HC 1: klinische psychologie en ‘abnormaal’ gedrag (H1)
Je kan de klinische psychologie definiëren en situeren binnen het brede terrein van de
psychologie.
Duijker (1959)
Basis disciplines Toepassingsgerichte disciplines
Functieleer (algemene) Klinische of gezondheidspsychologie
Ontwikkelingspsychologie (levensloop) Arbeid of organisatiepsychologie
Gedragsleer (Sociale) Onderwijspsychologie
Persoonlijkheidspsychologie
Methodeleer (psychodiagnostiek)
3 definities van klinische psychologie
Reber (2004) - Het gebied van de psychologie dat zich bezighoudt met afwijkend, slecht-
aangepast en abnormaal menselijk gedrag. Onder de grote paraplu van klinische praktijken
vallen diagnose, classificatie, behandeling, preventie en onderzoek
Winnubust (1991) - Klinische psychologie is een breed wetenschapsgebied waarin het gedrag
van de mens in relatie tot zijn ervaren gezondheid empirisch wordt onderzocht, waarin wordt
gediagnosticeerd en waarin interventies worden ontwikkeld, onderzocht en toegepast;
interventies die op professionele wijze worden uitgevoerd en die erop zijn gericht emotionele,
motivationele en/of cognitieve blokkades op te heffen en het persoonlijk en maatschappelijk
functioneren van mensen te verbeteren
Pomerantz (2012) - Klinische psychologie omvat grondige studie en toegepaste praktijk gericht
op het begrijpen en verbeteren van de psychologische aspecten van de menselijke ervaring,
inclusief maar niet beperkt tot problemen met gedrag, emoties of intellect
Je kan de structuur van de geestelijke gezondheidszorg beschrijven en illustreren.
Echelon model = = model dat uit 4 lijnen (0e, 1e, 2e en 3e lijn) bestaat om de voorzieningen in de
GGZ te organiseren
- Gebaseerd op het medische model van de gezondheidszorg
- 1e lijn = poortwachter
- “stepped care”-principe (idee dat we mensen moeten helpen door ze weinig mogelijk
onder druk te zetten) eerst laagdrempelig als dat niet werkt een stapje hoger
- Echter: omgekeerde piramide
0e lijn
- Cliënt en zijn omgeving (bv. cliënt, familie, vrienden, werk/school)
- Informele maatschappelijke zorg, mantelzorg, geen drempel
- Hulpvraag komt vanuit de cliënt of zijn omgeving en de hulp komt ook vanuit deze
richting
- Levert geen geestelijke gezondheidszorg, maar draagt ertoe bij
- Zet in op preventie, sensibilisering, empowerment, veerkracht, netwerken
Bv. Tele-onthaal, Awel, lotgenotenverenigingen, OCMW, Overkop, Stuvo
1e lijn
- Niet-gespecialiseerde, ambulante, professionele hulpverlening
- Laagdrempelig, alle doelgroepen met alle problematieken
Cliënten kunnen zich melden zonder tussenkomst van een andere hulpverlener
- Hulpverlening is kortdurend en gebeurt onmiddellijk
Bv. CAW, JAC, TEJO, (eerstelijns)psycholoog, huis
Pagina 1 van 76
,2e lijn
- Gespecialiseerde, ambulante, professionele hulpverlening
- Op doorverwijzing (in theorie)
Bv. CGG, PAAZ, mobiele teams, psychiater, psycholoog, psychotherapeut, revalidatiecentra
3e lijn
- Gespecialiseerde residentiële hulp
- Als hulpverlening op andere lijnen onvoldoende was
Bv. psychiatrische ziekenhuizen, PAAZ
Je kan de concepten normaliteit en abnormaliteit beschrijven, illustreren en kritisch bespreken.
