Hoofdstuk 1: Basisvaardigheden
1.1 Meetvaardigheden
🔹 Wat is meten?
Meten = een grootheid vergelijken met een standaard-eenheid.
Voorbeeld:
Als je zegt dat een tafel 1,20 m lang is, vergelijk je de tafel met de meter
(SI-eenheid).
🔹 Belangrijke natuurkundige grootheden
Symbo SI- Symbool
Grootheid
ol eenheid eenheid
Lengte l meter m
Massa m kilogram kg
Tijd t seconde s
Temperatuu
T kelvin K
r
Stroomsterk
I ampère A
te
, 🔹 Meetinstrumenten
Liniaal → lengte (nauwkeurig tot mm)
Schuifmaat → nauwkeuriger (0,1 mm)
Micrometer → zeer nauwkeurig (0,01 mm)
Balans → massa
Stopwatch → tijd
🔹 Aflezen van een schaal
Let op:
1. Wat is de schaalverdeling?
2. Lees af op ooghoogte (parallaxfout voorkomen)
3. Schrijf altijd de eenheid erbij!
Voorbeeld:
Als tussen 2 en 3 cm tien streepjes staan → elk streepje = 0,1 cm.
1.2 Rekenvaardigheden
🔹 Wetenschappelijke notatie
Grote en kleine getallen schrijf je als:
5
3,2 ×10
Voorbeeld:
300 000 = 3,0 × 10⁵
0,00045 = 4,5 × 10⁻⁴
🔹 Rekenen met machten van 10
Regels:
106 4
10 ×10 =10 2 =10
3 2 5
10
Exponenten tel je op bij vermenigvuldigen en trek je af bij delen.
🔹 Voorvoegsels (heel belangrijk!)