De vergeten generatie
Een essay over de decentralisatie van de Wmo onder ouderen
Loes Janssen (2808621)
Dynamiek van interbestuurlijke verhoudingen in het Nederlands openbaar bestuur
22 december 2025 te Amsterdam
Dr. P.G. Castenmiller
Aantal woorden: 4118
, Aan de keukentafel zit mevrouw Vermeulen, 85 jaar oud. Haar rollator staat tegen de muur en
tegenover haar zitten twee gemeentelijke consulenten met een notitieblok en een laptop. Het gesprek
gaat niet alleen over de moeite die ze heeft met traplopen, maar ook over haar dochter die aan de
andere kant van de stad woont, de buurvrouw die af en toe boodschappen doet en de vraag of zij niet
nog iets meer zelf kan doen (Non et al., 2015, p. 27-28). Het is haar eerste zogenoemde
keukentafelgesprek, waarin zij nu zelf moet aantonen welke ondersteuning noodzakelijk is, terwijl
huishoudelijke hulp voorheen grotendeels vanzelfsprekend werd toegekend (Non et al., 2015, p. 27-
28). De beschreven situatie staat niet op zichzelf. Sinds de decentralisatie, januari 2015, van de Wet
maatschappelijke ondersteuning (Wmo) zijn gemeenten verantwoordelijk voor het organiseren van
ondersteuning van inwoners die niet volledig zelfredzaam zijn, waaronder ouderen (van der Ham et
al., 2018, p. 11). De gedachte achter deze decentralisatie was dat gemeenten lokaal maatwerk konden
leveren en om informele zorg en sociale netwerken te benutten van de cliënt (Ham et al., 2018, p. 26-
27). In de praktijk blijkt dit uitgangspunt echter moeilijk realiseerbaar. Journalistiekonderzoek laat
zien dat het keukentafelgesprek zelden leidt tot extra inzet van informele hulp, terwijl ouderen
beschikken over een beperkt of afwezig sociaal netwerk (NOS, 2018). Ook berichtte de Volkskrant
(Huisman, 2015) dat veel ouderen zich na de invoering van de Wmo onzeker voelen over hun recht op
ondersteuning en geen duidelijkheid hebben over de uitkomst van hun aanvraag, wat de drempel om
zorg aan te vragen verhoogt. Tegelijkertijd ging de decentralisatie gepaard met forse bezuinigingen en
een verschuiving van verantwoordelijkheden van de Rijksoverheid naar gemeenten. Sinds 2015 bleek
dat ouderen drempels ervaarden bij de toegang tot ondersteuning, gemeenten worstelden met
financiële tekorten en de uitvoering van de Wmo bleek in de praktijk sterk te verschillen per gemeente,
waarbij gemeentelijk beleid en uitvoering grote invloed bleek te hebben op het aantal mensen dat werd
geholpen (de Groot & Allers, 2014, p. 715). Wat bedoeld was als een versterking van zelfredzaamheid
en participatie leidde voor een deel van de oudere bevolking tot onzekerheid en afhankelijkheid van
informele zorg (Feijten et al., 2017, p. 30 & 123). Net als bij eerdere hervormingen in het sociaal
domein werd pas gaandeweg zichtbaar welke gevolgen de decentralisatie had voor een kwetsbare
groep.
In deze paper betoog ik dat de decentralisatie van de Wmo voor ouderen, hoewel ingegeven
door begrijpelijke beleidsdoelen, in de uitvoering risico’s met zich meebracht. Aan de hand van
bestaande literatuur en beleidsanalyses ga ik in op de vraag in hoeverre gemeenten voldoende waren
toegerust om deze verantwoordelijkheid te dragen. Mijn stelling luidt dan ook:
“Het doorvoeren van de decentralisatie van de Wmo zonder voldoende ondersteuning, financiële
middelen en zeggenschap voor gemeenten was onverantwoord voor kwetsbare ouderen.”
