.)
Gefaciliteerde diffusie: = opgeloste stof kan niet dr membraan, deze gaan dr het
kanaaltje v membraan.
Een carrier bindt het molecule, draagt het door het membraan en laat het
aan de andere zijde weer los.
Kalium kan niet dr membraan en zal v hoge nr lage concentratie gaan,
deze gaat dan uit de cel dr een kanaaltje. (Van binnen naar buiten):
Kaliumkanaal.
Natrium kan niet dr membraan en zal v hoge nr lage concentratie gaan,
deze gaat dan in de cel dr een kanaaltje. (Van buiten naar binnen):
Natriumkanaal.
Glucose kan dr het membraan enkel
dr een carrier.
Osmose: = verplaatsing v oplosmiddel v
hypotone oplossing nr een hypertone
oplossing.