Week 1 – Introductie, Onderzoeksvragen
Hoorcollege 1: Introductie, Onderzoeksvragen
1. Noem de zes kenmerken van een ‘goede’ wetenschappelijke onderzoeksvraag en licht er twee
kort toe met een eigen voorbeeld. Een goede onderzoeksvraag is:
● Helder geformuleerd
● Specifiek
● Meetbaar
● Gerelateerd aan eerdere theorie/onderzoek/literatuur
● Relevant (voegt iets toe aan de literatuur)
● Realistisch
Voorbeelden:
● Specifiek: in plaats van “Hoe ervaren mensen de overheid?” zeg je “Hoe ervaren Nederlandse
jongeren tussen 18 en 25 jaar de communicatie van het RIVM over vaccinaties?”
● Meetbaar: “In welke mate vertrouwen Nederlandse burgers het RIVM?” kun je meten met een
vragenlijst met een schaal voor vertrouwen.
Kwalitatief onderzoek
2. Wat is het belangrijkste doel van kwalitatief onderzoek? Noem er minimaal twee en illustreer
met een voorbeeld.
Kwalitatief onderzoek heeft als doel om verschijnselen te begrijpen, te interpreteren en soms nieuwe
theorie te ontwikkelen. Je probeert vooral diepgang te krijgen in hoe mensen iets ervaren. Een
voorbeeld: je onderzoekt hoe chronisch zieke patiënten de communicatie van hun zorgverzekeraar
beleven door middel van diepte-interviews, om patronen in hun ervaringen te ontdekken.
3. In welke situatie kies je eerder voor kwalitatief onderzoek dan voor kwantitatief onderzoek?
Noem minstens twee omstandigheden. Je kiest eerder voor kwalitatief onderzoek wanneer:
● er weinig bestaande kennis of theorie is over het onderwerp en je eerst wilt verkennen wat er
speelt.
● je de subjectieve beleving, betekenisgeving of ervaringen van mensen wilt begrijpen
(bijvoorbeeld wat “vertrouwen” voor hen betekent).
● de context belangrijk is (bijvoorbeeld hoe in één specifieke organisatie wordt gecommuniceerd).
4. Wat wordt bedoeld met “focus op hoe mensen de wereld ervaren en begrijpen” bij kwalitatief
onderzoek? Licht toe met een voorbeeld.
Daarmee wordt bedoeld dat je wilt weten hoe mensen zelf situaties, gebeurtenissen of organisaties
interpreteren en welke betekenissen zij daaraan geven. Bijvoorbeeld: in plaats van alleen te meten
hoeveel vertrouwen mensen hebben in de gemeente, vraag je in interviews hoe zij contactmomenten
met de gemeente ervaren, welke emoties dat oproept en hoe dat hun vertrouwen beïnvloedt.
5. Welke soorten data worden typisch gebruikt in kwalitatief onderzoek? Leg kort uit waarom
deze datavorm past bij de doelen van kwalitatief onderzoek.
1
,Typische data zijn woorden en observaties, zoals interviewtranscripten, focusgroepverslagen,
veldnotities of documenten. Deze data passen bij het doel om ervaringen, betekenissen en interpretaties
in detail te begrijpen, omdat woorden en beschrijvingen veel nuance en context bevatten.
6. Hoe verhouden theorie en data zich tot elkaar in kwalitatief onderzoek? Beschrijf de rol van
theorie.
In kwalitatief onderzoek is theorie minder strak vooraf bepalend. Vaak begin je met globale concepten of
sensitizing concepts, maar tijdens de dataverzameling en analyse ontwikkel of verfijn je theorie. De data
“praten terug” tegen de theorie: wat je vindt in interviews of observaties kan leiden tot nieuwe ideeën of
aanpassingen van bestaande theorie.
7. Waarom horen kwalitatieve onderzoeksvragen open en exploratief te zijn? Leg uit met een
voorbeeld van een goede kwalitatieve vraag.