7 factoren die bepalen of gedrag pathologisch beschouwd word (abnormaal)
1. Persoonlijk lijden: zelf lijden van problemen (depressief -> niet fit voelen)
2. De (dis)functionaliteit van het gedrag: dagelijks functioneren en welbevinden
(omstanders hebben er ook last van – inbreker iemand zijn welbevinden verstoren)
3. Irrationeel en onbegrijpelijk gedrag: de andere als abnormaal zien (eetstoornissen)
4. Onvoorspelbaarheid en controleverlies: leven willen beheersen en consistent gedrag
stellen (zelfbeheersing en toeschouwers is oorzaak van het abgedrag– bestolen worden)
5. Opvallend en onconventioneel gedrag: kijken naar eigen norm, sociaal onwenselijk zien
(iemand die zich anders kleed)
6. Gedrag dat een ongemakkelijk gevoel bij anderen teweegbrengt: regels van bepaalde
cultuur overschrijden, sociale verwachtingen, ongeschreven regels (wachtzaal,
ongemakkelijk voelen)
7. Het overtreden van morele normen: (dreigmail sturen naar politie)
Je kan het begrip psychische stoornis definiëren.
Kern = psychische stoornissen -> specifieke symptomen en nadelige gevolgen
Abnormaal = gedrag dat afwijkt van een bepaalde norm, lastig zijn voor persoon of omgeving
- Bestudeert verschillende aspecten van menselijk functioneren
Individuele persoon: afwijkende gedachten, gedrag en belevingen
Vb: drinken, dranggedachten, extreme angsten -> samenhang tussen 3
Relaties met andere mensen: overbezorgd, vermijdingsgedrag,..
- Alleen kan verklaard worden door achtergrond van normale processen:
Kennis van normale psy (waarnemen, denken, geheugen) ontwikkeling, sociale
Je kan de modellen waarmee abnormaliteit bepaald wordt bespreken en toepassen op
voorbeelden. Je kan hierbij rekening houden met diversiteit en cross culturele aspecten.
Statisch model:
- menselijke eigenschappen -> dus abnormaal is extreem hoge of lage scores
Problemen in model:
- Waar precies de grens tussen de 2:
arbitrair (IQ 90 of 80, dimensionale;
vragenlijsten, geen strakke grens maar
verschillende scores -> zeer laag, zeer
hoog)
- Niet specifieert hoe gewoon gedrag
moet zijn om abn te kunnen noemen: (de maten waarin iemand zich in het eigen lichaam
thuis voelt)
- Geen duidelijk spraken van individueel lijden bij afwijkingen: (heel groot zijn maar geen
last hebben daarvan)
Pagina 2 van 76
,Medisch of ziektemodel:
Zien als psychische stoornissen vergelijkbaar met somatische ziekten -> best helpen om
onderliggende mechanisme te bestrijden
- Somatogeen = lichamelijke aandoening aan psychotische stoornis ten gronde ligt
(verlamming)
- Psychogeen = psychologisch mechanisme ten gronde ligt (gevolg van onbewuste
conflicten en afweer tegen angst) vb alzheimer, dementie
Problemen
- Geen eenduidige onderliggend mechanisme is aangetoond: twijfel of er spaken is ve
ziekte -> tegenstrijdigheid (Szasz)
Behandeling gericht op genezen van een ziekte
Gaat om psychosociale of ethische normen en niet om medische afwijking (ziekte)
Mental illness -> problems in living -> aantoonbare
- Stigmatizing: labeling-theorie
Selffulling prophecy : eens gek, altijd gek
Leer of onderwijsmodel
- Ontstaan door verkeerd verlopen leerprocessen
- Voordelen:
Minder stigmatisering
Doet meer recht aan eigen verantwoordelijkheid van mensen met een persoonlijk
probleem: actieve inbreng, aanreiken kennis en vaardigheid leerkracht
Doet meer recht aan datgene wat daadwerkelijk plaatsvindt bij psychologische
hulpverlening
Problemen
- Demarcatie- of afgrenzingscriterium
Voorwaarde voor ziekte = niet meer verantwoordelijkheid of aanspreekbaarheid
meningsverschil met Szasz
Sprake van ziekte; ook al is er geen aantoonbare organische oorzaak -> therapie
