1 Hoe onze hersenen en onze erfelijkheid
werken
1.1 Inleiding
De frontale cortex speelt een belangrijke rol bij de beleving van emoties.
De frontale cortex kan worden beschadigd door een ongeluk, een tumor of
herseninfarct. Als dit gebeurt kan de persoon blijven bewegen, taal gebruiken,
objecten herkennen en nieuwe informatie onthouden. Het vermogen om deze
vaardigheden af te stemmen op elkaar is echter weg. Hierdoor kan er een
persoonlijkheidsverandering of emotionele ontregeling plaatsvinden. Deze
verandering door de beschadiging aan de hersenen valt onder een NAH (niet-
aangeboren hersenletsel).
Het zenuwstelsel bestaat uit 2 delen:
- het centrale zenuwstelsel
- Perifeer zenuwstelsel
Het hele zenuwstelsel bij elkaar bestaat uit: de hersenen, het ruggenmerg en
alle zenuwuiteinden en zenuwbanen in de rest van ons lichaam. De taak van
het zenuwstelsel is om signalen te versturen van en naar de hersenen over wat
jouw lichaam waarneemt.
-> vinger verbrand, je zenuwuiteinde stuurt een signaal via je zenuw door je
ruggenmerg naar de hersenen. Je hersenen sturen vervolgens de opdracht
naar je arm om zich zo snel mogelijk terug te trekken van het vuur.
Het centrale zenuwstelsel bestaat uit de hersenen en het ruggenmerg
(het midden van het zenuwstelsel).
Het perifeer zenuwstelsel bestaat uit een netwerk van
zenuwbanen en zenuwuiteinden. (aan de zijkanten van het
lichaam)
De groei en het onderhoud van de hersenen vragen heel wat benodigdheden.
Zo gebruiken de hersenen 20% van het zuurstof wat we inademen, en 25% van
de energie die wij uit eten en drinken halen. Ook stroomt er continu 20% van al
ons bloed door de hersenen om afvalstoffen af te voeren en bouwstoffen aan te
voeren. Nadeel van grote hersenen: moeilijke bevalling. Mensenbaby’s worden
,prematuur geboren en de mens kent de langste kindertijd in vergelijking met
andere diersoorten.
Als we de hersenen bekijken, zien we hersenschors (buitenkant van grote
hersenen). Wij hebben 2 hersenhelften. Het hersenschors heeft een grote
oppervlakte, maar dit lijkt niet zo omdat het opgevouwen in ons hoofd zit. In
het hersenschors bevinden zich meer hersencellen en verbindingen tussen
hersencellen dan bij andere zoogdieren. Er zijn hierdoor meer mogelijkheden.
De hersenen bestaan uit 3 onderdelen. De grote hersenen, de kleine hersenen
en de hersenstam.
De grote hersenen zijn het grootste deel van het geheel. Het buitenste
gedeelte heet het hersenschors of cortex. De hersenschors bij de mens is zo
omvangrijk, dat het mogelijk is om bijvoorbeeld te kunnen praten, denken over
denken en fantaseren. Bij dieren is de hersenschors ook aanwezig, maar is
deze minder omvangrijk.
De kleine hersenen bevinden zich onder en achteraan de hersenen. Deze
worden ook wel het cerebellum genoemd. Deze bestaan ook uit 2 helften. De
kleine hersenen zorgen voor het coördineren van bewegingen en evenwicht
houden. Als de kleine hersenen beschadigd zijn, dan zijn de bewegingen
minder gecoördineerd (E.).
De hersenstam is de verbinding tussen de grote hersenen, de kleine hersenen
en het ruggenmerg. De hersenstam is verantwoordelijk voor de
volautomatische handelingen. Dit zijn handelingen die gebeuren zonder dat je
erbij stilstaat (kleiner en groter worden van pupillen, hartslag, ademen).
Het hersenschors bestaat uit 2 delen: de linker- en rechterhersenhelft. Deze
helften bestaan weer uit 4 kwabben:
1 frontaalkwabben -> denken, plannen, schrijven, stemming
2 parietaalkwabben -> leren, rekenen, voelen
3 slaapkwabben -> geluid, geheugen
4 achterhoofdskwabben -> zien
Al deze kwabben werken samen.
De frontaalkwabben hebben de regie over de andere hersendelen. De
frontaalkwabben zijn in vergelijking met dierenfrontaalkwabben groot.
De slaapkwabben zorgen voor het onthouden en herkennen van dingen. Hier
worden ook herinneringen opgeslagen.
De parietaalkwabben zijn actief bij waarnemingen die je lichaam registreert
(temperatuur, pijn, tast). Ook zijn ze actief bij rekenen en lezen.
De achterhoofdkwabben houden zich bezig met wat je ziet. Dus het
waarnemen van afbeeldingen, of het herkennen van een gezicht.
De hersenschors bestaat uit 2 hersenhelften. Het linkerdeel stuurt de
rechterkant van het lichaam aan, en het rechterdeel stuurt de linkerkant van
het lichaam aan. Beide helften zijn nodig om te kunnen functioneren.
De hersenhelften worden verbonden door de hersenbalk (ook wel corpus
callosum). De linkerhelft is bij veel mensen verantwoordelijk voor problemen
oplossen, rekenen, spraak, taal. De rechterhelft voor ruimtelijk inzicht,
creativiteit en muziek maken. Problemen met spraak wijzen meestal op een
herseninfarct in de linkerhersenhelft.
