FVV2 – Biomedische: Het lymfestelsel en afweer
I. Afweer & immuniteit
❖ Inleiding
Een antige(e)n = een eiwit dat dr het afweersysteem herkend w
als ‘lichaamsvreemd’ en dat in staat is een immuunreactie uit te
lokken
(cf. zelfherkenningseiwitten hfdst celleer)
• Virale eiwitten
• Bacteriële eiwitten
• Eukaryote eiwitten (schimmels, parasieten, maar ook
menselijke eiwitten v iemand anders: vb. kruisreactie tss
bloedgroepen (zie hoofdst bloed)
En daardoor in staat is een reactie vh afweersysteem op te wekken (waarbij antistoffen = antilichamen =
antibodies (ab) w aangemaakt, zie verder)
Afweer = Geheel v verdedigingsmechanismen ter preventie vh binnendringen v micro-organismen (mr
ook gifstoffen of afwijkende eigen cellen) en ter uitroeiing ervan
• Men onderscheidt:
o Aangeboren afweermechanismen → niet antigen specifiek = je kan dat onmiddellijk
gebruiken en inzetten tgn allerlei lichaamsvreemde stoffen/kiemen
o Verworven afweermechanismen → specifiek tegen 1 antigen = is adaptief/gaat zich
aanpassen want ik ben met andere kiemen in aanraking gekomen dan iemand anders
Met telkens een cellulaire component en een humorale component
• Cellulaire component = cel soorten ter verdediging (T-cellen, macrofagen, NK-cellen, …)
• Humorale component = verdedigingseiwitten ih bloed en/of de secreten (antistoffen is meest
gekende)
a) Aangeboren afweermechanismen (= aspecifiek) (14.3)
= geheel v breed inzetbare (=aspecifieke) verdedigingsmechanismen
• Aspecifiek: maakt X onderscheid tss de ene en de andere bedreiging
• Mechanismen zijn v bij de geboorte aanwezig
• Het doel = verhinderen dat M.O. of schadelijke stoffen binnenkomen en/of zich knn
verspreiden ih lichaam.
1e lijnverdediging = Fysieke barrières aan de buitengrenzen vh lichaam (= ter preventie)
• Epitheliale barrières (+ haren, zweetklieren (= goed tgn infectie) = huid en slijmvliezen (als we
niet dr huid gaan is het via slijm)
• Vijandige secreten: = maagzuur, talg, zweet, tranen, speeksel (lysozyme in staat celwand kapot
te maken)
• Evacuatie dr beweging: peristaltiek/mictie/rollend slijmtapijt (als de secreten stilstaan is het
makkelijk om binnen te komen, rollend tapijt: slijm nr boven brengen en maagzuur breekt de MO
af)
• Concurrentie met commensale flora: ons lichaam is niet steriel → commensaal = goed voor
mens en bacterie
,2e lijnverdediging = meteen of snel inzetbare verdedigingscellen en eiwitten in weefsels en bloed
• Antivirale eiwitten: interferonen = boodschapperstoffen die de virale replicatie gaan verstoren
• Antibacteriële eiwitten: complementsysteem (lyse) = verzameling v complementen =
plasmaeiwitten die gat id celwand v bacterie maken wrdr die dr osmose kapot gaat =
kettingreactie die volledig autonoom bacterie kan aanvallen, helpt als de antistoffen er al zijn
• Koorts: idee dat als temp stijgt de chemische reacties sneller werken (koorts niet erg maar boven
ong 43 graden gaan eiwitten kapot
• Macrofagen, en granulocyten = fagocyten = cellen die aan fagocytose doen (vaste en vrije
macrofagen, neutrofiele en eosfiele granulocyten samen met monocyten vnl in bloed)
• Mestcellen (lokken een ontstekingsreactie uit: zie verder)
• NK-cellen = doen aan immunologische suviantie gaan rondzwerven en op zoek nr afwijkende
cellen obv die celherkenningseiwitten
De ontstekingsreactie (= inflammatie) (14.3.6)
= een reactie vh lichaam op beschadiging v weefsel of prikkels v buitenaf (vb. aanwezigheid v
bacteriën of virussen = infectie)
• Doel: het verwijderen vh schadelijke agens en het herstellen vd schade.
1) Als reactie op weefselschade en/of de aanwezigheid van micro-organismen zetten mestcellen en
macrofagen ontstekingsstoffen vrij (vb. Histamine, bradykinine, prostaglandines, ...)
2) Het weefsel zal zichzelf herstellen (zie hfdst huid: wondheling & hfdst bloed: hemostase)
, • Ontstekingsstoffen zorgen voor:
o Een versterkte doorbloeding (en
tragere stroomsnelheid) dr
vasodilatatie:
meer bloed ih ontstoken gebied zorgt vr
extra roodheid (rubor) en warmte
(calor).
o Uittreden v vocht uit de bloedbaan dr
verhoogde vaatpermeabiliteit: De
fenestraties tss de endotheelcellen w
groter → nu eiwitten knn de bloedbaan
ook verlaten → de osmotische druk id
weefsels → zwelling op de plaats v
ontsteking dr vochtophoping:
ontstekingsoedeem (tumor)
o Diapedese v leukocyten uit de bloedbaan o.i.v. chemotaxis = chemische
signaalstoffen trekken WBC aan (v zowel het aangeboren als verworven afweersysteem),
die zorgen vr fagocytose en afbraak v dode cellen en ziekteverwekkers.