Levensproblemen: dan spreekt men over interpersoonlijke of contactproblemen
Pagina 3 van 76
, HC 2: leer theoretische benadering (H3)
Je kan de leertheorieën beschrijven, illustreren en toepassen in context van de klinische
psychologie (psychopathologie)
Opperante conditionering
- Straffen en belonen
Positieve straf = iets niet leuk toevoegen vb: wc poetsen
Negatieve straf = iets plezierigs wegnemen vb: niet meer naar feestje mogen gaan
Positieve bekrachtiging = iets leuks toevoegen vb: dessert na middag eten
Negatieve bekrachtiging = iets niet leuk wegnemen vb: niet meer moeten poetsen
Thorndike
- kat in een kooi met voedsel maar kon er alleen aan als hij aan touw trok. Gedragingen
stellen voor voedsel te krijgen. Na een paar pogingen kreeg hij bij toeval het voedsel. Van
chaotisch gedrag naar concreet gedag
- acquisitie -> verkrijgen
- de wet van effect: gedrag dat tot aangename uitkomst kan leiden, zal frequent toenemen
- instrumentele of opperante -> gedrag stellen tot uitkomst (straffen en belonen)
Skinner box
- zonder proefleider
- zelfde als kat maar met rat: frequentie vh drukken
- Alternatieve proefopstelling zonder aanwezigheid proefleider
- Skinner-box
• Rat of duif
• Op pedaaltje duwen: voedsel
• Frequentie van het drukken
- Instrumentele conditionering → Operante conditionering
klassieke conditionering
= vorm van S-R-leren, waarbij een in eerste instantie neutrale stimulus het vermogen verwerft
om dezelfde aangeboren reflex op te roepen als een andere stimulus die deze reflex
oorspronkelijk oproept. Associatie van prikkels worden geleerd
Onvoorwaardelijke prikkel (OP)
= stimulus die ongeconditioneerde
respons oproept.
Onvoorwaardelijke reactie (OR)
= respons die voorafgaand aan de
verwervingsfase wordt opgeroepen door
de ongeconditioneerde stimulus
Neutrale stimulus (NS)
= stimulus die geen geconditioneerde
respons oproept
Voorwaardelijke prikkel (VP)
= oorspronkelijk NS die na een leerproces
de geconditioneerde respons oproept
Voorwaardelijke reactie (VR)
= respons die wordt opgeroepen door een
oorspronkelijk neutrale stimulus die na
leerproces wordt geassocieerd met de
ongeconditioneerde stimulus
Pagina 4 van 76
Je kan de klinische psychologie definiëren en situeren binnen het brede terrein van de
psychologie.
Duijker (1959)
Basis disciplines Toepassingsgerichte disciplines
Functieleer (algemene) Klinische of gezondheidspsychologie
Ontwikkelingspsychologie (levensloop) Arbeid of organisatiepsychologie
Gedragsleer (Sociale) Onderwijspsychologie
Persoonlijkheidspsychologie
Methodeleer (psychodiagnostiek)
3 definities van klinische psychologie
Reber (2004) - Het gebied van de psychologie dat zich bezighoudt met afwijkend, slecht-
aangepast en abnormaal menselijk gedrag. Onder de grote paraplu van klinische praktijken
vallen diagnose, classificatie, behandeling, preventie en onderzoek
Winnubust (1991) - Klinische psychologie is een breed wetenschapsgebied waarin het gedrag
van de mens in relatie tot zijn ervaren gezondheid empirisch wordt onderzocht, waarin wordt
gediagnosticeerd en waarin interventies worden ontwikkeld, onderzocht en toegepast;
interventies die op professionele wijze worden uitgevoerd en die erop zijn gericht emotionele,
motivationele en/of cognitieve blokkades op te heffen en het persoonlijk en maatschappelijk
functioneren van mensen te verbeteren
Pomerantz (2012) - Klinische psychologie omvat grondige studie en toegepaste praktijk gericht
op het begrijpen en verbeteren van de psychologische aspecten van de menselijke ervaring,
inclusief maar niet beperkt tot problemen met gedrag, emoties of intellect
Je kan de structuur van de geestelijke gezondheidszorg beschrijven en illustreren.
