FVV2 – Biomedische 2: Het urinewegstelsel
❖ Inleiding: functies vh urinair stelsel
• Rechter nier ligt beetje lager want daar ligt de lever
• Vanuit elke nier vertrekt een urether, deze komen aan id blaas (hier zit urine tijdelijk in), dan naar
buiten via urethra
• Urethra bij man langer, want loopt eerst door prostaat, de penis w gebruikt vr afscheiding vr urine
en sperma = gedeelt
• Bij vrouw = volledig gescheiden
Functies:
1. Verwijderen (excretie) van organische afvalstoffen uit de lichaamsvloeistoffen zoals het
bloed (zitten er altijd)
• Ureum (afbraakproduct van eiwitten): nog steeds toxisch maar beter oplosbaar dan
ammonium
• Urinezuur (afbraakproduct van DNA): purines die w afgebroken tot urinezuur
• Urobiline (gele kleur, afbraakproduct van hemoglobine): 1vd stappen v afbraak v
hemoglobine, geel = te maken met hoe geconcentreerd die urine is
• Creatinine (afbraakproduct van spierweefsel): komt tss id vorming v ATP, goede maat om
werking v nieren te testen, als er te weinig of te veel is = slechte nierwerking
2. Lozen van deze afvalstoffen (eliminatie): het effectief uitscheiden vb plassen
3. Homeostatische regeling v volume en concentratie opgeloste stoffen ih bloedplasma: dr meer
of minder af te scheiden id urine, knn we bloedsamenstelling aanpassen
• Reguleren van bloedvolume en bloeddruk
• Reguleren van ionenconcentraties; Na+, K+, Cl-, …
• Reguleren van pH van bloed
• Het RBC-gehalte door productie van EPO: hormoon dat roodbeenmerg gestimuleerd w wnr
zuurstof te laag
A. Anatomie
1. Nieren
a) Ligging
• Lumbaal
• Gelegen achter het peritoneum (retroperitoneaal = bedekt met
parietaal peritoneum, mr liggen er zelf niet
in)
• Rechternier ligt lager dan de linkernier
(vanwege lever)
• Alle organen die omgeven zijn dr buikvlies =
peritoneaal
• = sagittale doorsnede
, b) Macroscopische bouw (18.2)
• Bruine laag = schorslaag
• Komt voor en achter bord =roze
• Merglaag bevat de donkerroze driehoeken (=nierpiramide) daar tss ook de zuilen v Bertin
• Topje driehoek is papil en mond uit id nierkelk (3 nierkelken komen samen in 1 grote nierkelk) om
vervolgens allemaal samen te komen ih bekken, vanuit daar vertrekt de ureter richting blaas
Hier w de urine aangekleurd met Kijken nr is niet vergroot,
contrastvloeistof, waarbij je de voldoende bloeddruk, geen
kleine, grote kelken en stuwing = vager
nierbekken ziet
2. Urinewegen (= de nierafvoerwegen)
a) De bovenste urinewegen: de ureters (18.5.1)
• Lange afgeplatte buizen van +/- 0,5 cm Ø en 30 cm lang
• Verlopen retroperitoneaal
• Beginnen aan het pyelon (nierbekken) en eindigen id blaas t.h.v. de vesico-ureterale junctie (VUJ)
(juncties = spleetvormig = slijmplooi/klep, wnr urine v nier nr beneden loopt kan de urine v ureter
nr blaas mr als blaas vol begint te raken sluit die klep wrdr de urine niet terug nr boven kan =
opstijgende urineweginfectie)
• De wand is opgebouwd uit:
o Urotheel = epitheel aan binnenkant = enige plaats in lichaam waar overgangsepitheel is
(kan uitrekken)
o (overgangsepitheel = osmotische barrière): wnr urine in ureter terecht komt gaan we geen
aanpassingen meer doen (geen kans op osmose, zout,..)
