HOOFDSTUK 2: DE SCHOOL ALS ONDERZOEKSCONTEXT
2.1 SPECIFIEKE KENMERKEN VAN SCHOOLORGANISATIES
Er zijn duidelijk grenzen aan de veranderingen die je in een school kunt doorvoeren en aan de
vragen die je kunt stellen. Die grenzen zijn echter niet altijd vooraf sterk bepaald en vaak zijn ze
situatiegebonden. Het is belangrijk om hier bij de start van je onderzoek bij stil te staan.
Ook in de keuze voor methoden van instrumenten voor dataverzameling zul je soms tegen grenzen
aanlopen.
De school is een organisatie die bestaat uit kinderen, jongeren en volwassenen, met bijbehorend
gedrag. Onderzoek doen naar menselijk gedrag betekent dat je soms ook aanloopt tegen
specifieke kenmerken van gedrag, zoals van mensen die:
o geen zin hebben om vragen te beantwoorden
o bepaalde vraagstellingen niet begrijpen
o niet in staat zijn antwoorden op te schrijven of te reflecteren op hun eigen gedrag
o zich anders gedragen als gevolg van de groepsdruk
o tijdens je onderzoek de school verlaten
o sterk reageren op de aanwezigheid van een onderzoeker
o blijven vasthouden aan routines en niet mee willen en/of kunnen denken
o onderling spanningen hebben
o weerstand hebben tegen vernieuwingen en veranderingen
Binnen de onderwijssector zijn er grote verschillen: een basisschool, een scholengemeenschap
voor voortgezet onderwijs of een regionaal opleidingscentrum (roc) verschillen nogal van elkaar.
Je zult in je onderzoek aan moeten sluiten bij de specifieke kenmerken van jouw werksituatie.
We zoomen in op een aantal kenmerken van het onderwijs waar je rekening mee dient te houden
bij je onderzoek.
Missie, visie, kernwaarden en beleid van de school
De missie geeft antwoord op de vraag waarom de schoolorganisatie bestaat. Scholen beschrijven
meestal ook hun visie: Wat is het gedeelde beeld van de toekomst en wat zijn de kernwaarden? De
missie, visie en kernwaarden vormen de basis voor de wijze waarop de school haar beleid
formuleert: het bepalen van doelstellingen, scenario”s en maatregelen voor de korte en de lange
termijn. Je zult met je onderzoek moeten aansluiten bij de missie, visie, kernwaarden en het beleid
van je organisatie. Je krijgt hier zicht op door zelf actief deel uit te maken van de dagelijkse praktijk
en door aanvullend interne bronnen te raadplegen en met mensen in gesprek te gaan.
De externe omgeving
In diverse maatschappelijke domeinen vinden voortdurend veranderingen plaats die van invloed
zijn op het onderwijs. Het DESTEP-analysemodel is bruikbaar om de externe omgeving in kaart te
brengen.
We benoemen de zes ontwikkelingsgebieden uit het DESTEP-analysemodel en geven voorbeelden
van thema’s:
o Demografische ontwikkelingen: vergrijzing, veranderde arbeidsmarkt, migratie
o Economische ontwikkelingen: financiering, commercialisering, innovatie en
ondernemerschap
o Sociaal-culturele ontwikkelingen: inspraak, participatie, transparantie, burgerschap
o Technologische ontwikkelingen: learning analytics, computational thinking, online
communicatie
o Ecologische ontwikkelingen: duurzaamheid en maatschappelijk verantwoord ondernemen
(mvo)
o Politiek-juridische ontwikkelingen: wetgeving, aansprakelijkheid
, Aanvullend kunnen ontwikkelingen van de kennisbasis van je beroep relevant zijn.
o Ontwikkelingen in de kennisbasis: richtlijnen, protocollen, vakkennis.
De organisatiestructuur
De organisatiestructuur wordt vaak gevisualiseerd in de vorm van een organogram. Binnen elke
school hebben medewerkers hun eigen taken en verantwoordelijkheden. Taken en
verantwoordelijkheden kunnen formeel vastgelegd zijn, maar ze kunnen ook op minder formele
wijze op basis van specifieke werkervaring of persoonlijke voorkeuren verdeeld zijn. Als je de
organisatiestructuur in beeld hebt, weet je wie je waarover kunt of dient te raadplegen en te
informeren.
Het primaire en secundaire onderwijsproces
Het primaire onderwijsproces betreft alle activiteiten die direct samenhangen met het
onderwijsleerproces: het leren van de leerlingen. Het secundaire onderwijsproces betreft alle
processen die ten dienste staan van het primaire proces of dit proces aanvullen.
Kwaliteitszorg
Scholen werken op verschillende manieren meer of minder expliciet en systematisch aan kwaliteit.
