H1: Basis van de levenslooppsychologie
Voorwetenschappelijk denken = het ontstaan van zeer uiteenlopende inzichten en beweringen over
wat typisch heet te zijn voor bepaalde leeftijden, door de veranderingen die zich doorheen de
verschillende levensfasen voordoen in het gedrag van mensen
Wetenschappelijke theorie = theorieën die gebaseerd zijn op empirisch onderzoek en gebruikt
worden om menselijk gedrag, ontwikkeling en verandering over de levensloop te verklaren en te
voorspellen
Recapitulatietheorie = ontogenese als herhaling/recapitulatie van fylogenese
Ontogenese = ontwikkeling van aparte individuen
Fylogenese = ontwikkeling van mensheid in het geheel
Baby-biografieën = het maken van aantekeningen op systematische basis over de vorderingen in het
gedrag van (hun eigen) kinderen
Genetische psychologie = de studie van een erfelijk gestuurde ontwikkeling
Rijping = het biologisch proces van veranderingen die leiding tot groei en ontwikkeling van het
individu (Nature)
Leren = groei door opvoeding en ervaringsprocessen
Descriptieve wetenschap = beschrijvende wetenschap door middel van observeren, zonder oorzaken
te verklaren en hypothesen te toetsen
Verklarende wetenschap = begrijpen van oorzakelijke relaties en het verklaren van waarom
bepaalde gebeurtenissen, fenomenen en verschijnselen zich voordoen (causale wetenschap)
Ontwikkelingspsychologie = de studie van de evolutie van kinderen tot aan de puberteit (evolutie
loopt hierna stil)
Levenslooppsychologie = psychologie waarin de mens wordt bestudeerd in heel zijn
ontwikkelingsgang (baarmoeder -> dood)
Ontwikkelingsdomeinen = fysieke, cognitieve, emotionele, seksuele, sociale, persoonlijkheids- en
morele ontwikkeling
Ontwikkelingsfasen = prenatale fase, babytijd, peuterjaren, kleuterjaren, schooltijd, adolescentie,
volwassenheid, ouderdom
3G’s = samenhang tussen gedrag, gedachte en gevoel tijdens een situatie
Discontinue ontwikkeling = ontwikkeling met duidelijk onderscheiden fasen/stadia (duidelijke
overgangen)
Continue ontwikkeling = ontwikkeling als voortdurend en geleidelijk proces (geen afgescheiden
periodes)
,Trapmodel = Discontinu proces, opeenvolging van de verschillende levensfasen als een geordend en
doelgericht proces
Gelaagd model = discontinu proces, opeenvolgende levensfasen als geologische lagen van de
aardkorst; het resultaat van reeks toevallige gebeurtenissen die elkaar in het verleden hebben
opgevolgd (vroege gebeurtenissen hebben invloed op leven nu)
Lijnmodel = de opeenvolgende levensfasen als continu proces
Psychoseksuele ontwikkeling = gelaagd model van Freud met 5 ontwikkelingsfasen (oraal-anaal-
fallisch-latentie-genitaal), waarin genot of bevrediging telkens gericht is op een andere biologische
functie/ ander deel van het lichaam (= psychoanalyse van Freud)
Es/id, Ich/ego, Uberich/superego = persoonlijkheid
Es/id = deel van persoonlijkheid dat opereert vanuit het genotsprincipe (mee geboren)
Ich/ego = deel van persoonlijkheid dat opereert vanuit het realiteitsprincipe
Uberich/superego = deel van persoonlijkheid dat een onderscheid maakt tussen kwaad en goed
(geweten)
Fixatie = het vasthouden aan bepaalde ontwikkelingsstadia of gedragspatronen die zich tijdens de
vroege kinderjaren hebben voorgedaan en die invloed kunnen hebben op iemands latere leven
(Focussen op de erogene zone waar het is misgelopen)
Regressie = fenomeen waarbij individuen in verschillende levensfasen teruggrijpen naar gedragingen,
emoties of manieren van denken die typerend waren voor eerdere fasen in hun ontwikkeling
Orale fase = 1e ontwikkelingsfase (baby, mondzone)
Anale fase = 2e ontwikkelingsfase (peuter, ontlastingszone)
Fallische fase = 3e ontwikkelingsfase (kleuter, aan-/afwezige fallus)
Oedipuscomplex = een jongen heeft onbewuste gevoelens van seksuele aantrekkingskracht voor de
mama en concurrerende gevoelens van rivaliteit en vijandigheid ervaart ten opzichte van de papa
Electracomplex = een meisje heeft onbewuste gevoelens van seksuele aantrekkingskracht voor de
papa en concurrerende gevoelens van rivaliteit en vijandigheid ervaart ten opzichte van de mama
Latentiefase = 4e ontwikkelingsfase (schoolkind, verdringen)
Genitale fase = 5e ontwikkelingsfase (puberteit-…, genitalia)
Bio-ecologisch model = model dat uitgaat van 5 omgevingsniveaus die elk organisme gelijktijdig
beïnvloedt, benadrukt de onderlinge samenhang tussen de verschillende invloeden op de
ontwikkeling (Bronfenbrenner)