Decentralisatie Wmo
De gedachte ‘dichter bij de burger’ vormt een kernargument onder de decentralisaties in het sociale
domein. Sinds de decentralisatie van de Wmo in 2015 zijn gemeenten verantwoordelijk voor het
2
Een essay over de decentralisatie van de Wmo onder ouderen
Loes Janssen (2808621)
Dynamiek van interbestuurlijke verhoudingen in het Nederlands openbaar bestuur
22 december 2025 te Amsterdam
Dr. P.G. Castenmiller
Aantal woorden: 4118
, Aan de keukentafel zit mevrouw Vermeulen, 85 jaar oud. Haar rollator staat tegen de muur en
tegenover haar zitten twee gemeentelijke consulenten met een notitieblok en een laptop. Het gesprek
gaat niet alleen over de moeite die ze heeft met traplopen, maar ook over haar dochter die aan de
andere kant van de stad woont, de buurvrouw die af en toe boodschappen doet en de vraag of zij niet
nog iets meer zelf kan doen (Non et al., 2015, p. 27-28). Het is haar eerste zogenoemde
keukentafelgesprek, waarin zij nu zelf moet aantonen welke ondersteuning noodzakelijk is, terwijl
huishoudelijke hulp voorheen grotendeels vanzelfsprekend werd toegekend (Non et al., 2015, p. 27-
28). De beschreven situatie staat niet op zichzelf. Sinds de decentralisatie, januari 2015, van de Wet
maatschappelijke ondersteuning (Wmo) zijn gemeenten verantwoordelijk voor het organiseren van
ondersteuning van inwoners die niet volledig zelfredzaam zijn, waaronder ouderen (van der Ham et
al., 2018, p. 11). De gedachte achter deze decentralisatie was dat gemeenten lokaal maatwerk konden
leveren en om informele zorg en sociale netwerken te benutten van de cliënt (Ham et al., 2018, p. 26-
27). In de praktijk blijkt dit uitgangspunt echter moeilijk realiseerbaar. Journalistiekonderzoek laat
zien dat het keukentafelgesprek zelden leidt tot extra inzet van informele hulp, terwijl ouderen
beschikken over een beperkt of afwezig sociaal netwerk (NOS, 2018). Ook berichtte de Volkskrant
(Huisman, 2015) dat veel ouderen zich na de invoering van de Wmo onzeker voelen over hun recht op
ondersteuning en geen duidelijkheid hebben over de uitkomst van hun aanvraag, wat de drempel om
zorg aan te vragen verhoogt. Tegelijkertijd ging de decentralisatie gepaard met forse bezuinigingen en
een verschuiving van verantwoordelijkheden van de Rijksoverheid naar gemeenten. Sinds 2015 bleek
dat ouderen drempels ervaarden bij de toegang tot ondersteuning, gemeenten worstelden met
financiële tekorten en de uitvoering van de Wmo bleek in de praktijk sterk te verschillen per gemeente,
waarbij gemeentelijk beleid en uitvoering grote invloed bleek te hebben op het aantal mensen dat werd
geholpen (de Groot & Allers, 2014, p. 715). Wat bedoeld was als een versterking van zelfredzaamheid
en participatie leidde voor een deel van de oudere bevolking tot onzekerheid en afhankelijkheid van
informele zorg (Feijten et al., 2017, p. 30 & 123). Net als bij eerdere hervormingen in het sociaal
domein werd pas gaandeweg zichtbaar welke gevolgen de decentralisatie had voor een kwetsbare
groep.
In deze paper betoog ik dat de decentralisatie van de Wmo voor ouderen, hoewel ingegeven
door begrijpelijke beleidsdoelen, in de uitvoering risico’s met zich meebracht. Aan de hand van
bestaande literatuur en beleidsanalyses ga ik in op de vraag in hoeverre gemeenten voldoende waren
toegerust om deze verantwoordelijkheid te dragen. Mijn stelling luidt dan ook:
“Het doorvoeren van de decentralisatie van de Wmo zonder voldoende ondersteuning, financiële
middelen en zeggenschap voor gemeenten was onverantwoord voor kwetsbare ouderen.”
Decentralisatie Wmo
De gedachte ‘dichter bij de burger’ vormt een kernargument onder de decentralisaties in het sociale
domein. Sinds de decentralisatie van de Wmo in 2015 zijn gemeenten verantwoordelijk voor het
2