Filosofie, wetenschap en vrije markt
Hoorcollege 1 - Wat is wetenschapsfilosofie?
Boek: Samir Okasha - Philosophy of science - chapter 1 ‘What is science’
Wat is filosofie?
Wat is het niet of zou het toch niet mogen zijn:
→ Obscure theorieën vanuit een ivoren toren
→ Poëtische bedenkingen bij de zin van het leven
Wat is het wel:
- Een manier dan denken
- Rationeel
- (Radicaal) kritisch
- Breed vizier
Wat is het nut van filosofie?
- Verhelderen
- In vraag stellen
- Breder kijken
Kritisch denken
● Welke systematische redeneerfouten maken we?
● Waarom is dat zo?
● Wat zijn de gevolgen van systematische redeneerfouten?
● Hoe kunnen we ons wapenen tegen die denkfouten?
● Hoe beschermt de wetenschappelijke context en methode tegen die denkfouten?
Pseudowetenschappen zijn theorieën en praktijken die wetenschappelijk kunnen lijken, maar
dat eigenlijk niet zijn.
,Hoorcollege 2 - Voorspelbaar irrationeel
Wat is kritisch denken?
- Rationeel denken
- Betrouwbaarheid van overtuigingen koppelen aan een reflectie over hoe die
overtuigingen tot stand zijn gekomen
- Autonoom denken
- Niet gebaseerd op traditie of autoriteit
Wat is kritisch denken niet?
- Negatief denken
- Sceptisch denken
- Intelligent denken
- Goed geïnformeerd denken
Doel van kritisch denken: tot betrouwbare overtuigingen komen en betrouwbare van
onbetrouwbare overtuigingen onderscheiden. En dat moet aangeleerd worden (het komt niet
vanzelf). Niemand, hoe intelligent die ook mag zijn, is immuun voor irrationaliteit.
Het nut van kritisch denken
We nemen dagelijks talloze beslissingen op basis van informatie. We zijn nog nooit zo
afhankelijk geweest van informatie. Maar aan waninformatie is er geen gebrek, onzin baart
meer onzin.
Waarom onzin moeilijk te ontmaskeren is?
Lijkt enkel vreemd van buitenaf, want die onzinnige overtuigingen zijn vervat in een coherent
wereldbeeld. Intuïtie of gezond verstand volstaat niet: veelal zijn deze zelfs de bron van
irrationaliteit.
Drie vuistregels
1. Eis externe (niet psychologische) ondersteuning voor overtuigingen
Buitengewone overtuigingen vragen buitengewoon sterk bewijs
2. Occam’s scheermes: de meest economische / spaarzame verklaring is de meest
waarschijnlijke
3. We moeten op ons hoede zijn voor cognitieve valkuilen / illusies: ze zijn
systematisch, blijven en universeel
Vraagstuk 1: Het ‘Linda’ probleem - Linda is 31 jaar oud, alleenstaand, openhartig en heel
intelligent. Ze heeft een diploma filosofie op zak. Als studente was ze heel begaan met
kwesties van discriminatie en sociale rechtvaardigheid en nam ze ook deel aan
anti-nucleaire betogingen
Welke van de twee alternatieven is het meest waarschijnlijk?
1. Linda is een bankbediende
2. Linda is een bankbediende en actief in de feministische beweging.
Het antwoord is 1. Als we logisch nadenken zien we in dat bewering 2 niet waarschijnlijker
kan zijn dan bewering 1, aangezien 2 een deelverzameling is van 1. In een studie van de
psychologen bleek dat 85% van de ondervraagde bewering 2 als antwoord geeft. De reden
, hiervoor is dat bewering 2 beter past bij de beschrijving van Linda, maar statistisch gezien
kan 2 nooit waarschijnlijker zijn dan 1. Intuïtief zijn we heel slecht in kansberekening
Vraagstuk 2: De ‘base rate fallacy’ - Maarten is een alleenstaande man van 45. Hij is
introvert en leest heel graag. Wat is waarschijnlijker: Maarten is een bibliothecaris (A) of
Maarten is een verkoper (B)?
Het antwoord is B en de reden daarvoor is dat er veel meer verkopers zijn dan
bibliothecarissen (ongeveer 100 keer meer). Daarom is het, ondanks de karakterbeschrijving
van Maarten, nog altijd veel waarschijnlijker dat hij verkoper is. Het gegeven dat er veel
meer verkopers dan bibliothecarissen zijn die niet in rekenschap brengen is een voorbeeld
van de ‘base rate fallacy’ of ‘base rate blindness’. De ‘base rate’ verwijst naar de
voorafgaande kans of waarschijnlijkheid (‘probability’). In dit voorbeeld is de ‘base rate’ het
aantal bibliothecarissen in de wereld gedeeld door het aantal verkopers, dus 1 op 100. Dat
cijfer moeten we ook in rekenschap brengen, niet enkel Maartens karakterbeschrijving.
Vraagstuk 3: De ‘base rate fallacy’- 1 persoon op 10000 lijdt aan een zeldzame, dodelijke
ziekte. Een dokter ontwikkelt een test om de ziekte te detecteren. De test heeft een vals
positief percentage van 0.5%. Dat wil zeggen dat 99.5% van de mensen die positief testen
de ziekte hebben. Aangezien de test goedkoop is en heel accuraat, beslist de regering om
iedereen gratis te laten testen. Jouw test komt positief terug. Wat is de kans dat je aan de
ziekte lijdt?De meesten antwoorden hier 99,5%. Het cijfer ligt veel lager. Het is slechts 2%
want de base rate moet ook in rekening gebracht worden: slechts 1 op 10.000 lijdt aan de
ziekte. De kans bij een positieve test dat het een vals positief is (0,5%) is veel groter (50
maal groter – vandaar die 2%) dan dat je tot de groep zieken behoort (0.01%).
Vraagstuk 4: Het verjaardagsprobleem - Uit hoeveel mensen moet een groep bestaan
opdat de kans dat er twee mensen dezelfde verjaardag hebben, groter is dan de kans dat dit
niet het geval is?
Het verrassende antwoord is 23. Bij een groep van 57 mensen is de kans al tot 99%
toegenomen! Een statistische berekening toont dit aan, maar intuïtief denken we dat het
aantal veel hoger ligt.
Vraagstuk 5: Exponentieel denken - Elke dag verdubbelt een lelie van omvang. Na 40
dagen bedekt het de hele vijver, wanneer bedenkt het de helft van de vijver? Na 39 dagen
(niet na 20 dagen zoals we soms geneigd zijn onmiddellijk te antwoorden, omdat we lineair
en niet exponentieel redeneren).
Vraagstuk 6: De ‘availability bias’ - Welke kans is groter, dat je sterft door een haai aanval
of doordat je geraakt wordt door een losgekomen onderdeel van een vliegtuig? In de
Verenigde Staten is de kans 30 maal groter dat je door een losgekomen onderdeel van een
vliegtuig sterft dan door een haai aanval, maar aangezien haaiaanvallen veel meer
media-aandacht krijgen (en meer tot de verbeelding spreken) zijn we geneigd het tweede te
denken. Dat staat bekend als de ‘availability bias’. We overschatten de waarschijnlijkheid dat
iets zich zal voordoen wanneer het gemakkelijk voor de geest te halen is (zie appendix).
Hoorcollege 1 - Wat is wetenschapsfilosofie?
Boek: Samir Okasha - Philosophy of science - chapter 1 ‘What is science’
Wat is filosofie?
Wat is het niet of zou het toch niet mogen zijn:
→ Obscure theorieën vanuit een ivoren toren
→ Poëtische bedenkingen bij de zin van het leven
Wat is het wel:
- Een manier dan denken
- Rationeel
- (Radicaal) kritisch
- Breed vizier
Wat is het nut van filosofie?
- Verhelderen
- In vraag stellen
- Breder kijken
Kritisch denken
● Welke systematische redeneerfouten maken we?
● Waarom is dat zo?
● Wat zijn de gevolgen van systematische redeneerfouten?
● Hoe kunnen we ons wapenen tegen die denkfouten?
● Hoe beschermt de wetenschappelijke context en methode tegen die denkfouten?
Pseudowetenschappen zijn theorieën en praktijken die wetenschappelijk kunnen lijken, maar
dat eigenlijk niet zijn.
,Hoorcollege 2 - Voorspelbaar irrationeel
Wat is kritisch denken?
- Rationeel denken
- Betrouwbaarheid van overtuigingen koppelen aan een reflectie over hoe die
overtuigingen tot stand zijn gekomen
- Autonoom denken
- Niet gebaseerd op traditie of autoriteit
Wat is kritisch denken niet?
- Negatief denken
- Sceptisch denken
- Intelligent denken
- Goed geïnformeerd denken
Doel van kritisch denken: tot betrouwbare overtuigingen komen en betrouwbare van
onbetrouwbare overtuigingen onderscheiden. En dat moet aangeleerd worden (het komt niet
vanzelf). Niemand, hoe intelligent die ook mag zijn, is immuun voor irrationaliteit.
Het nut van kritisch denken
We nemen dagelijks talloze beslissingen op basis van informatie. We zijn nog nooit zo
afhankelijk geweest van informatie. Maar aan waninformatie is er geen gebrek, onzin baart
meer onzin.
Waarom onzin moeilijk te ontmaskeren is?
Lijkt enkel vreemd van buitenaf, want die onzinnige overtuigingen zijn vervat in een coherent
wereldbeeld. Intuïtie of gezond verstand volstaat niet: veelal zijn deze zelfs de bron van
irrationaliteit.
Drie vuistregels
1. Eis externe (niet psychologische) ondersteuning voor overtuigingen
Buitengewone overtuigingen vragen buitengewoon sterk bewijs
2. Occam’s scheermes: de meest economische / spaarzame verklaring is de meest
waarschijnlijke
3. We moeten op ons hoede zijn voor cognitieve valkuilen / illusies: ze zijn
systematisch, blijven en universeel
Vraagstuk 1: Het ‘Linda’ probleem - Linda is 31 jaar oud, alleenstaand, openhartig en heel
intelligent. Ze heeft een diploma filosofie op zak. Als studente was ze heel begaan met
kwesties van discriminatie en sociale rechtvaardigheid en nam ze ook deel aan
anti-nucleaire betogingen
Welke van de twee alternatieven is het meest waarschijnlijk?
1. Linda is een bankbediende
2. Linda is een bankbediende en actief in de feministische beweging.
Het antwoord is 1. Als we logisch nadenken zien we in dat bewering 2 niet waarschijnlijker
kan zijn dan bewering 1, aangezien 2 een deelverzameling is van 1. In een studie van de
psychologen bleek dat 85% van de ondervraagde bewering 2 als antwoord geeft. De reden
, hiervoor is dat bewering 2 beter past bij de beschrijving van Linda, maar statistisch gezien
kan 2 nooit waarschijnlijker zijn dan 1. Intuïtief zijn we heel slecht in kansberekening
Vraagstuk 2: De ‘base rate fallacy’ - Maarten is een alleenstaande man van 45. Hij is
introvert en leest heel graag. Wat is waarschijnlijker: Maarten is een bibliothecaris (A) of
Maarten is een verkoper (B)?
Het antwoord is B en de reden daarvoor is dat er veel meer verkopers zijn dan
bibliothecarissen (ongeveer 100 keer meer). Daarom is het, ondanks de karakterbeschrijving
van Maarten, nog altijd veel waarschijnlijker dat hij verkoper is. Het gegeven dat er veel
meer verkopers dan bibliothecarissen zijn die niet in rekenschap brengen is een voorbeeld
van de ‘base rate fallacy’ of ‘base rate blindness’. De ‘base rate’ verwijst naar de
voorafgaande kans of waarschijnlijkheid (‘probability’). In dit voorbeeld is de ‘base rate’ het
aantal bibliothecarissen in de wereld gedeeld door het aantal verkopers, dus 1 op 100. Dat
cijfer moeten we ook in rekenschap brengen, niet enkel Maartens karakterbeschrijving.
Vraagstuk 3: De ‘base rate fallacy’- 1 persoon op 10000 lijdt aan een zeldzame, dodelijke
ziekte. Een dokter ontwikkelt een test om de ziekte te detecteren. De test heeft een vals
positief percentage van 0.5%. Dat wil zeggen dat 99.5% van de mensen die positief testen
de ziekte hebben. Aangezien de test goedkoop is en heel accuraat, beslist de regering om
iedereen gratis te laten testen. Jouw test komt positief terug. Wat is de kans dat je aan de
ziekte lijdt?De meesten antwoorden hier 99,5%. Het cijfer ligt veel lager. Het is slechts 2%
want de base rate moet ook in rekening gebracht worden: slechts 1 op 10.000 lijdt aan de
ziekte. De kans bij een positieve test dat het een vals positief is (0,5%) is veel groter (50
maal groter – vandaar die 2%) dan dat je tot de groep zieken behoort (0.01%).
Vraagstuk 4: Het verjaardagsprobleem - Uit hoeveel mensen moet een groep bestaan
opdat de kans dat er twee mensen dezelfde verjaardag hebben, groter is dan de kans dat dit
niet het geval is?
Het verrassende antwoord is 23. Bij een groep van 57 mensen is de kans al tot 99%
toegenomen! Een statistische berekening toont dit aan, maar intuïtief denken we dat het
aantal veel hoger ligt.
Vraagstuk 5: Exponentieel denken - Elke dag verdubbelt een lelie van omvang. Na 40
dagen bedekt het de hele vijver, wanneer bedenkt het de helft van de vijver? Na 39 dagen
(niet na 20 dagen zoals we soms geneigd zijn onmiddellijk te antwoorden, omdat we lineair
en niet exponentieel redeneren).
Vraagstuk 6: De ‘availability bias’ - Welke kans is groter, dat je sterft door een haai aanval
of doordat je geraakt wordt door een losgekomen onderdeel van een vliegtuig? In de
Verenigde Staten is de kans 30 maal groter dat je door een losgekomen onderdeel van een
vliegtuig sterft dan door een haai aanval, maar aangezien haaiaanvallen veel meer
media-aandacht krijgen (en meer tot de verbeelding spreken) zijn we geneigd het tweede te
denken. Dat staat bekend als de ‘availability bias’. We overschatten de waarschijnlijkheid dat
iets zich zal voordoen wanneer het gemakkelijk voor de geest te halen is (zie appendix).