o Deze verhoogde cellulaire activiteit zorgt vr een verhoogde warmteproductie ih ontstoken
weefsel (calor)
o De ontstekingsstoffen prikkelen vrije zenuweinden, die een pijnsignaal nr de
hersenen sturen (dolor), om het lichaam attent te maken op de schade/infect
I. Afweer & immuniteit
❖ Inleiding
Een antige(e)n = een eiwit dat dr het afweersysteem herkend w
als ‘lichaamsvreemd’ en dat in staat is een immuunreactie uit te
lokken
(cf. zelfherkenningseiwitten hfdst celleer)
• Virale eiwitten
• Bacteriële eiwitten
• Eukaryote eiwitten (schimmels, parasieten, maar ook
menselijke eiwitten v iemand anders: vb. kruisreactie tss
bloedgroepen (zie hoofdst bloed)
En daardoor in staat is een reactie vh afweersysteem op te wekken (waarbij antistoffen = antilichamen =
antibodies (ab) w aangemaakt, zie verder)
Afweer = Geheel v verdedigingsmechanismen ter preventie vh binnendringen v micro-organismen (mr
ook gifstoffen of afwijkende eigen cellen) en ter uitroeiing ervan
• Men onderscheidt:
o Aangeboren afweermechanismen → niet antigen specifiek = je kan dat onmiddellijk
gebruiken en inzetten tgn allerlei lichaamsvreemde stoffen/kiemen
o Verworven afweermechanismen → specifiek tegen 1 antigen = is adaptief/gaat zich
aanpassen want ik ben met andere kiemen in aanraking gekomen dan iemand anders
Met telkens een cellulaire component en een humorale component
• Cellulaire component = cel soorten ter verdediging (T-cellen, macrofagen, NK-cellen, …)
• Humorale component = verdedigingseiwitten ih bloed en/of de secreten (antistoffen is meest
gekende)
a) Aangeboren afweermechanismen (= aspecifiek) (14.3)
= geheel v breed inzetbare (=aspecifieke) verdedigingsmechanismen
• Aspecifiek: maakt X onderscheid tss de ene en de andere bedreiging
• Mechanismen zijn v bij de geboorte aanwezig
• Het doel = verhinderen dat M.O. of schadelijke stoffen binnenkomen en/of zich knn
verspreiden ih lichaam.
1e lijnverdediging = Fysieke barrières aan de buitengrenzen vh lichaam (= ter preventie)
• Epitheliale barrières (+ haren, zweetklieren (= goed tgn infectie) = huid en slijmvliezen (als we
niet dr huid gaan is het via slijm)
• Vijandige secreten: = maagzuur, talg, zweet, tranen, speeksel (lysozyme in staat celwand kapot
te maken)
• Evacuatie dr beweging: peristaltiek/mictie/rollend slijmtapijt (als de secreten stilstaan is het
makkelijk om binnen te komen, rollend tapijt: slijm nr boven brengen en maagzuur breekt de MO
af)
• Concurrentie met commensale flora: ons lichaam is niet steriel → commensaal = goed voor
mens en bacterie
,2e lijnverdediging = meteen of snel inzetbare verdedigingscellen en eiwitten in weefsels en bloed
• Antivirale eiwitten: interferonen = boodschapperstoffen die de virale replicatie gaan verstoren
• Antibacteriële eiwitten: complementsysteem (lyse) = verzameling v complementen =
plasmaeiwitten die gat id celwand v bacterie maken wrdr die dr osmose kapot gaat =
kettingreactie die volledig autonoom bacterie kan aanvallen, helpt als de antistoffen er al zijn
• Koorts: idee dat als temp stijgt de chemische reacties sneller werken (koorts niet erg maar boven
ong 43 graden gaan eiwitten kapot
• Macrofagen, en granulocyten = fagocyten = cellen die aan fagocytose doen (vaste en vrije
macrofagen, neutrofiele en eosfiele granulocyten samen met monocyten vnl in bloed)
• Mestcellen (lokken een ontstekingsreactie uit: zie verder)
• NK-cellen = doen aan immunologische suviantie gaan rondzwerven en op zoek nr afwijkende
cellen obv die celherkenningseiwitten
De ontstekingsreactie (= inflammatie) (14.3.6)
= een reactie vh lichaam op beschadiging v weefsel of prikkels v buitenaf (vb. aanwezigheid v
bacteriën of virussen = infectie)
• Doel: het verwijderen vh schadelijke agens en het herstellen vd schade.
1) Als reactie op weefselschade en/of de aanwezigheid van micro-organismen zetten mestcellen en
macrofagen ontstekingsstoffen vrij (vb. Histamine, bradykinine, prostaglandines, ...)
2) Het weefsel zal zichzelf herstellen (zie hfdst huid: wondheling & hfdst bloed: hemostase)
, • Ontstekingsstoffen zorgen voor:
o Een versterkte doorbloeding (en
tragere stroomsnelheid) dr
vasodilatatie:
meer bloed ih ontstoken gebied zorgt vr
extra roodheid (rubor) en warmte
(calor).
o Uittreden v vocht uit de bloedbaan dr
verhoogde vaatpermeabiliteit: De
fenestraties tss de endotheelcellen w
groter → nu eiwitten knn de bloedbaan
ook verlaten → de osmotische druk id
weefsels → zwelling op de plaats v
ontsteking dr vochtophoping:
ontstekingsoedeem (tumor)
o Diapedese v leukocyten uit de bloedbaan o.i.v. chemotaxis = chemische
signaalstoffen trekken WBC aan (v zowel het aangeboren als verworven afweersysteem),
die zorgen vr fagocytose en afbraak v dode cellen en ziekteverwekkers.
o Deze verhoogde cellulaire activiteit zorgt vr een verhoogde warmteproductie ih ontstoken
weefsel (calor)
o De ontstekingsstoffen prikkelen vrije zenuweinden, die een pijnsignaal nr de
hersenen sturen (dolor), om het lichaam attent te maken op de schade/infect