Microsysteem = directe invloeden (dagdagelijkse invloed van ouders, leerkrachten, hond/kat,…)
Mesosysteem = interactie met onderdelen uit het microsysteem (ouders en leerkrachten,…)
, Exosysteem = algemenere invloeden, geen directe invloed maar via de mensen waarmee individu
dagelijks omgaat (maatschappelijke positie, vriendenkring ouders, wonen in dorp of grote stad,…)
Macrosysteem = culturele invloeden (wetten, waarden, gebruiken, …)
Chronosysteem = invloed van het tijdsverloop
Empiristen = mensen die erin geloven dat bepaalde factoren worden beïnvloedt door
ervaring/omgevingsfactoren
Nativisten = mensen die erin geloven dat bepaalde factoren worden beïnvloedt door aangeboren
factoren
Endogene factoren = erfelijke factoren
Exogene factoren = omgevingsfactoren
Nature = eigenschappen, vermogens en capaciteiten die mensen van hun ouders erven
Nurture = de omgevingsinvloeden die ons gedrag bepalen
Zelfsturing = bewuste keuzes maken, prioriteiten te stellen en zijn of haar gedrag en acties reguleren
zonder dat daar externe druk of controle voor nodig is
Nature-Nurture debat = de discussie over de oorsprong van ons gedrag en onze eigenschappen
Interactiemodel = bepaalde factoren kunnen beïnvloedt worden door zowel erfelijke als
omgevingsfactoren
Normatieve invloeden = gebeurtenissen die zich voor de meeste individuen binnen een groep op
dezelfde manier voltrekken
Niet-normatieve invloeden = specifieke gebeurtenissen die plaatsvinden in het leven van een
bepaald persoon, terwijl de meeste andere mensen hier niet mee te maken krijgen
H2: Twee fundamentele theorieën
Psychosociale crisis = een situatie of periode in het leven van een individu waarin een innerlijke
spanning of conflict ontstaat als gevolg van de eisen en verwachtingen van de sociale omgeving en de
persoonlijke ontwikkeling van dat individu
Kernconflict = een bepaald conflict waar het individu hoe dan ook mee geconfronteerd zal worden
Egosterkte = de mate waarin het individu in staat is om met conflicten om te gaan
Cognitie = mentale processen en activiteiten die betrokken zijn bij het verkrijgen, opslaan verwerken
en gebruiken van informatie
Adaptatie = het vermogen om zich aan te passen aan veranderende omstandigheden, omgevingen of
situaties (door systemen aan te passen)
Voorwetenschappelijk denken = het ontstaan van zeer uiteenlopende inzichten en beweringen over
wat typisch heet te zijn voor bepaalde leeftijden, door de veranderingen die zich doorheen de
verschillende levensfasen voordoen in het gedrag van mensen
Wetenschappelijke theorie = theorieën die gebaseerd zijn op empirisch onderzoek en gebruikt
worden om menselijk gedrag, ontwikkeling en verandering over de levensloop te verklaren en te
voorspellen
Recapitulatietheorie = ontogenese als herhaling/recapitulatie van fylogenese
Ontogenese = ontwikkeling van aparte individuen
Fylogenese = ontwikkeling van mensheid in het geheel
Baby-biografieën = het maken van aantekeningen op systematische basis over de vorderingen in het
gedrag van (hun eigen) kinderen
Genetische psychologie = de studie van een erfelijk gestuurde ontwikkeling
Rijping = het biologisch proces van veranderingen die leiding tot groei en ontwikkeling van het
individu (Nature)
Leren = groei door opvoeding en ervaringsprocessen
Descriptieve wetenschap = beschrijvende wetenschap door middel van observeren, zonder oorzaken
te verklaren en hypothesen te toetsen
Verklarende wetenschap = begrijpen van oorzakelijke relaties en het verklaren van waarom
bepaalde gebeurtenissen, fenomenen en verschijnselen zich voordoen (causale wetenschap)
Ontwikkelingspsychologie = de studie van de evolutie van kinderen tot aan de puberteit (evolutie
loopt hierna stil)
Levenslooppsychologie = psychologie waarin de mens wordt bestudeerd in heel zijn
ontwikkelingsgang (baarmoeder -> dood)
Ontwikkelingsdomeinen = fysieke, cognitieve, emotionele, seksuele, sociale, persoonlijkheids- en
morele ontwikkeling
Ontwikkelingsfasen = prenatale fase, babytijd, peuterjaren, kleuterjaren, schooltijd, adolescentie,
volwassenheid, ouderdom
3G’s = samenhang tussen gedrag, gedachte en gevoel tijdens een situatie
Discontinue ontwikkeling = ontwikkeling met duidelijk onderscheiden fasen/stadia (duidelijke
overgangen)
Continue ontwikkeling = ontwikkeling als voortdurend en geleidelijk proces (geen afgescheiden
periodes)
,Trapmodel = Discontinu proces, opeenvolging van de verschillende levensfasen als een geordend en
doelgericht proces