Als de hersenbalk word doorgesneden kunnen de 2 hersenhelften niet meer
samenwerken. Hierdoor kunnen de beelden die je waarneemt met je
,rechteroog, niet verwoorden in woorden. Dit komt omdat het verwoorden van
het beeld plaatsvind in het linker deel van je hersenen. En de beelden kunnen
niet verstuurd worden naar je linkerdeel.
Bij een dwarslaesie is het ruggenmerg beschadigd (oorzaak: ongeluk of
ontsteking). Hoe hoger de dwarslaesie, hoe groter de negatieve gevolgen.
1.8 Hoe dacht men vroeger en hoe denk men nu over de relatie tussen
erfelijke aanleg en omgevingsinvloeden?
Het debat over nature en nurture:
er zijn al veel wetenschappelijke onderzoeken gedaan naar nature en nurture.
In de jaren 70 en 80 werd er veel nadruk gelegd op nurture, dus de omgeving.
In die tijd geloofde men dat een stimulerende positieve omgeving een persoon
erg zouden beïnvloeden. In de jaren 90 neigde men juist weer naar de nature
kant. Volgens hen zouden alleen extreme invloeden een persoon kunnen
veranderen.
Nieuwe visies op relatie tussen nature en nurture:
Inmiddels weten we dat beide factoren een rol spelen bij het ontstaan van
gedrag. De invloed van erfelijkheid of omgeving speelt een rol in de
ontwikkeling van een persoon.
Er is vaak een combinatie nodig van aanleg en een stimulerende omgeving.
Gen-omgevingscorrelatie -> de samenhang van aanleg en een stimulerende
omgeving.
3 soorten gen-omgevingscorrelaties die op verschillende leeftijden actief zijn:
1 Het passieve gen-omgevingsverband:
biologische ouders bieden onbewust een passende opvoeding aan, bij de
genen die het kind heeft. Hierdoor zal het kind in de omgeving makkelijk tot
ontplooiing komen.
2 evocatief gen-omgevingsverband:
kinderen met genetisch gevormde eigenschappen lokken met hun gedrag
bepaalde reacties van hun omgeving uit. Vb; vrolijke kinderen krijgen vaak
positieve aandacht. Verlegen kinderen krijgen minder positieve aandacht
wegens hun wat moeilijker te benaderen karakter. Door dit evocatief gen-
omgevingsverband kunnen deze genetisch gevormde eigenschappen
versterken bij het kind.
3 Het actieve gen-omgevingsverband:
Dit is een relatie die op latere leeftijd optreed, als de persoon zelf in staat is om
een omgeving uit te kiezen die bij hem past. Zo kan een muzikaal persoon een
muzikale opleiding gaan volgen, of zich aansluiten bij een orkest.
Gen-omgevingsinteractie:
gen-omgevingsinteractie -> door bepaalde situaties wordt de effectiviteit van
de werking van genen beïnvloed.
Dus door een bepaalde situatie, kan een persoon specifiek gedrag gaan
vertonen. Wat deze persoon in een andere situatie niet had gedaan. Er wordt
op zo’n moment dan een bepaald gen ‘aangezet’.
Samenvatting h1:
onze hersenen bestaan uit zenuwcellen en gliacellen.
Functie zenuwcellen: verspreiden van informatie en opslaan en bewerken van
informatie.
, Functie gliacellen: bieden van stevigheid, aan en afvoeren voedingstoffen en
afvalstoffen, het aanbrengen van myeline en waarschijnlijk ook het verplaatsen
van informatie.
Menselijke hersenen hebben in verhouding tot hun lichaam hele zware
hersenen. Door deze omvangrijke hersenen is de mens goed in
probleemoplossen, samenwerken, communiceren en elkaar inschatten.
Dit word de hypothese van het sociale brein genoemd.
De menselijke hersenen hebben in verhouding tot andere diersoorten een
grote frontaalkwab. Hierdoor hebben wij het vermogen om goed te kunnen
plannen, organiseren en ons gedrag te controleren.
Ons perifeer zenuwstelsel ( de kleine zenuwbanen die lopen vanuit het centraal
zenuwstelsel naar onze spieren, organen en zintuigen) bevat 2 hoofdgroepen:
1 somatisch zenuwstelsel: staat onder controle van onze wil -> gecontroleerde
bewegingen
2 autonoom zenuwstelsel: werkt buiten onze wil -> hartslag
Het autonoom zenuwstelsel kan weer worden opgedeeld in 2 onderdelen:
- sympathisch zenuwstelsel -> belangrijk bij activiteit en snel handelen
- parasympathisch zenuwstelsel -> belangrijk bij rust en herstel.
Onze erfelijke aanleg is opgeslagen in ons DNA. Dit DNA bestaat weer uit
genen. Deze genen maken eiwitten aan. Het DNA en zijn genen liggen op
chromosomen. Een mens heeft 23 chromosomen. Erfelijke eigenschappen
kunnen dominant of recessief zijn.
Om het ontstaan van een kenmerk te begrijpen moeten we kijken naar de
interactie tussen een erfelijke aanleg en de kenmerken van een omgeving.