,College 1: De relatie tussen economie en geschiedenis.
De Omvang van Economische Geschiedenis
De economische geschiedenis bestudeert de economie van landen, provincies, regio's en
steden in specifieke periodes. Het vakgebied is echter breder dan alleen geografische
gebieden. Het omvat ook business history, oftewel de geschiedenis van specifieke organisaties
zoals de VOC, Shell of McDonald's, en institutionele geschiedenis van bijvoorbeeld
waterschappen of overheidsdepartementen.
Omdat deze instellingen geld uitgeven, zijn ze relevant voor economisch historici. Daarnaast
wordt er gekeken naar specifieke industrieën (zoals banken of textiel), de rol van technologie
(techniekgeschiedenis) en consumptiepatronen, zoals het gebruik van auto's of kleding.
Ook overheidsbeleid is een belangrijk thema, omdat beleid, of het nu gaat om
crisisbestrijding, milieu of infrastructuur, altijd een financiële component heeft. Tot slot kijkt
men naar het economisch gedrag van mensen op individueel niveau: waarom maken mensen
bepaalde keuzes, zoals de keuze om te gaan studeren in plaats van fulltime te werken? Dit
raakt aan thema's als arbeid, welvaart en levensstandaard.
De Economische Methode en Aannames
De kernvraag van de economie is hoe mensen met beperkte (schaarse) middelen hun
onbeperkte behoeften proberen te bevredigen. Dit speelt zich af op zowel micro-niveau (het
individu) als macro-niveau (de samenleving). De economische methode is hierbij niet alleen
beschrijvend, maar vooral verklarend. Men hanteert vaak het positivisme, een methode
afgeleid uit de natuurwetenschappen die stelt dat objectieve kennis en algemene wetten
mogelijk zijn.
Hierbij wordt gebruikgemaakt van een deductieve aanpak: op basis van aannames komt men
tot conclusies. Een cruciaal model hierin is de Homo Economicus, die gebaseerd is op drie
eigenschappen:
1. Hij is rationeel.
2. Hij handelt uit eigenbelang (self-interested) en negeert groepsbelangen.
, 3. Hij heeft onbeperkte materialistische behoeften, maar beschikt over beperkte
middelen.
Daarnaast gebruiken economen modellen die een simplificatie van de werkelijkheid zijn. Om
deze modellen werkbaar te maken, geldt vaak de ceteris paribus-clausule: de aanname dat
alle variabelen die niet in het model zijn opgenomen, constant blijven en dus niet veranderen.
De Methodenstreit en Historische Scholen
In de tweede helft van de 19e eeuw ontstond de zogenaamde Methodenstreit. Aan de ene
kant stonden de Neoklassieke economen (zoals Marshall en Menger), de opvolgers van
klassieke economen zoals Adam Smith. Zij geloofden in positivisme, deductie en algemene
wetten die altijd waar zijn, zoals de zwaartekracht. Ze ontwikkelden theoretische modellen
waarin de vrije markt centraal stond.
Daartegenover stond de Historische School (met o.a. Gustav Schmoller). Zij stelden dat
kennis subjectief is (historicisme) en dat wetten gebonden zijn aan tijd en plaats; wat voor
Engeland werkt (vrijhandel), werkt misschien niet voor Duitsland. Hun methode was
inductief: eerst data verzamelen en kijken wat er gebeurt, om vervolgens patronen te zoeken.
Uit deze Historische School kwam de Traditionele Economische Geschiedenis voort. Deze
stroming richt zich op het verhaal (het narratief) en het verzamelen van feiten. Verklaringen
voor economische ontwikkelingen worden hier vaak buiten de economie gezocht,
bijvoorbeeld in cultuur of politiek (zoals de goed georganiseerde instituties in de Gouden
Eeuw). Modellen spelen hierin geen rol en cijfers dienen slechts ter illustratie.
Neoklassiek vs. Keynes
Volgens het Neoklassieke perspectief werkt de markt perfect. Vraag en aanbod vinden elkaar
via het prijsmechanisme in een evenwicht. Bij een crisis lost het probleem zichzelf op: als de
prijzen of lonen dalen, neemt de vraag vanzelf weer toe. De overheid moet daarom niet
ingrijpen (laissez-faire), maar alleen zorgen voor een betrouwbaar rechtssysteem en openbare
orde. In deze visie overleven alleen de meest efficiënte bedrijven (survival of the fittest), wat
leidt tot lage kosten en hoge productie.
, Keynes bracht hier verandering in. Hij stelde dat de markt niet altijd perfect functioneert.
Werkloosheid kan hardnekkig zijn omdat lonen niet flexibel zijn (sticky wages), waardoor de
vraag naar arbeid laag blijft. Tijdens een crisis gaan consumenten sparen in plaats van
uitgeven, wat de crisis verergert. Volgens Keynes kan de markt dit op korte termijn niet zelf
oplossen. De overheid moet ingrijpen door de uitgaven te verhogen (government
expenditures) om zo de vraag te stimuleren. Dit leidde tot de opkomst van de econometrie,
waarbij empirische modellen op basis van historische data worden gebruikt om
beleidseffecten te voorspellen.
Uit de PowerPoint