o Laagje glad spierweefsel: voor peristaltiek (constant aan werk, constant gedruppel vanuit
nieren nr beneden → peristaltische contracties om urine nr beneden te duwen richting
blaas
o Laagje bindweefsel, dat doorloopt ih nierkapsel (=adventitia): verlengde v kapsel =
buitenste bindweefsellaag
❖ Inleiding: functies vh urinair stelsel
• Rechter nier ligt beetje lager want daar ligt de lever
• Vanuit elke nier vertrekt een urether, deze komen aan id blaas (hier zit urine tijdelijk in), dan naar
buiten via urethra
• Urethra bij man langer, want loopt eerst door prostaat, de penis w gebruikt vr afscheiding vr urine
en sperma = gedeelt
• Bij vrouw = volledig gescheiden
Functies:
1. Verwijderen (excretie) van organische afvalstoffen uit de lichaamsvloeistoffen zoals het
bloed (zitten er altijd)
• Ureum (afbraakproduct van eiwitten): nog steeds toxisch maar beter oplosbaar dan
ammonium
• Urinezuur (afbraakproduct van DNA): purines die w afgebroken tot urinezuur
• Urobiline (gele kleur, afbraakproduct van hemoglobine): 1vd stappen v afbraak v
hemoglobine, geel = te maken met hoe geconcentreerd die urine is
• Creatinine (afbraakproduct van spierweefsel): komt tss id vorming v ATP, goede maat om
werking v nieren te testen, als er te weinig of te veel is = slechte nierwerking
2. Lozen van deze afvalstoffen (eliminatie): het effectief uitscheiden vb plassen
3. Homeostatische regeling v volume en concentratie opgeloste stoffen ih bloedplasma: dr meer
of minder af te scheiden id urine, knn we bloedsamenstelling aanpassen
• Reguleren van bloedvolume en bloeddruk
• Reguleren van ionenconcentraties; Na+, K+, Cl-, …
• Reguleren van pH van bloed
• Het RBC-gehalte door productie van EPO: hormoon dat roodbeenmerg gestimuleerd w wnr
zuurstof te laag
A. Anatomie
1. Nieren
a) Ligging
• Lumbaal
• Gelegen achter het peritoneum (retroperitoneaal = bedekt met
parietaal peritoneum, mr liggen er zelf niet
in)
• Rechternier ligt lager dan de linkernier
(vanwege lever)
• Alle organen die omgeven zijn dr buikvlies =
peritoneaal
• = sagittale doorsnede
, b) Macroscopische bouw (18.2)
• Bruine laag = schorslaag
• Komt voor en achter bord =roze
• Merglaag bevat de donkerroze driehoeken (=nierpiramide) daar tss ook de zuilen v Bertin
• Topje driehoek is papil en mond uit id nierkelk (3 nierkelken komen samen in 1 grote nierkelk) om
vervolgens allemaal samen te komen ih bekken, vanuit daar vertrekt de ureter richting blaas
Hier w de urine aangekleurd met Kijken nr is niet vergroot,
contrastvloeistof, waarbij je de voldoende bloeddruk, geen
kleine, grote kelken en stuwing = vager
nierbekken ziet
2. Urinewegen (= de nierafvoerwegen)
a) De bovenste urinewegen: de ureters (18.5.1)
• Lange afgeplatte buizen van +/- 0,5 cm Ø en 30 cm lang
• Verlopen retroperitoneaal
• Beginnen aan het pyelon (nierbekken) en eindigen id blaas t.h.v. de vesico-ureterale junctie (VUJ)
(juncties = spleetvormig = slijmplooi/klep, wnr urine v nier nr beneden loopt kan de urine v ureter
nr blaas mr als blaas vol begint te raken sluit die klep wrdr de urine niet terug nr boven kan =
opstijgende urineweginfectie)
• De wand is opgebouwd uit:
o Urotheel = epitheel aan binnenkant = enige plaats in lichaam waar overgangsepitheel is
(kan uitrekken)
o (overgangsepitheel = osmotische barrière): wnr urine in ureter terecht komt gaan we geen
aanpassingen meer doen (geen kans op osmose, zout,..)
o Laagje glad spierweefsel: voor peristaltiek (constant aan werk, constant gedruppel vanuit
nieren nr beneden → peristaltische contracties om urine nr beneden te duwen richting
blaas
o Laagje bindweefsel, dat doorloopt ih nierkapsel (=adventitia): verlengde v kapsel =
buitenste bindweefsellaag