Omdat je in kwalitatief onderzoek nog niet precies weet welke categorieën, relaties of betekenissen je
gaat vinden en je deelnemers ruimte wilt geven om hun ervaringen zelf te verwoorden. Een goede open
vraag is bijvoorbeeld: “Hoe ervaren Nederlandse burgers de transparantie van communicatie door het
RIVM tijdens de coronapandemie?” Hier leg je niets vast in antwoordcategorieën en je veronderstelt
geen specifiek effect.
8. Geef drie voorbeeld-beginsels van kwalitatieve onderzoeksvragen (met “Hoe…”, “Wat…”,
“Waarom…”) die passen bij het onderwerp “vertrouwen in publieke organisaties”.
Voorbeelden:
● Hoe ervaren burgers de communicatie van hun gemeente in relatie tot hun vertrouwen in de
gemeentelijke dienstverlening?
● Wat betekent ‘vertrouwen’ in publieke organisaties voor jonge volwassenen in Nederland?
● Waarom ervaren sommige burgers meer vertrouwen in de politie dan anderen, gezien hun
eerdere contacten met de politie?
9. Leg uit waarom de vraag “Hoe beïnvloeden publieke organisaties het vertrouwen van burgers?”
geen goede kwalitatieve onderzoeksvraag is. Noem minstens twee argumenten.
De term “beïnvloeden” suggereert een causaal effect, wat beter past bij kwantitatief, toetsend
onderzoek dan bij kwalitatief, exploratief onderzoek. De vraag is niet specifiek: “publieke organisaties”
en “vertrouwen” zijn erg breed en de context (welke organisatie? welke burgers? welke situatie?) is
onduidelijk.
10. De vraag “Welke rol speelt communicatie door publieke gezondheidsorganisaties in het
vertrouwen van burgers in de aanpak van de coronapandemie?” wordt in de slides “beter”
genoemd dan de vorige. Leg uit waarom.
Deze vraag is specifieker:
● De focus ligt op “communicatie” en op een bepaald type organisaties, namelijk “publieke
gezondheidsorganisaties”, in plaats van alle publieke organisaties.
● De context is afgebakend: het gaat om vertrouwen in de aanpak van de coronapandemie.
2
, ● De formulering “welke rol speelt” is beter passend bij een kwalitatief, definiërend doel dan
“beïnvloeden”.
11. Wat wordt er nóg specifieker gemaakt in de vraag “Welke rol speelt communicatie door het
RIVM in het vertrouwen van Nederlandse burgers in de aanpak van de coronapandemie?” ten
opzichte van de “beter”-versie?
● De organisatie wordt concreet: niet meer “publieke gezondheidsorganisaties” in het algemeen,
maar specifiek “het RIVM”.
● De onderzoekspopulatie wordt duidelijk: “Nederlandse burgers” in plaats van “burgers” in het
algemeen.
Daardoor is de vraag scherper afgebakend en beter uitvoerbaar.
12. Formuleer zelf een kwalitatieve onderzoeksvraag over vertrouwen in een andere publieke
organisatie (bijv. gemeente, politie, GGD) en zorg dat deze voldoet aan de kenmerken van een
goede kwalitatieve vraag.
“Hoe ervaren inwoners van Amsterdam de communicatie door de gemeente over buurtveiligheid in
relatie tot hun vertrouwen in de gemeentelijke overheid?” Deze vraag is open (“Hoe”), duidelijk over
populatie (inwoners van Amsterdam), organisatie (gemeente) en context (buurtveiligheid en
vertrouwen).
Kwantitatief onderzoek
13. Wat is het belangrijkste doel van kwantitatief onderzoek? Noem minimaal twee elementen.
Kwantitatief onderzoek is gericht op:
● het toetsen van verwachtingen of theorieën (bijvoorbeeld hypothesen over relaties tussen
variabelen)
● het verklaren van variaties (bijvoorbeeld waarom de ene groep meer vertrouwen heeft dan de
andere)
● het generaliseren van bevindingen naar een grotere populatie op basis van numerieke data.
