Thema: Het spierstelsel
Inleiding
Algemene bouw en functie v skeletspieren
Spieren zorgen vr beweging en houding hechten via pezen aan
botten, aan weerzijden ve gewricht.
Elke spier begint bij een origo en eindigt bij een insertie:
o Origo/oorsprong:
Aanhechtingspunt ve
skeletspier, dat zich
doorgaans proximaal bevindt,
dichter nr het centrum v het
lichaam toe, dan de spier zelf
De origo beweegt bij
contractie vd spier niet
o Insertie:
Aanhechtingspunt ve
skeletspier, dat bij
spiercontractie beweegt.
Ligt doorgaans distaal, verder vh lichaamscentrum, dan
de spier zelf
Deze aanhechtingspunten bepalen, samen met gewricht, hoe
spiercontractie het skelet zal bewegen
Merk op:
o Origo blijft op zelfde plaats, insertie
beweegt
o Spierbuik (donkerrood) w korter
o Verkorting zorgt dat pees aan de onderarm
trekt
o Het gewricht (elleboog), alleen flexie vd
onderarm toelaat
o De m. biceps brachii terug langer w dr opspannen van zijn
antagonist (triceps brachii, lichtrood)
Indeling vd spieren
Axiale spieren: (60%)
o Aanhechting aan het axiaal skelet
o Positioneren hoofd en wervelkolom, bewegen ribbenkas
(ademhaling)
Appendiculaire spieren:
o Stabiliseren of bewegen onderdelen vh appendiculair skelet:
schoudergordel, bekkengordel en de ledematen
Flexoren: spieren die ledematen buigen/plooien
Extensoren: spieren die ledematen strekken
1
, Beweging in het saggitaal vlak (anatomische positie)
Abductoren en adductoren: spieren die ledematen in abductie of
adductie brengen (weg van of naar de middenlijn toe)
Beweging in het frontaal vlak enz
Naamgeving vd spieren (zie tabel 7-2)
Naar vorm: vb. m. trapezius = monnikskapspier
Naar functie: vb. m. masseter = kauwspier (masticatie)
Naar lokalisatie: vb. m. pectoralis maior = grote borstspier
Naar richting v spiervezels: vb. m. obliquus abdominis externus
= buitenste schuine buikspier
Naar aantal spierbuiken: vb. m. biceps brachii = 2 hoofdige
bovenarmspier
Naar plaats v origine & aanhechting: vb. m.
sternocleidomastoideus
Axiale spieren (7.10)
De spieren v hoofd en hals (7.10.1)
m. buccinator:
o Dieper gelegen spier tss de mondhoek en de kaak, en vormt
de spierwand vd wang vb. blazen
m. masseter:
o Kauwspier verbindt de jukboog (arcus zygomaticus) met de
onderkaak (mandicula)
Heft de onderkaak op bij het kauwen (beweegt de
onderkaak omhoog)
m. temporalis:
o Aan zijkant vh os temporale, loopt onder de jukboog dr, nr de
onderkaak vb. helpt masseter bij het kauwen, kaken op elkaar
klemmen
m. platysma:
o Oppervlakkige spier, bedekt hals ventraal en loopt vd borst en
schouderregio nr de onderkaak en mondhoeken vb. huid v hals
aanspannen bij emoties (trekt monhoeken nr omlaag, mimiek)
m. sternocleidomastoideus:
o Een tweekoppige spier
o 1 kop ontspringt aan het manubrium sterni, de ander ah
sleutelbeen
o Beide hechten aan de processus mastoideus vh os temporale
vd schedel
we hebben 2 zulke spieren, één aan elke kant:
Bilaterale contractie: (als beide tegelijkertijd
samentrekken): flexie vd nek
2