FVV2 – Biomedische II: Bloed
❖ Inleiding
Functies v bloed
• Transport v opgeloste gassen (O2, CO2) gebonden aan rode bloedcellen (RBC), voedingsstoffen,
afvalstoffen & hormonen binnen het bloedvatenstelsel (cf. inwendig transportnetwerk tss alle
plaatsen vh lichaam)
• Stabilisering van pH en ionensamenstelling vd interstitiële vloeistof (ECV) en het hele lichaam
o.a. dankzij buffers -> zie hfdst biochemie (eerder), zie hfdst urinair stelsel (verder)
• Beperking van vloeistofverlies bij verwonding dr bloedstolling (hemostase m.b.v. enzymen,
eiwitten, bloedplaatjes)
• Verdediging tegen gifstoffen en ziektekiemen, m.b.v. leukocyten (WBC) en antistoffen -> zie Hfdst
lymfestelsel & afweer
• Stabilisering van de lichaamstemperatuur (vasodilatatie en vasoconstrictie)
Bloedafname:
• Veneuze punctie: vanuit een oppervlakkige ader vb vena mediana cubiti (voorkant elleboog)
→ makkelijk te vinden, dunnere wand dan slagaders, lagere bloeddruk (= dus veiliger) => meest
gebruikt
• Vanuit perifere capillairen id vingertop of hielprik (bij kindjes)
• Arteriële punctie: vanuit een slagader vb arteria radialis (pols) of a. brachialis (elleboog)
Samenstelling vh bloed:
• Plasma (55%)
• Bloedcellen en celfragmenten (45%)
• Bloed getrokken → Centrifugeren (zwaardere
deeltjes w gescheiden v lichtere deeltjes) dus
plasma w gescheiden v bloedcellen en
bloedfragmenten
• 45% = hematocriet (percentage vh volle bloed dat ingenomen
wordt dr de rode bloedcellen)
De 3 vochtcompartimenten vh lichaam:
• Plasmacompartiment: +/- 4 l (1/12) = dagelijks 3l vocht
binnen
• Intercellulair vocht: +/- 12 l (1/4)
• Intracellulair vocht: +/- 32 l (2/3)
================
Totaal lichaamsvocht:
= ong. 60 % van het LG
(bij vrouwen 55%) Vb. 48l bij man van 80 kg
Bloedplasma is het eerste vochtpartiment (+- 4l). Dat bloedplasma
staat in verbinding met het extracellulaire vocht (+- 12l). Eerste lijn =
huid waar er uitwisseling mogelijk is via de capillaire haarvaten.
, Er gaat ook vocht binnen gaan via de intracellulair vocht +-32l (de tweede lijn is
celmembraan dat controle heeft over de wederzijdse uitwisseling => selectief
transport van natrium, kalium…)
Het lichaam bestaat vr minstens 2/3 uit water: goed voor 40L (bij een persoon
van 70kg)
Bijdrage van plasma tot het lichaam: 5%
1) Plasma (11.2)
a) Samenstelling (ong 3 à 4l bloedplasma)
• 92 % water (transport-vochtbalans!)
• 8 % opgeloste stoffen
o 1 % niet-proteinen
o 7 % opgeloste proteinen
Opgeloste stoffen in plasma: Niet-proteïnen (1%) (= vooral elektrolyten (kleine opgeloste stoffen die
daarin zitten))
• Elektrolyten (9g/l of 0,9 g%: Na+, K+, Mg2+, Cl-, HPO4-, SO42-, ...)
• NaHCO3 (=natriumbicarbonaat) (buffer tegen zuuraanval)
• Organische voedingsstoffen: lipiden, aminozuren, glucose (0,5 à 2g/l), vitamines (voeding,
energie en metabolisme)
• Organische afvalstoffen: → kleinste bouwblokken aan voedingsstoffen die we nodig hbbn vr
energie en metabolisme
o Ureum en ammoniumionen = afbraak van eiwitten
o Urinezuur = afbraakproduct van purines = een nucleotide
o Creatinine = afbraakproduct dr lever geproduceerd (rol bij energielevering aan spieren)
o Bilirubine = = afbraakproduct van hemoglobine
Opgeloste stoffen in plasma: proteïnen (7%)
• Albumine 60%: (colloid osmotische druk (C.O.D.), eiwitreserve, transport)
o Eiwit dat niet dr de haarvatwand nr de weefsels kan → tot concentratie opgeloste
deeltjes is in het bloed hoger dan in de weefsels ➔ we krijgen osmose
o Aanzuigkracht van water die veroorzaakt wordt door water = colloid osmotische druk!
