WFT – Basis – FREO
Algemeen
Op je examen moet je minimaal 68% van de te behalen punten halen om
te slagen voor het examen. Het examen vindt op locatie plaats maar wel
op een laptop/computer.
Er zijn 3 thema’s waar de vragen uit bestaan:
1. Kennis en Begrip
a. Per vraag 1 punt
2. Professioneel gedrag
a. Per vraag 2 punten
3. Vaardigheden en Competenties
a. Schetsen daadwerkelijke situaties waar ik iets op moet
toepassen
b. Per vraag 2 punten
Paragraaf 1: Professioneel gedrag van Financieel
Adviseur
Het doel van een dienstverlener (Ik) is het voorzien van advies voor de
klant
Het is belangrijk dat je hier altijd eerlijk en betrouwbaar bij blijft!
Een aantal dingen zijn hierin belangrijk:
- Goed omgaan met vertrouwelijke informatie
- Belangrijk om Pro-actief te handelen
- Empathie tonen
- Geen vaktaal tonen
- Transparantie
Indemniteitsbeginsel = Je mag door schadevergoeding niet beter worden
dan dat je voor de schade was.
, Dooverwijzen naar de juiste persoon
Het is belangrijk om jezelf bij elke vraag die je krijgt af te vragen of jij zelf
bekwaam genoeg bent om de vraag te beantwoorden.
Van advies is sprake als een medewerker een concrete aanbeveling van
een nieuw product doet aan een specifieke klant. Ook het
beantwoorden van klantvragen over de passendheid van een nieuw
product van dus onder het begrip “advies”.
Het hebben van het juiste diploma (diplomaplicht) geldt niet voor het
beantwoorden van inhoudelijke vragen, waarbij geen aanbeveling wordt
gedaan of als deze vragen gaan over een product dat de klant al heeft
afgesloten.
Consumptief Krediet = Is krediet dat wordt gebruikt voor aankopen van
goederen die beperkt houdbaar zijn, zoals; Auto, wasmachine en vakantie.
Doorlopend Krediet = Is een lening met een kredietlimiet waarvan je geld
kan opnemen als je daar behoefte aan hebt. Je betaald alleen rente over
geld dat je hebt opgenomen. Het is een lening zonder einddatum met
variabele rente.
Goederen Krediet = Goederen Krediet is gekoppeld aan een goed.
Bijvoorbeeld een krediet bij een autodealer voor de aanschaf van een
auto.
Paragraaf 2 : Professioneel handelen bij fraudesignalen
Mededelingsplicht = Mededelingsplicht houdt in dat de verzekeringsnemer
alle relevante informatie aan de verzekeraar moet geven. Wordt er iets
verzwogen of wordt ergens over gelogen dan mag de verzeker binnen 2
maanden stoppen.
Klantmedewerkers (Ik) hebben m.b.t. fraude 2 verplichtingen:
- Het doen van klantonderzoek
- Meldplicht bij ongebruikelijke situaties
,UBO (Uiteindelijk belanghebbende) = iedere natuurlijke persoon die meer
dan 25% van de winst- of zeggenschapsrechten in een onderneming heeft.
Een onderneming kan dus meerdere UBO’s hebben.
Objectieve indicatoren die je MOET melden bij ongebruikelijke transacties
zijn als volgt:
- Geldtransfer van 2000,- of meer
- Contante omwisselingen naar andere valuta of van kleinere naar
grotere biljetten van 10.000,- of meer
- Contante stortingen van 10.000,- of meer
- Betalingen met creditcard of prepaid kaart van 15.000,- of meer
- Transacties met landen met onaanvaardbaar risico, zoals Iran of
Noord-Korea
- Witwastransacties die gemeld zijn bij politie of justitie.
Paragraaf 3: Professioneel omgaan met klantgegevens
AVG = Algemene Verordening Gegevensbescherming
Hierin staan regels die gelden voor het verwerken van
persoonsgegevens en zijn de rechten van betrokkenen opgenomen met
betrekking tot hun persoonsgegevens.
Organisatiees mogen gegevens van klanten alleen verwerken om
bepaalde redenen:
1. Met toestemming van de klant
2. De noodzaak voor het sluiten of uitvoeren van een
contract/overeenkomst met de klant.