De organisatiecultuur
Menselijk gedrag en betekenisgeving bepalen de organisatiecultuur. Wanneer je de cultuur in jouw
school wilt typeren, zul je daartoe zowel beleidsplannen moeten bestuderen als de gang van zaken
op de werkvloer moeten bekijken. Als je zicht hebt op hoe mensen in de school overleggen, leren en
omgaan met veranderingen, ben je beter in staat hier met je praktijkonderzoek bij aan te sluiten of
weloverwogen van af te wijken.
Belangen
In het onderwijs kunnen verschillende partijen tegengestelde belangen hebben. Als
praktijkonderzoeker opereer je dus per definitie in een politieke arena.
De dagelijkse dynamiek
Er kan een spanningsveld ontstaan tussen de primaire taak van de leraar en het uitvoeren van een
praktijkonderzoek. Probeer voor zover mogelijk te overdenken welke onvoorziene situaties zich
zouden kunnen voordoen, zodat je hier rekening mee kunt houden bij het plannen van
onderzoeksactiviteiten.
Het taalgebruik
In het onderwijs worden veel begrippen gehanteerd die niet iedereen op dezelfde wijze
interpreteert. Wees alert op begrippen en afkortingen die veel gebruikt worden in jouw organisatie,
maar wellicht niet of anders begrepen worden door anderen.
De randvoorwaarden
Denk goed na over wat er nodig is om je onderzoek goed uit te kunnen voeren in termen van
randvoorwaarden. Je kunt bij randvoorwaarden denken aan procedures, richtlijnen en
standaarden waar je je aan moet houden, aan de beschikbaarheid van collega’s, de
beschikbaarheid van ruimtes en aan de eventuele facilitering van het praktijkonderzoek.
Zo worden onderwijsprocessen in scholen onder meer georganiseerd met behulp van procedures,
richtlijnen en standaarden. Bij de voorbereiding en uitvoering van je onderzoek zul je je hier verder
in moeten verdiepen, zodat je weet wat er op welke wijze al dan niet mogelijk is.
Wie van je collega’s kan en mag je bij je onderzoek betrekken? Het is verstandig bij het plannen van
onderzoeksactiviteiten niet alleen rekening te houden met vieringen, vakanties, toetsweken
enzovoort, maar ook met het feit dat in bepaalde maanden de werkdruk van leraren extra hoog is.
2.1 SPECIFIEKE KENMERKEN VAN SCHOOLORGANISATIES
Er zijn duidelijk grenzen aan de veranderingen die je in een school kunt doorvoeren en aan de
vragen die je kunt stellen. Die grenzen zijn echter niet altijd vooraf sterk bepaald en vaak zijn ze
situatiegebonden. Het is belangrijk om hier bij de start van je onderzoek bij stil te staan.
Ook in de keuze voor methoden van instrumenten voor dataverzameling zul je soms tegen grenzen
aanlopen.
De school is een organisatie die bestaat uit kinderen, jongeren en volwassenen, met bijbehorend
gedrag. Onderzoek doen naar menselijk gedrag betekent dat je soms ook aanloopt tegen
specifieke kenmerken van gedrag, zoals van mensen die:
o geen zin hebben om vragen te beantwoorden
o bepaalde vraagstellingen niet begrijpen
o niet in staat zijn antwoorden op te schrijven of te reflecteren op hun eigen gedrag
o zich anders gedragen als gevolg van de groepsdruk
o tijdens je onderzoek de school verlaten
o sterk reageren op de aanwezigheid van een onderzoeker
o blijven vasthouden aan routines en niet mee willen en/of kunnen denken
o onderling spanningen hebben
o weerstand hebben tegen vernieuwingen en veranderingen
Binnen de onderwijssector zijn er grote verschillen: een basisschool, een scholengemeenschap
voor voortgezet onderwijs of een regionaal opleidingscentrum (roc) verschillen nogal van elkaar.
Je zult in je onderzoek aan moeten sluiten bij de specifieke kenmerken van jouw werksituatie.
We zoomen in op een aantal kenmerken van het onderwijs waar je rekening mee dient te houden
bij je onderzoek.
Missie, visie, kernwaarden en beleid van de school
De missie geeft antwoord op de vraag waarom de schoolorganisatie bestaat. Scholen beschrijven
meestal ook hun visie: Wat is het gedeelde beeld van de toekomst en wat zijn de kernwaarden? De
missie, visie en kernwaarden vormen de basis voor de wijze waarop de school haar beleid
formuleert: het bepalen van doelstellingen, scenario”s en maatregelen voor de korte en de lange
termijn. Je zult met je onderzoek moeten aansluiten bij de missie, visie, kernwaarden en het beleid
van je organisatie. Je krijgt hier zicht op door zelf actief deel uit te maken van de dagelijkse praktijk
en door aanvullend interne bronnen te raadplegen en met mensen in gesprek te gaan.
