onveilige-ambivalente hechting?
A. Omdat het kind leert dat nabijheid altijd wordt afgewezen
B. Omdat het kind geen onderscheid leert maken tussen bekenden
en vreemden
C. Omdat onvoorspelbaarheid het hechtingssysteem chronisch
activeert
D. Omdat temperament volledig genetisch bepaald is
2. Wat verklaart dat de A-not-B-fout afneemt tegen het einde
van het sensomotorisch stadium?
A. Verbetering van motorische kracht
B. Ontwikkeling van objectpermanentie en inhibitiecontrole
C. Toename van sociale referentie
D. Verlies van primaire circulaire reacties
3. Waarom verhoogt prenatale alcoholblootstelling het risico op
blijvende cognitieve beperkingen?
A. Omdat alcohol alleen na de geboorte wordt afgebroken
B. Omdat alcohol genetische mutaties veroorzaakt in alle
chromosomen
C. Omdat alcohol synaptische pruning volledig stopt
D. Omdat alcohol tijdens kritieke perioden orgaan- en
hersenontwikkeling verstoort
4. Wat is het functionele voordeel van synaptische pruning in
de vroege ontwikkeling?
A. Vergroten van totale hersenmassa
B. Verhogen van neurale efficiëntie door eliminatie van ongebruikte
verbindingen
C. Verlagen van energieverbruik door minder bloedtoevoer
D. Stabiliseren van alle bestaande synapsen
5. Waarom voorspelt een mismatch tussen temperament en
opvoedingsstijl verhoogde gedragsproblemen?
A. Omdat temperament verandert door straf
B. Omdat genetische aanleg dominant is boven omgeving
C. Omdat gebrek aan goodness-of-fit stress
en dysregulatie versterkt
D. Omdat moeilijk temperament altijd pathologisch is
6. Wat verklaart dat conservatiebegrip samenhangt met
reversibiliteit?
A. Het vermogen om meerdere zintuigen tegelijk te gebruiken
B. Het besef dat mentale handelingen omkeerbaar zijn
C. De afname van egocentrisme
2
, D. Toename van woordenschat
7. Waarom kan chronisch slaaptekort in de schooltijd
academische prestaties verminderen?
A. Omdat slaap alleen fysieke groei beïnvloedt
B. Omdat slaaptekort IQ structureel verlaagt
C. Omdat slaaptekort executieve functies en aandacht ondermijnt
D. Omdat kinderen minder sociaal worden
8. Wat maakt operante conditionering effectief bij
gedragsverandering?
A. Het koppelen van twee stimuli zonder gedrag
B. Het systematisch manipuleren van consequenties van gedrag
C. Het versterken van onbewuste driften
D. Het stimuleren van synaptische pruning
9. Waarom vormt lateralisatie een belangrijke stap in
cognitieve efficiëntie?
A. Omdat beide hersenhelften identiek blijven functioneren
B. Omdat specialisatie verwerkingstijd en redundantie vermindert
C. Omdat het emotionele reacties onderdrukt
D. Omdat het myelinisatie overbodig maakt
10. Wat is het mechanisme achter sociale referentie bij
baby’s?
A. Imitatie van willekeurige gezichtsuitdrukkingen
B. Conditionering via straf
C. Genetische fixatie op ouderlijke signalen
D. Gebruik van emotionele signalen van verzorger om ambiguïteit te
reduceren
11. Waarom verhoogt langdurige prenatale stress het risico
op latere gedragsproblemen?
A. Omdat stress altijd leidt tot vroeggeboorte
B. Omdat hormonale veranderingen foetale hersenontwikkeling
beïnvloeden
C. Omdat stress genetische code verwijdert
D. Omdat placentaire groei stopt
12. Wat verklaart de afname van egocentrisme in de
schooltijd?
A. Toename van abstract redeneren zonder sociale interactie
B. Volledige verdwijning van symbolisch denken
C. Ontwikkeling van decentratie en perspectiefneming
D. Afname van geheugenstrategieën
3
, 13. Waarom leidt overregularisatie tot grammaticale fouten
bij jonge kinderen?
A. Omdat kinderen grammaticale regels actief toepassen op
uitzonderingen
B. Omdat ze woorden fonologisch niet kunnen onderscheiden
C. Omdat semantiek ontbreekt
D. Omdat taalproductie eerder ontwikkelt dan begrip
14. Wat is het primaire risico van gedesorganiseerde
hechting?
A. Verhoogde motorische activiteit
B. Moeite met schoolse vaardigheden
C. Versnelde cognitieve rijping
D. Verhoogde kwetsbaarheid voor psychopathologie
15. Waarom ondersteunt scaffolding cognitieve groei?
A. Omdat het taken volledig overneemt van het kind
B. Omdat het binnen de zone van naaste ontwikkeling tijdelijke
ondersteuning biedt
C. Omdat het directe beloning geeft bij elke fout
D. Omdat het autonome exploratie verhindert
16. Wat verklaart dat obesitas in de schooltijd vaak
persisteert tot volwassenheid?
A. Omdat vetcellen zich nooit aanpassen
B. Omdat metabole en gedragsmatige patronen zich stabiliseren
C. Omdat groei volledig stopt
D. Omdat IQ daalt
17. Waarom verhoogt afwijzing binnen sociometrische
status het risico op externaliserende problemen?
A. Omdat afgewezen kinderen geen executieve functies ontwikkelen
B. Omdat sociale uitsluiting frustratie en agressie kan versterken
C. Omdat leerkrachten lagere verwachtingen hebben
D. Omdat genetische factoren domineren
18. Wat verklaart dat informatieverwerkingssnelheid
toeneemt met leeftijd?
A. Afname van synaptische verbindingen zonder reorganisatie
B. Volledige rijping bij geboorte
C. Toename van myelinisatie en neurale efficiëntie
D. Afname van plasticiteit
19. Waarom is objectpermanentie essentieel voor veilige
hechting?
A. Omdat het motorische vaardigheden versterkt
4