Echelon model = = model dat uit 4 lijnen (0e, 1e, 2e en 3e lijn) bestaat om de voorzieningen in de
GGZ te organiseren
- Gebaseerd op het medische model van de gezondheidszorg
- 1e lijn = poortwachter
- “stepped care”-principe (idee dat we mensen moeten helpen door ze weinig mogelijk
onder druk te zetten) eerst laagdrempelig als dat niet werkt een stapje hoger
- Echter: omgekeerde piramide
0e lijn
- Cliënt en zijn omgeving (bv. cliënt, familie, vrienden, werk/school)
- Informele maatschappelijke zorg, mantelzorg, geen drempel
- Hulpvraag komt vanuit de cliënt of zijn omgeving en de hulp komt ook vanuit deze
richting
- Levert geen geestelijke gezondheidszorg, maar draagt ertoe bij
- Zet in op preventie, sensibilisering, empowerment, veerkracht, netwerken
Bv. Tele-onthaal, Awel, lotgenotenverenigingen, OCMW, Overkop, Stuvo
1e lijn
- Niet-gespecialiseerde, ambulante, professionele hulpverlening
- Laagdrempelig, alle doelgroepen met alle problematieken
Cliënten kunnen zich melden zonder tussenkomst van een andere hulpverlener
- Hulpverlening is kortdurend en gebeurt onmiddellijk
Bv. CAW, JAC, TEJO, (eerstelijns)psycholoog, huis
Pagina 1 van 76
,2e lijn
- Gespecialiseerde, ambulante, professionele hulpverlening
- Op doorverwijzing (in theorie)
Bv. CGG, PAAZ, mobiele teams, psychiater, psycholoog, psychotherapeut, revalidatiecentra
3e lijn
- Gespecialiseerde residentiële hulp
- Als hulpverlening op andere lijnen onvoldoende was
Bv. psychiatrische ziekenhuizen, PAAZ
Je kan de concepten normaliteit en abnormaliteit beschrijven, illustreren en kritisch bespreken.
7 factoren die bepalen of gedrag pathologisch beschouwd word (abnormaal)
1. Persoonlijk lijden: zelf lijden van problemen (depressief -> niet fit voelen)
2. De (dis)functionaliteit van het gedrag: dagelijks functioneren en welbevinden
(omstanders hebben er ook last van – inbreker iemand zijn welbevinden verstoren)
3. Irrationeel en onbegrijpelijk gedrag: de andere als abnormaal zien (eetstoornissen)
4. Onvoorspelbaarheid en controleverlies: leven willen beheersen en consistent gedrag
stellen (zelfbeheersing en toeschouwers is oorzaak van het abgedrag– bestolen worden)
5. Opvallend en onconventioneel gedrag: kijken naar eigen norm, sociaal onwenselijk zien
(iemand die zich anders kleed)
6. Gedrag dat een ongemakkelijk gevoel bij anderen teweegbrengt: regels van bepaalde
cultuur overschrijden, sociale verwachtingen, ongeschreven regels (wachtzaal,
ongemakkelijk voelen)
7. Het overtreden van morele normen: (dreigmail sturen naar politie)
Je kan het begrip psychische stoornis definiëren.
Kern = psychische stoornissen -> specifieke symptomen en nadelige gevolgen
Abnormaal = gedrag dat afwijkt van een bepaalde norm, lastig zijn voor persoon of omgeving
- Bestudeert verschillende aspecten van menselijk functioneren
Individuele persoon: afwijkende gedachten, gedrag en belevingen
Vb: drinken, dranggedachten, extreme angsten -> samenhang tussen 3
Relaties met andere mensen: overbezorgd, vermijdingsgedrag,..
- Alleen kan verklaard worden door achtergrond van normale processen:
Kennis van normale psy (waarnemen, denken, geheugen) ontwikkeling, sociale
Je kan de modellen waarmee abnormaliteit bepaald wordt bespreken en toepassen op
voorbeelden. Je kan hierbij rekening houden met diversiteit en cross culturele aspecten.