3. De noodzaak om te voldoen aan een wettelijke verplichting die op de
organisatie rust.
Via AVG kan de klant dus meer controle uitoefen op zijn eigen gegevens.
De 3 belangrijkste rechten van de klant zijn als volgt:
1. Recht op inzage
a. Een klant kan bij een organisatie verzoek doen tot inzage in de
gegevens die organisatie van hem heeft.
2. Recht op vergetelheid
a. Soms kan een klant ook vragen om gegevens te wissen, dan is
de organisatie hiertoe verplicht
3. Recht op Dataportabiliteit
, a. Een klant kan gegevens die een organisatie van hem bezit
opvragen en verwachten dat de organisatie dit doorstuurt naar
zijn nieuwe organisatie. Bijvoorbeeld bij een switchen van
mobiele provider.
Hoofdstuk 1 : Betalen, Sparen en Beleggen
Paragraaf 1 : Hoe werken Financiele Markten?
Sparen = per definitie iets niet uitgeven
Ook wel het reserveren van Geld genoemd
Sparen = een vorm van vermogensopbouw met laag rendement
Ontsparen = het gespaarde geld uitgeven
Beleggen = met geld iets kopen in de hoop dat het in de toekomst meer
waard wordt.
Een belangrijk kenmerk van beleggen is dat het gaat om de verwachting
van de vermogensopbouw. Er is dus geen garantie op extra vermogen.
Daarnaast zijn beleggingen makkelijk verhandelbaar. Beleggingen
hebben over het algemeen een hoger rendement dan spaarrekeningen
maar ook een hoger risico.
Beleggen is een vorm van investeren. Investeringen hebben meestal
betrekking op hogere bedragen. Kenmerkend voor investeringen is dat
met het geld kapitaalgoederen worden gekocht (machines, pand, etc.)
Ook investeren brengt de nodige risico’s met zich mee.
Economische kringloop bestaat ui 4 fases:
1. Consument ontvangt meer loon.
2. Consument koopt meer producten
3. Producenten produceren meer
4. Werkgelegenheid wordt groter
Er zijn 2 soorten huishoudens in deze economische kringloop:
Algemeen
Op je examen moet je minimaal 68% van de te behalen punten halen om
te slagen voor het examen. Het examen vindt op locatie plaats maar wel
op een laptop/computer.
Er zijn 3 thema’s waar de vragen uit bestaan:
1. Kennis en Begrip
a. Per vraag 1 punt
2. Professioneel gedrag
a. Per vraag 2 punten
3. Vaardigheden en Competenties
a. Schetsen daadwerkelijke situaties waar ik iets op moet
toepassen
b. Per vraag 2 punten
Paragraaf 1: Professioneel gedrag van Financieel
Adviseur
Het doel van een dienstverlener (Ik) is het voorzien van advies voor de
klant
Het is belangrijk dat je hier altijd eerlijk en betrouwbaar bij blijft!
Een aantal dingen zijn hierin belangrijk:
- Goed omgaan met vertrouwelijke informatie
- Belangrijk om Pro-actief te handelen
- Empathie tonen
- Geen vaktaal tonen
- Transparantie
Indemniteitsbeginsel = Je mag door schadevergoeding niet beter worden
dan dat je voor de schade was.
, Dooverwijzen naar de juiste persoon
Het is belangrijk om jezelf bij elke vraag die je krijgt af te vragen of jij zelf
bekwaam genoeg bent om de vraag te beantwoorden.
Van advies is sprake als een medewerker een concrete aanbeveling van
een nieuw product doet aan een specifieke klant. Ook het
beantwoorden van klantvragen over de passendheid van een nieuw
product van dus onder het begrip “advies”.
Het hebben van het juiste diploma (diplomaplicht) geldt niet voor het
beantwoorden van inhoudelijke vragen, waarbij geen aanbeveling wordt
gedaan of als deze vragen gaan over een product dat de klant al heeft
afgesloten.
Consumptief Krediet = Is krediet dat wordt gebruikt voor aankopen van
goederen die beperkt houdbaar zijn, zoals; Auto, wasmachine en vakantie.