Doordat het zoveel voorkomt is het ook een zekere eiwitreserve. Bep stoffen zijn niet goed
transporteerbaar vb. vet (waterig) Door die stoffen aan albumine te koppelen lukt dat
vervoer door het bloed (waterig) wel. Ook kleine stoffen knn dr albumine getransporteerd
w. Je nieren werken via filtratie → als er kleine stofjes zijn die wel nuttig zijn voor lichaam
worden die aan albumine gekoppeld ipv uit lichaam gefilterd
• Globulines 35%
(antistoffen en transport)
• Fibrinogeen (en andere stollingsfactoren) 4% (stolling) -> Serum = plasma zonder
stollingseiwitten
o = zorgt ervoor dat bloed kan gaan stollen ➔ bloed is een bindweefsel → rode en witten
bloedcellen, plasma waarin vezels zitten (vloeibaar bloed heeft fibrinogeen, wnr bloed
stolt worden die omgezet in vezels), serum h bloed (grondsubstantie)
o → Opgebouwd uit cellen, vezels en grondsubstantie
• (Pro)hormonen en enzymen 1%
> 90% van de plasma-eiwitten wordt in de lever gevormd (behalve antistoffen)
❖ Inleiding
Functies v bloed
• Transport v opgeloste gassen (O2, CO2) gebonden aan rode bloedcellen (RBC), voedingsstoffen,
afvalstoffen & hormonen binnen het bloedvatenstelsel (cf. inwendig transportnetwerk tss alle
plaatsen vh lichaam)
• Stabilisering van pH en ionensamenstelling vd interstitiële vloeistof (ECV) en het hele lichaam
o.a. dankzij buffers -> zie hfdst biochemie (eerder), zie hfdst urinair stelsel (verder)
• Beperking van vloeistofverlies bij verwonding dr bloedstolling (hemostase m.b.v. enzymen,
eiwitten, bloedplaatjes)
• Verdediging tegen gifstoffen en ziektekiemen, m.b.v. leukocyten (WBC) en antistoffen -> zie Hfdst
lymfestelsel & afweer
• Stabilisering van de lichaamstemperatuur (vasodilatatie en vasoconstrictie)
Bloedafname:
• Veneuze punctie: vanuit een oppervlakkige ader vb vena mediana cubiti (voorkant elleboog)
→ makkelijk te vinden, dunnere wand dan slagaders, lagere bloeddruk (= dus veiliger) => meest
gebruikt
• Vanuit perifere capillairen id vingertop of hielprik (bij kindjes)
• Arteriële punctie: vanuit een slagader vb arteria radialis (pols) of a. brachialis (elleboog)
Samenstelling vh bloed:
• Plasma (55%)
• Bloedcellen en celfragmenten (45%)
• Bloed getrokken → Centrifugeren (zwaardere
deeltjes w gescheiden v lichtere deeltjes) dus
plasma w gescheiden v bloedcellen en
bloedfragmenten
• 45% = hematocriet (percentage vh volle bloed dat ingenomen
wordt dr de rode bloedcellen)
De 3 vochtcompartimenten vh lichaam:
• Plasmacompartiment: +/- 4 l (1/12) = dagelijks 3l vocht
binnen
• Intercellulair vocht: +/- 12 l (1/4)
• Intracellulair vocht: +/- 32 l (2/3)
================
Totaal lichaamsvocht:
= ong. 60 % van het LG
(bij vrouwen 55%) Vb. 48l bij man van 80 kg
Bloedplasma is het eerste vochtpartiment (+- 4l). Dat bloedplasma
staat in verbinding met het extracellulaire vocht (+- 12l). Eerste lijn =
huid waar er uitwisseling mogelijk is via de capillaire haarvaten.
, Er gaat ook vocht binnen gaan via de intracellulair vocht +-32l (de tweede lijn is
celmembraan dat controle heeft over de wederzijdse uitwisseling => selectief
transport van natrium, kalium…)
Het lichaam bestaat vr minstens 2/3 uit water: goed voor 40L (bij een persoon
van 70kg)
Bijdrage van plasma tot het lichaam: 5%
1) Plasma (11.2)
a) Samenstelling (ong 3 à 4l bloedplasma)
• 92 % water (transport-vochtbalans!)
• 8 % opgeloste stoffen
o 1 % niet-proteinen
o 7 % opgeloste proteinen
Opgeloste stoffen in plasma: Niet-proteïnen (1%) (= vooral elektrolyten (kleine opgeloste stoffen die
daarin zitten))
• Elektrolyten (9g/l of 0,9 g%: Na+, K+, Mg2+, Cl-, HPO4-, SO42-, ...)
• NaHCO3 (=natriumbicarbonaat) (buffer tegen zuuraanval)
• Organische voedingsstoffen: lipiden, aminozuren, glucose (0,5 à 2g/l), vitamines (voeding,
energie en metabolisme)
• Organische afvalstoffen: → kleinste bouwblokken aan voedingsstoffen die we nodig hbbn vr
energie en metabolisme
o Ureum en ammoniumionen = afbraak van eiwitten
o Urinezuur = afbraakproduct van purines = een nucleotide
o Creatinine = afbraakproduct dr lever geproduceerd (rol bij energielevering aan spieren)
o Bilirubine = = afbraakproduct van hemoglobine
Opgeloste stoffen in plasma: proteïnen (7%)
• Albumine 60%: (colloid osmotische druk (C.O.D.), eiwitreserve, transport)
o Eiwit dat niet dr de haarvatwand nr de weefsels kan → tot concentratie opgeloste
deeltjes is in het bloed hoger dan in de weefsels ➔ we krijgen osmose
o Aanzuigkracht van water die veroorzaakt wordt door water = colloid osmotische druk!
Doordat het zoveel voorkomt is het ook een zekere eiwitreserve. Bep stoffen zijn niet goed
transporteerbaar vb. vet (waterig) Door die stoffen aan albumine te koppelen lukt dat
vervoer door het bloed (waterig) wel. Ook kleine stoffen knn dr albumine getransporteerd
w. Je nieren werken via filtratie → als er kleine stofjes zijn die wel nuttig zijn voor lichaam
worden die aan albumine gekoppeld ipv uit lichaam gefilterd
• Globulines 35%
(antistoffen en transport)
• Fibrinogeen (en andere stollingsfactoren) 4% (stolling) -> Serum = plasma zonder
stollingseiwitten
o = zorgt ervoor dat bloed kan gaan stollen ➔ bloed is een bindweefsel → rode en witten
bloedcellen, plasma waarin vezels zitten (vloeibaar bloed heeft fibrinogeen, wnr bloed
stolt worden die omgezet in vezels), serum h bloed (grondsubstantie)
o → Opgebouwd uit cellen, vezels en grondsubstantie
• (Pro)hormonen en enzymen 1%
> 90% van de plasma-eiwitten wordt in de lever gevormd (behalve antistoffen)