Statisch model:
- menselijke eigenschappen -> dus abnormaal is extreem hoge of lage scores
Problemen in model:
- Waar precies de grens tussen de 2:
arbitrair (IQ 90 of 80, dimensionale;
vragenlijsten, geen strakke grens maar
verschillende scores -> zeer laag, zeer
hoog)
- Niet specifieert hoe gewoon gedrag
moet zijn om abn te kunnen noemen: (de maten waarin iemand zich in het eigen lichaam
thuis voelt)
- Geen duidelijk spraken van individueel lijden bij afwijkingen: (heel groot zijn maar geen
last hebben daarvan)
Pagina 2 van 76
,Medisch of ziektemodel:
Zien als psychische stoornissen vergelijkbaar met somatische ziekten -> best helpen om
onderliggende mechanisme te bestrijden
- Somatogeen = lichamelijke aandoening aan psychotische stoornis ten gronde ligt
(verlamming)
- Psychogeen = psychologisch mechanisme ten gronde ligt (gevolg van onbewuste
conflicten en afweer tegen angst) vb alzheimer, dementie
Problemen
- Geen eenduidige onderliggend mechanisme is aangetoond: twijfel of er spaken is ve
ziekte -> tegenstrijdigheid (Szasz)
Behandeling gericht op genezen van een ziekte
Gaat om psychosociale of ethische normen en niet om medische afwijking (ziekte)
Mental illness -> problems in living -> aantoonbare
- Stigmatizing: labeling-theorie
Selffulling prophecy : eens gek, altijd gek
Leer of onderwijsmodel
- Ontstaan door verkeerd verlopen leerprocessen
- Voordelen:
Minder stigmatisering
Doet meer recht aan eigen verantwoordelijkheid van mensen met een persoonlijk
probleem: actieve inbreng, aanreiken kennis en vaardigheid leerkracht
Doet meer recht aan datgene wat daadwerkelijk plaatsvindt bij psychologische
hulpverlening
Problemen
- Demarcatie- of afgrenzingscriterium
Voorwaarde voor ziekte = niet meer verantwoordelijkheid of aanspreekbaarheid
meningsverschil met Szasz
Sprake van ziekte; ook al is er geen aantoonbare organische oorzaak -> therapie
Levensproblemen: dan spreekt men over interpersoonlijke of contactproblemen
Pagina 3 van 76
, HC 2: leer theoretische benadering (H3)
Je kan de leertheorieën beschrijven, illustreren en toepassen in context van de klinische
psychologie (psychopathologie)
Opperante conditionering
- Straffen en belonen
Positieve straf = iets niet leuk toevoegen vb: wc poetsen
Negatieve straf = iets plezierigs wegnemen vb: niet meer naar feestje mogen gaan
Positieve bekrachtiging = iets leuks toevoegen vb: dessert na middag eten
Negatieve bekrachtiging = iets niet leuk wegnemen vb: niet meer moeten poetsen
Thorndike
- kat in een kooi met voedsel maar kon er alleen aan als hij aan touw trok. Gedragingen
stellen voor voedsel te krijgen. Na een paar pogingen kreeg hij bij toeval het voedsel. Van
chaotisch gedrag naar concreet gedag
- acquisitie -> verkrijgen
- de wet van effect: gedrag dat tot aangename uitkomst kan leiden, zal frequent toenemen
- instrumentele of opperante -> gedrag stellen tot uitkomst (straffen en belonen)
Skinner box
- zonder proefleider
- zelfde als kat maar met rat: frequentie vh drukken
- Alternatieve proefopstelling zonder aanwezigheid proefleider
- Skinner-box
• Rat of duif
• Op pedaaltje duwen: voedsel
• Frequentie van het drukken
- Instrumentele conditionering → Operante conditionering
klassieke conditionering
= vorm van S-R-leren, waarbij een in eerste instantie neutrale stimulus het vermogen verwerft
om dezelfde aangeboren reflex op te roepen als een andere stimulus die deze reflex
oorspronkelijk oproept. Associatie van prikkels worden geleerd
Onvoorwaardelijke prikkel (OP)
= stimulus die ongeconditioneerde
respons oproept.
Onvoorwaardelijke reactie (OR)
= respons die voorafgaand aan de
verwervingsfase wordt opgeroepen door
de ongeconditioneerde stimulus
Neutrale stimulus (NS)
= stimulus die geen geconditioneerde
respons oproept
Voorwaardelijke prikkel (VP)
= oorspronkelijk NS die na een leerproces
de geconditioneerde respons oproept
Voorwaardelijke reactie (VR)
= respons die wordt opgeroepen door een
oorspronkelijk neutrale stimulus die na
leerproces wordt geassocieerd met de
ongeconditioneerde stimulus
Pagina 4 van 76