• Geen enkele cel kan alle functies van mens verrichten. Dr differentiatie
(differentiële genexpressie) kan cel zich specialiseren om welbepaalde functie uit
te oefenen. (± 200 verschillende celtypes)
• Weefsel: bestaat uit gespecialiseerde cellen (en cel producten) die samenwerken
om bep functie(s) te vervullen.
• Bestuderen van weefsels = histologie.
Vier basis weefseltypen:
• Epitheel:
• Bindweefsel:
• Spierweefsel:
• Zenuwweefsel:
❖ Epitheelweefsel: (dekweefsel)
Epitheelweefsel: functies:
• Epitheel bekleedt lichaamsoppervlakken, holten, buizen
o Afgrenzen van lichaamsoppervlak met buitenwereld; bedekken – huid
o Afgrenzen van holten/buizen in contact met buitenwereld – aars, plasbuis,
uitwendige gehoorgang, spijsverteringskanaal
o Afgrenzen van holten/buizen niet in contact met buitenwereld – aders,
bloedvaten
• Bescherming tegen mechanische (duwen, stoten, …), chemisch (bepaalde zuren
bv ph in de maag), microbiologische (virussen, parasieten, …) prikkels
• Transport (selectieve barrière): doorlaatbaarheid reguleren
• Zintuigfunctie; gespecialiseerde epitheelcellen die verandering in omgeving
waarnemen en informatie doorsturen aan het zenuwstelsel
• Secretie (klieren): gespecialiseerde epitheelcellen die klierproduct vormen en
afscheiden
Epitheelweefsel kenmerken:
• Cellen dicht opeengepakt (geen extracellulaire stoffen voor een epitheelcel!)
• Epitheelcel; apicale kant en kant die rust op basale membraan
• Avasculair weefsel, maar wel sterke bezenuwing
• Regeneratie; vernieuwing en herstel van epitheel door kiemcellen (stamcellen)
(meestal vlak bij basale membraan)
• Hypertrofie:
• Metaplasie:
,Verbindingen tss cellen:
• Epitheelcellen stevig met elkaar en met
basale membraan verbonden → effectieve
barrière
• Cel verbindingen:
o Tight junction; hechte verbinding tss
epitheelcellen, ringdomrond
o Gap junction; heeft
communicatiefunctie, dr snelle cellen
te laten communiceren
o Desmosoom /Hemidesmosoom;
zone/spot wr cellen aan elkaar
verbonden zijn. Intermediaire
filamenten maken deel uit vh
cytoskelet; microfilamenten, intermediaire filamenten,
tubuli (buisjes). Vangen trekkracht op ve cel. Basaalmembraan:
verbindingstuk tss epitheelcel en onderliggende bindweefsel.
Het epitheeloppervlak: het apicale oppervlak en kant die rust
op basale membraan.
• Glad; bv epitheel in bloedvaten
• Microvilli; bv darmepitheel
• Cilia (trilharen); bv luchtwegepitheel
Het basale membraan:
• Netwerk v eiwitvezels (geen cellen)
• Verbinding tss epitheelcellen en onderliggend
(bind)weefsel
• Hemidesmosomen
• Stevigheid, weerstand tgn vervorming, barrière
Hypertrofie en metaplasie:
• Hypertrofie; overmatige groei, bv eelt
• Metaplasie; reversibele verandering van celtype door chronische blootstelling
aan een chronische, niet fysiologische prikkel, bv luchtwegepitheel bij rokers
, Epitheelweefsel: typen epitheel:
• Epitheel bekleedt
lichaamsoppervlakken,
holten, buizen → indeling
obv aantal cellagen en vorm
buitenste cellaag
o Aantal: Eenlagig,
meerlagig
o Vorm: Afgevlakt,
Kubisch, Cilindrisch
• Deze kunnen gecombineerd w → bij meerlagige vooral kijken nr bovenste laag