Doorlopend Krediet = Is een lening met een kredietlimiet waarvan je geld
kan opnemen als je daar behoefte aan hebt. Je betaald alleen rente over
geld dat je hebt opgenomen. Het is een lening zonder einddatum met
variabele rente.
Goederen Krediet = Goederen Krediet is gekoppeld aan een goed.
Bijvoorbeeld een krediet bij een autodealer voor de aanschaf van een
auto.
Paragraaf 2 : Professioneel handelen bij fraudesignalen
Mededelingsplicht = Mededelingsplicht houdt in dat de verzekeringsnemer
alle relevante informatie aan de verzekeraar moet geven. Wordt er iets
verzwogen of wordt ergens over gelogen dan mag de verzeker binnen 2
maanden stoppen.
Klantmedewerkers (Ik) hebben m.b.t. fraude 2 verplichtingen:
- Het doen van klantonderzoek
- Meldplicht bij ongebruikelijke situaties
,UBO (Uiteindelijk belanghebbende) = iedere natuurlijke persoon die meer
dan 25% van de winst- of zeggenschapsrechten in een onderneming heeft.
Een onderneming kan dus meerdere UBO’s hebben.
Objectieve indicatoren die je MOET melden bij ongebruikelijke transacties
zijn als volgt:
- Geldtransfer van 2000,- of meer
- Contante omwisselingen naar andere valuta of van kleinere naar
grotere biljetten van 10.000,- of meer
- Contante stortingen van 10.000,- of meer
- Betalingen met creditcard of prepaid kaart van 15.000,- of meer
- Transacties met landen met onaanvaardbaar risico, zoals Iran of
Noord-Korea
- Witwastransacties die gemeld zijn bij politie of justitie.
Paragraaf 3: Professioneel omgaan met klantgegevens
AVG = Algemene Verordening Gegevensbescherming
Hierin staan regels die gelden voor het verwerken van
persoonsgegevens en zijn de rechten van betrokkenen opgenomen met
betrekking tot hun persoonsgegevens.
Organisatiees mogen gegevens van klanten alleen verwerken om
bepaalde redenen:
1. Met toestemming van de klant
2. De noodzaak voor het sluiten of uitvoeren van een
contract/overeenkomst met de klant.
3. De noodzaak om te voldoen aan een wettelijke verplichting die op de
organisatie rust.
Via AVG kan de klant dus meer controle uitoefen op zijn eigen gegevens.
De 3 belangrijkste rechten van de klant zijn als volgt:
1. Recht op inzage
a. Een klant kan bij een organisatie verzoek doen tot inzage in de
gegevens die organisatie van hem heeft.
2. Recht op vergetelheid
a. Soms kan een klant ook vragen om gegevens te wissen, dan is
de organisatie hiertoe verplicht
3. Recht op Dataportabiliteit
, a. Een klant kan gegevens die een organisatie van hem bezit
opvragen en verwachten dat de organisatie dit doorstuurt naar
zijn nieuwe organisatie. Bijvoorbeeld bij een switchen van
mobiele provider.
Hoofdstuk 1 : Betalen, Sparen en Beleggen
Paragraaf 1 : Hoe werken Financiele Markten?
Sparen = per definitie iets niet uitgeven
Ook wel het reserveren van Geld genoemd
Sparen = een vorm van vermogensopbouw met laag rendement
Ontsparen = het gespaarde geld uitgeven
Beleggen = met geld iets kopen in de hoop dat het in de toekomst meer
waard wordt.
Een belangrijk kenmerk van beleggen is dat het gaat om de verwachting
van de vermogensopbouw. Er is dus geen garantie op extra vermogen.
Daarnaast zijn beleggingen makkelijk verhandelbaar. Beleggingen
hebben over het algemeen een hoger rendement dan spaarrekeningen
maar ook een hoger risico.
Beleggen is een vorm van investeren. Investeringen hebben meestal
betrekking op hogere bedragen. Kenmerkend voor investeringen is dat
met het geld kapitaalgoederen worden gekocht (machines, pand, etc.)
Ook investeren brengt de nodige risico’s met zich mee.
Economische kringloop bestaat ui 4 fases:
1. Consument ontvangt meer loon.
2. Consument koopt meer producten
3. Producenten produceren meer
4. Werkgelegenheid wordt groter
Er zijn 2 soorten huishoudens in deze economische kringloop: