De student kent de opbouw van dierlijke cellen:
Organellen: alle celstructuren die door een membraam omgeven zijn.
- 4 Kernlichaampje (nucleolus): productie van ribosomen
- 1 Chromatine: een draadvormige structuur in de celkern dat bestaat
uit DNA en eiwitten genaamd histonen. De histonen zijn
verantwoordelijk voor het oprollen van het DNA. Als de celkern gaat
delen wordt dit chromatine zichtbaar in de vorm van draadachtige
structuren: de chromosomen.
o Euchromatine: chromatine dat actief is in de transcriptie
o Heterochromatine: inactieve chromatine
- 1 Celkern (nucleus): bevat erfelijke informatie van een organisme in
de vorm van genen. Deze genen bestaan uit DNA. Met de erfelijke
informatie bestuurt de kern de celprocessen. In de celkern wordt DNA
door middel van transcriptie omgezet tot mRNA.
- 2 Kernmembraam/nuclear envelope: bescherming
- 3 Kernporie: laten mRNA en ribosomen door vanuit de kern waar de
mRNA ribosomen tegenkomt
- 6 Ribosomen: zetten het mRNA door middel van translatie om tot
een eiwit. Ze zijn verbonden met het ruwe ER maar liggen ook vrij in
het celplasma.
- 9 Ruwe endoplasmatisch reticulum: hier zitten veel ribosomen aan
vast. Het speelt een rol bij het transport van eiwitten in blaasjes
(membramen) naar het golgi
- 10 glad endoplasmatisch reticulum: synthese van vetten en
ontgiften van stoffen.
- 11 Golgi-syteem/apparaat: vouwt het gekregen eiwit om tot
functionele structuren/eiwitten en brengt het naar het celmembraan.
- 7 mitochondrium: verantwoordelijk voor de productie van ATP:
glucose + O2 ATP + CO2 + H2O. Ze bezitten hun eigen DNA,
mitochondriaal DNA, dat informatie bevat voor het maken van
verschillende soorten eiwitten.
- 8 lysosoom: zorgt voor de recycling van eiwitten binnen de cel
- 5 cytoplasma: plasma in de cel
- cytoskelet: het geheel aan draadachtige structuren die structuur
geven aan de cel.
o Microtubuli: dunne buisjes die de vorm van de cel handhaven, een
rol spelen bij vormverandering en de verplaatsing van organellen.
Dit is zichtbaar als cytoplasmastroming; het stromen van
cytoplasma in de cel om stoffen te vervoeren. Bovendien spelen ze
een rol bij transport met behulp van motoreiwitten. Deze pakken
de te vervoeren onderdelen op en slepen ze langs microtubuli naar
bestemming door te “lopen”.
o microfilamenten/actinefilamenten: nog dunnere draden die
zorgen voor bewegingen zoals het vormen van membraamblaasjes.
o Intermediate filaments: geven de meeste steun aan de cel
- 12 celmembraam: scheidt het inwendige van de cel van zijn
omgeving.
,- 13: centriolen: spelen een rol bij de celdeling
- 17: centrosomen:
- 14: secretoire vesicles: kleine blaasjes die stoffen, zowel binnen als
buiten de cel, afgeven
- 15 cilia (trilhaar): sensoren / beweging
- 16 peroxisomen: blaasvormige organellen met enzymen voor
splitsing van vetzuren
De student kan de bouw van het celmembraan omschrijven:
1.Koolhydraatketens: zorgt voor herkenning van de cel en zorgt ervoor
dat cellen in elkaar kunnen haken en weefsels kunnen vormen.
2. Membraaneiwit
3. Membraamporie/porie-eiwitten: staan altijd open en laten water
door d.m.v. diffusie
4. Fosfolipidenlaag: bestaat uit een kop (hydrofiel) en een staart
(hydrofoob),
5. Cholesterolmoleculen: geven stevigheid aan het celmembraan
6. Lipide (vetgroep): hydrofoob ; staart
7. Fosfaatgroep: hydrofiel ; kop
8. Dubbele fosfolipidenlaag: bestaat uit een kop en een staart waarbij
de staarten naar elkaar toe zijn gericht. Dit is tevens de reden dat er geen
diffusie van water kan plaatsvinden
De student kent het verschil tussen prokaryoten en eukaryoten:
Prokaryoten (pro = eerder, eerder dan eukaryoot): eencelligen zonder celkern maar
wel celwand
o Bacterie: DNA en RNA vrij in cytoplasma, geen organellen, klein,
voortplanting door deling en veelal anaeroob
Eukaryoten: een-of meercellige met celkern + DNA erin, organellen en
aeroob
o Dierlijke cellen: heterotroof, geen celwand
o Plantaardige cellen: autotroof, celwand, aanwezigheid
bladgroenkorrel en vacuole
o Schimmels: eencellig, wel een celwand en heterotroof
De student kent de opbouw van DNA:
DNA: een polymeer van twee heel lange ketens nucleotiden.
Nucleotiden: bouwstenen van DNA en RNA. Elke nucleotide bestaat uit
een suiker (deoxyribose), een fosfaatgroep en een base. Van de base
bestaan er vier soorten en twee groepen complementaire basen:
- Adenine (A) & Thymine (T) (2 H-bruggen)
- Cytosine (C) & Guanine (G) (3 H-bruggen)
Aan elke suiker is een base verbonden. Er zijn in totaal dus vier
verschillende nucleotiden te vinden. De suikermoleculen zijn onderling met
elkaar verbonden d.m.v. fosfaatgroepen. De basen onderling worden met
elkaar verbonden d.m.v. H-bruggen.
- Aan het vijfde C-atoom (5’) van de suikergroep, bevindt zich de
fosfaatgroep.
,- Aan het derde C-atoom (3’) van de suikergroep, bevindt zich de OH-
groep
- een 5’ staat tegenover een 3’ in de dubbele keten. De richting van de
ene streng is dus altijd tegengesteld aan die van de andere streng.
de student kent de opbouw van RNA:
RNA: vaak een enkelvoudige DNA streng. Het bestaat uit de base uracil
(U) in plaats van thymine (T), waarbij U zich aan A bindt en bevat als de
suikergroep ribose in plaats van deoxyribose. Er zijn vier verschillende
soorten RNA:
- mRNA (messenger): een molecuul dat de informatie van DNA
overbrengt naar de ribosomen die het bedoelde eiwit kunnen
synthetiseren.
- rRNA (ribosomaal): wordt gebruikt om mRNA te binden.
- tRNA (transfer): transport van aminozuren om eiwitten te vormen.
- mi(cro)RNA: beïnvloeden genexpressie en translatie door te binden
aan mRNA
o remming van translatie
o afbraak van het mRNA
De student kan de replicatie (verdubbeling) van DNA weergeven:
1. DNA-dubbelspiraal wordt op verschillende plaatsen opengeritst door het
enzym helicase. Dit enzym verbreekt de waterstofbruggen tussen de
basen. Dit is makkelijker bij twee waterstofbruggen dan bij drie.
2. De plaats waar het openritsen begint, ziet er uit als een Y-vormige
structuur en wordt de replicatievork genoemd.
3. Primase maakt primers, stukjes RNA, die het startpunt zijn voor DNA-
polymerase.
a. Leidende streng (leading): heeft slechts één primer
b. Volgende streng (lagging): meerdere primers die Okazaki-
fragmenten maken
4. Het enzym DNA-polymerase kopieert en koppelt de nucleotiden aan
elkaar. Het enzym leest van de 3’-5’ richting. Dit betekent dat de
nieuwe keten van 5’-3’ wordt gevormd.
a. Leidende streng: is de streng in de 3’-5’ richting en wordt continu
gekopieerd door het enzym DNA-polymerase.
b. De volgende streng: is de streng in de 5’-3’ richting. Dit leidt tot
een probleem, aangezien DNA-polymerase alleen van 3’-5’ kan
kopiëren. Om dit op te lossen wordt de streng in korte stukjes
achterwaarts gekopieerd. Deze stukjes heten Okazaki-
fragmenten.
5. Exonuclease: knipt primers weg, waardoor er gaten ontstaan die
opnieuw moeten worden opgevuld door DNA-polymerase.
6. DNA-ligase: verbindt de stukjes DNA aan elkaar.
7. Er zijn twee DNA-dubbelstengen ontstaan, waarvan telkens de ene
keten oud is en de andere nieuw.
8. De student kent het proces rondom de celcyclus en celdeling:
Celcyclus: beschrijft de deling en groei van een cel. Het bestaat uit twee
verschillende fasen:
, - Interfase: aan het einde van deze fase is alles in de cel verdubbelt en
goedgekeurd.
o Groei1-fase: groei van het hoeveelheid cytoplasma, celmembraan
en celkern.
(46 chromosomen, 46 chromatiden)
Check 1: voldoende groei?
o S-fase: replicatie van DNA (verdubbeling) de erfelijke
informatie moet immers tijdens de komende kern- en celdeling
compleet aan de twee dochtercellen worden doorgegeven.
(46 chromosomen, 92 chromatiden)
Check 2: controle op juiste base in DNA
o G2-fase: groei van nieuwe organellen en membranen in de cel
(46 chromosomen, 92 chromatiden)
Check 3: controle op voltooiing van DNA-replicatie.
o G0-fase: er kunnen omstandigheden zijn waardoor de cyclus
onderbroken wordt. Als de cel bijvoorbeeld DNA-schade heeft of
over te weinig organellen beschikt, kan de cel overgaan in een
inactieve fase. Is de fout eventueel verbeterd dan kan de G-1 fase
starten.
- Delingsfase/mitose: kerndeling waarbij uit één kern twee identieke
kernen ontstaat (2n 2n). Mitose bestaat uit 4/5 verschillende fasen:
o Profase: het DNA rolt zich op en is zichtbaar onder de microscoop.
De kernenveloppe verdwijnt, waardoor chromosomen vrij in het
cytoplasma liggen.
Centriolen, die onderdeel van het cytoskelet zijn, verplaatsen zich
naar polen van de cel (46,92)
o Metafase: Trekdraden van de centriolen maken zich vast aan het
centromeer. De chromosomen liggen netjes in het midden van de
cel (equatoriaalvlak) (46,92)
o Anafase: de chromatiden worden losgetrokken richting de
centriolen. Er zijn nu 92 chromatiden en 92 chromosomen.
o Telofase: de kernenveloppen worden gevormd om beide
chromosomensets. Er is nu sprake van twee celkernen met weer 2
losse chromatiden (46 chromosomen, 46 chromatiden).
Despiralisatie van chromosomen
o Cytokinese: splitsing van het celmembraan tot twee losse
dochtercellen.