14. In welke situaties kies je eerder voor kwantitatief onderzoek dan voor kwalitatief onderzoek?
Geef minstens twee voorbeelden.
Je kiest eerder voor kwantitatief onderzoek wanneer:
● je een bestaande theorie of hypothese wilt toetsen (bijvoorbeeld: “meer transparante
communicatie leidt tot hoger vertrouwen”).
● je wilt weten “in welke mate” iets voorkomt, hoe sterk een relatie is of of er een verschil is tussen
groepen (bijvoorbeeld tussen leeftijdsgroepen of regio’s).
● je wilt resultaten kunnen generaliseren naar een grote populatie, bijvoorbeeld alle Nederlandse
burgers.
15. Welke rol speelt bestaande theorie in kwantitatief onderzoek bij het formuleren van
onderzoeksvragen en hypothesen?
In kwantitatief onderzoek stuurt de bestaande theorie de formulering van de onderzoeksvraag en de
opstelling van hypothesen. Eerst kijk je naar wat eerdere studies en theorieën voorspellen, vervolgens
3
, formuleer je een toetsbare onderzoeksvraag (bijvoorbeeld over de relatie tussen X en Y) en daaruit
afgeleide hypothesen (bijvoorbeeld: “H1: Meer transparante communicatie hangt samen met hoger
vertrouwen in het RIVM.”).
16. Welke typen formuleringen komen vaak voor in kwantitatieve onderzoeksvragen? Leg kort uit
wat bedoeld wordt met: beschrijvend, vergelijkend, relationeel.
● Beschrijvend (“in welke mate”): je wilt de omvang of sterkte van een verschijnsel beschrijven,
bijvoorbeeld “In welke mate vertrouwen Nederlandse burgers het RIVM?”
● Vergelijkend (verschil): je vergelijkt groepen, bijvoorbeeld “Is er een verschil in vertrouwen in
het RIVM tussen jongeren en ouderen?”
● Relationeel (samenhang/effect): je onderzoekt relaties tussen variabelen, bijvoorbeeld “Wat is
de relatie tussen communicatietransparantie door het RIVM en het vertrouwen van burgers?”
17. Waarom zijn meetbare variabelen (X, Y, M, W, etc.) zo belangrijk in kwantitatief onderzoek?
Omdat kwantitatief onderzoek werkt met cijfers en statistiek, moeten de begrippen die je bestudeert
(zoals vertrouwen, transparantie, angst) worden omgezet in meetbare variabelen. Alleen als je ze
meetbaar maakt (bijvoorbeeld via een schaal in een vragenlijst), kun je relaties, verschillen en effecten
kwantitatief analyseren en hypothesen toetsen.
18. Beschrijf een direct verband tussen twee variabelen (X en Y) en formuleer een bijpassende
onderzoeksvraag.
Direct verband: je veronderstelt dat één
variabele direct samenhangt met een andere.
Voorbeeld: X = communicatietransparantie van
het RIVM, Y = vertrouwen van Nederlandse
burgers in het RIVM.
Onderzoeksvraag: “Wat is de relatie tussen de ervaren communicatietransparantie van het RIVM en het
vertrouwen van Nederlandse burgers in het RIVM?”
19. Wat is een moderatie-relatie? Leg uit aan de hand van X, Y en M en formuleer een
voorbeeldvraag.
Bij moderatie beïnvloedt een derde variabele M de sterkte of richting van de relatie tussen X en Y. De
relatie tussen X en Y is dus verschillend voor verschillende waarden van M.
Voorbeeld:
X = transparantie van communicatie
Y = vertrouwen in het RIVM
M = opleidingsniveau
Onderzoeksvraag: “Verschilt de relatie tussen ervaren communicatietransparantie van het RIVM en
vertrouwen in het RIVM afhankelijk van het opleidingsniveau van burgers?”
4