Gelaagd model = discontinu proces, opeenvolgende levensfasen als geologische lagen van de
aardkorst; het resultaat van reeks toevallige gebeurtenissen die elkaar in het verleden hebben
opgevolgd (vroege gebeurtenissen hebben invloed op leven nu)
Lijnmodel = de opeenvolgende levensfasen als continu proces
Psychoseksuele ontwikkeling = gelaagd model van Freud met 5 ontwikkelingsfasen (oraal-anaal-
fallisch-latentie-genitaal), waarin genot of bevrediging telkens gericht is op een andere biologische
functie/ ander deel van het lichaam (= psychoanalyse van Freud)
Es/id, Ich/ego, Uberich/superego = persoonlijkheid
Es/id = deel van persoonlijkheid dat opereert vanuit het genotsprincipe (mee geboren)
Ich/ego = deel van persoonlijkheid dat opereert vanuit het realiteitsprincipe
Uberich/superego = deel van persoonlijkheid dat een onderscheid maakt tussen kwaad en goed
(geweten)
Fixatie = het vasthouden aan bepaalde ontwikkelingsstadia of gedragspatronen die zich tijdens de
vroege kinderjaren hebben voorgedaan en die invloed kunnen hebben op iemands latere leven
(Focussen op de erogene zone waar het is misgelopen)
Regressie = fenomeen waarbij individuen in verschillende levensfasen teruggrijpen naar gedragingen,
emoties of manieren van denken die typerend waren voor eerdere fasen in hun ontwikkeling
Orale fase = 1e ontwikkelingsfase (baby, mondzone)
Anale fase = 2e ontwikkelingsfase (peuter, ontlastingszone)
Fallische fase = 3e ontwikkelingsfase (kleuter, aan-/afwezige fallus)
Oedipuscomplex = een jongen heeft onbewuste gevoelens van seksuele aantrekkingskracht voor de
mama en concurrerende gevoelens van rivaliteit en vijandigheid ervaart ten opzichte van de papa
Electracomplex = een meisje heeft onbewuste gevoelens van seksuele aantrekkingskracht voor de
papa en concurrerende gevoelens van rivaliteit en vijandigheid ervaart ten opzichte van de mama
Latentiefase = 4e ontwikkelingsfase (schoolkind, verdringen)
Genitale fase = 5e ontwikkelingsfase (puberteit-…, genitalia)
Bio-ecologisch model = model dat uitgaat van 5 omgevingsniveaus die elk organisme gelijktijdig
beïnvloedt, benadrukt de onderlinge samenhang tussen de verschillende invloeden op de
ontwikkeling (Bronfenbrenner)
Microsysteem = directe invloeden (dagdagelijkse invloed van ouders, leerkrachten, hond/kat,…)
Mesosysteem = interactie met onderdelen uit het microsysteem (ouders en leerkrachten,…)
, Exosysteem = algemenere invloeden, geen directe invloed maar via de mensen waarmee individu
dagelijks omgaat (maatschappelijke positie, vriendenkring ouders, wonen in dorp of grote stad,…)
Macrosysteem = culturele invloeden (wetten, waarden, gebruiken, …)
Chronosysteem = invloed van het tijdsverloop
Empiristen = mensen die erin geloven dat bepaalde factoren worden beïnvloedt door
ervaring/omgevingsfactoren
Nativisten = mensen die erin geloven dat bepaalde factoren worden beïnvloedt door aangeboren
factoren
Endogene factoren = erfelijke factoren
Exogene factoren = omgevingsfactoren
Nature = eigenschappen, vermogens en capaciteiten die mensen van hun ouders erven
Nurture = de omgevingsinvloeden die ons gedrag bepalen
Zelfsturing = bewuste keuzes maken, prioriteiten te stellen en zijn of haar gedrag en acties reguleren
zonder dat daar externe druk of controle voor nodig is
Nature-Nurture debat = de discussie over de oorsprong van ons gedrag en onze eigenschappen
Interactiemodel = bepaalde factoren kunnen beïnvloedt worden door zowel erfelijke als
omgevingsfactoren
Normatieve invloeden = gebeurtenissen die zich voor de meeste individuen binnen een groep op
dezelfde manier voltrekken
Niet-normatieve invloeden = specifieke gebeurtenissen die plaatsvinden in het leven van een
bepaald persoon, terwijl de meeste andere mensen hier niet mee te maken krijgen
H2: Twee fundamentele theorieën
Psychosociale crisis = een situatie of periode in het leven van een individu waarin een innerlijke
spanning of conflict ontstaat als gevolg van de eisen en verwachtingen van de sociale omgeving en de
persoonlijke ontwikkeling van dat individu
Kernconflict = een bepaald conflict waar het individu hoe dan ook mee geconfronteerd zal worden
Egosterkte = de mate waarin het individu in staat is om met conflicten om te gaan
Cognitie = mentale processen en activiteiten die betrokken zijn bij het verkrijgen, opslaan verwerken
en gebruiken van informatie
Adaptatie = het vermogen om zich aan te passen aan veranderende omstandigheden, omgevingen of
situaties (door systemen aan te passen)