De externe omgeving
In diverse maatschappelijke domeinen vinden voortdurend veranderingen plaats die van invloed
zijn op het onderwijs. Het DESTEP-analysemodel is bruikbaar om de externe omgeving in kaart te
brengen.
We benoemen de zes ontwikkelingsgebieden uit het DESTEP-analysemodel en geven voorbeelden
van thema’s:
o Demografische ontwikkelingen: vergrijzing, veranderde arbeidsmarkt, migratie
o Economische ontwikkelingen: financiering, commercialisering, innovatie en
ondernemerschap
o Sociaal-culturele ontwikkelingen: inspraak, participatie, transparantie, burgerschap
o Technologische ontwikkelingen: learning analytics, computational thinking, online
communicatie
o Ecologische ontwikkelingen: duurzaamheid en maatschappelijk verantwoord ondernemen
(mvo)
o Politiek-juridische ontwikkelingen: wetgeving, aansprakelijkheid
, Aanvullend kunnen ontwikkelingen van de kennisbasis van je beroep relevant zijn.
o Ontwikkelingen in de kennisbasis: richtlijnen, protocollen, vakkennis.
De organisatiestructuur
De organisatiestructuur wordt vaak gevisualiseerd in de vorm van een organogram. Binnen elke
school hebben medewerkers hun eigen taken en verantwoordelijkheden. Taken en
verantwoordelijkheden kunnen formeel vastgelegd zijn, maar ze kunnen ook op minder formele
wijze op basis van specifieke werkervaring of persoonlijke voorkeuren verdeeld zijn. Als je de
organisatiestructuur in beeld hebt, weet je wie je waarover kunt of dient te raadplegen en te
informeren.
Het primaire en secundaire onderwijsproces
Het primaire onderwijsproces betreft alle activiteiten die direct samenhangen met het
onderwijsleerproces: het leren van de leerlingen. Het secundaire onderwijsproces betreft alle
processen die ten dienste staan van het primaire proces of dit proces aanvullen.
Kwaliteitszorg
Scholen werken op verschillende manieren meer of minder expliciet en systematisch aan kwaliteit.
De organisatiecultuur
Menselijk gedrag en betekenisgeving bepalen de organisatiecultuur. Wanneer je de cultuur in jouw
school wilt typeren, zul je daartoe zowel beleidsplannen moeten bestuderen als de gang van zaken
op de werkvloer moeten bekijken. Als je zicht hebt op hoe mensen in de school overleggen, leren en
omgaan met veranderingen, ben je beter in staat hier met je praktijkonderzoek bij aan te sluiten of
weloverwogen van af te wijken.
Belangen
In het onderwijs kunnen verschillende partijen tegengestelde belangen hebben. Als
praktijkonderzoeker opereer je dus per definitie in een politieke arena.
De dagelijkse dynamiek
Er kan een spanningsveld ontstaan tussen de primaire taak van de leraar en het uitvoeren van een
praktijkonderzoek. Probeer voor zover mogelijk te overdenken welke onvoorziene situaties zich
zouden kunnen voordoen, zodat je hier rekening mee kunt houden bij het plannen van
onderzoeksactiviteiten.
Het taalgebruik
In het onderwijs worden veel begrippen gehanteerd die niet iedereen op dezelfde wijze
interpreteert. Wees alert op begrippen en afkortingen die veel gebruikt worden in jouw organisatie,
maar wellicht niet of anders begrepen worden door anderen.
De randvoorwaarden
Denk goed na over wat er nodig is om je onderzoek goed uit te kunnen voeren in termen van
randvoorwaarden. Je kunt bij randvoorwaarden denken aan procedures, richtlijnen en
standaarden waar je je aan moet houden, aan de beschikbaarheid van collega’s, de
beschikbaarheid van ruimtes en aan de eventuele facilitering van het praktijkonderzoek.
Zo worden onderwijsprocessen in scholen onder meer georganiseerd met behulp van procedures,
richtlijnen en standaarden. Bij de voorbereiding en uitvoering van je onderzoek zul je je hier verder
in moeten verdiepen, zodat je weet wat er op welke wijze al dan niet mogelijk is.
Wie van je collega’s kan en mag je bij je onderzoek betrekken? Het is verstandig bij het plannen van
onderzoeksactiviteiten niet alleen rekening te houden met vieringen, vakanties, toetsweken
enzovoort, maar ook met het feit dat in bepaalde maanden de werkdruk van leraren extra hoog is.