H1.
Ontwikkelingspsychologie: de wetenschappelijke studie van patronen van groei,
verandering en stabiliteit bij mensen met de conceptie (bevruchting) helemaal tot en met de
late volwassenheid- dus de dood.
Ontwikkelingsfasen:
· Prenatale periode (van conceptie tot geboorte)
· Babytijd (van geboorte tot 2 jaar)
· Peutertijd en kleutertijd (van 2 tot 6jaar)
· Schooltijd (6 tot 12 jaar)
· Adolescent (12 tot 20 jaar)
· Volwassenheid (20+)
Maturatie: rijping. Dat je je ontwikkelt vanwege een combinatie van je genen en het
bereiken van de juiste leeftijd.
Kritieke periode: een specifieke tijd in de ontwikkeling waarin een bepaalde gebeurtenis de
grootste impact heeft (bijvoorbeeld vijfde ziekte)
Stimuli prikkels, veranderingen in de inwendig of uitwendige omgeving waarop het
organisme reageert.
Gevoelige periode: moment waarbij sprake is van extra ontvankelijkheid voor invloeden van
de omgeving. Hoeft niet altijd onomkeerbaar te zijn, (bijvoorbeeld een nieuwe taal leren)
Plasticiteit: de mate waarin een zich ontwikkeld gedragspatroon of fysieke structuur
veranderlijk is.
Sociale constructie: een idee over de realiteit dat weliswaar breed geaccepteerd is, maar
afhangt van de maatschappij en de cultuur op een bepaald moment.
Continue verandering: ontwikkelingsproces gaat geleidelijk (kwantitatief)
Discontinue verandering: soms abrupt verloopt. (Elke stadium levert kwalitatief ander
gedrag op).
Nature: eigenschappen, vermogens en capaciteiten erven kinderen van ouders
Nurture: omgevingsinvloeden die ons gedrag bepalen.
Nature-nuturedebat: discussie over de oorsprong van ons gedrag en onze eigenschappen:
in hoeverre komen deze voort uit onze aanleg en in hoeverre uit onze opvoeding en
leefomgeving.
,Levensloopmodel: moderne theorieën leggen de nadruk op doorgaande groei en
verandering in de loop van het leven en op verbanden tussen verschillende perioden.
De puberteit: de periode van geslachtsrijping. Bij vrouwen rond hun 11e/12e en bij jongens
13e/14e.
Prepuberteit: de periode voorafgaand aan de puberteit waarin al (hormonale)
veranderingen in het lichaam optreden maar deze nog niet van buitenaf zichtbaar zijn.
Ontluikende volwassenheid: (Arnett) aparte leeftijdsfasen, late tiener jaren tot 30 jaar met
focus de leeftijd 18 tot 25 jaar. De nadruk ligt op het ontdekken van eigen identiteit.
Cohort: een groep mensen die in een bepaalde periode leeft en daardoor voor een deel
gelijke ervaringen opdoen. (Oorlog, economische groei en crisis etc.).
Normatieve gebeurtenissen: zijn sociale omgevingsinvloeden en biologische invloeden die
verbonden zijn met de specifieke maatschappelijke situatie in een historische tijd.
(Vuurwerk, ramp, coronapandemie)
Normatieve leeftijdgebonden invloeden: zijn biologische invloeden en omgevingsinvloeden
die vergelijkbaar zijn voor mensen in een bepaalde leeftijdsgroep. (Bereiken van puberteit,
leerplicht). In Nederland en België op 5-jarige leeftijd.
Normatieve sociaal-culturele invloeden: bepalen de ontwikkeling van mensen, zoals de
brede cultuur, etnische afkomst, sociale klasse en het behoren tot een subcultuur. (Kinderen
waarbij Nederlands hun 2e taal is, kinderen die opgroeien in Afrika krijgen een hele andere
opvoeding).
Niet normatieve gebeurtenissen: specifieke gebeurtenissen die plaatsvinden in het leven
van een bepaald persoon, terwijl de meeste andere mensen hier niet mee te maken krijgen.
(Ouder verliezen, of een grote wetenschap wedstrijd winnen op jonge leeftijd)
Collectivivistische orientatie: dat mensen meer gericht zijn op hun ondelinge
afhankelijkheid.
Inidividualistische orientatie: dat mensen meer gericht zijn op het uniek en
onafhankelijkheid zijn
WEIRD: (western, educated, industrialized, rich en democratic). Houden zich bezig met de
ontwikkeling van kinderen met diverse achtergronden van over de hele wereld.
Behaviorisme: gedragspsychologie.
, Locke (17e eeuw): tabula rasa: onbeschreven blad. Kinderen werden uitsluitend gevormd
door de ervaringen die ze opdeden terwijl ze opgroeien
Rousseau: kinderen waren ‘nobele wilden’ bij wie het gevoeld voor goed en kwaad (moraal)
was aangeboren.
Hollingworth en Montessori: eerste deel van 20e eeuw belangrijke bijdrage geleverd aan
het vakgebied aan het vakgebied van kinder- en jeugdpsychologie.
Aries: bestudeerde hoe kinderen en gezinnen op schilderijen en in andere kunstvormen
werden weergegeven. Voor 1600 gezien als miniatuurvolwassen.
Persoonlijkheidsontwikkeling: ontwikkeling van duurzame gedragingen en
(karakter)eigenschappen die de ene persoon van de andere onderscheiden.
Rijping: blijvende fysieke of psychologische verandering als gevolg van biologische
groeiprocessen.
Epignetica: belangrijke opkomende onderzoekstak, die de effecten bestudeert van
omgevingsinvloeden en ervaringen op de uiting van onze genen.