A:Het begin van de Odyssee
1 Ἄνδρα μοι ἔννεπε, Μοῦσα, πολύτροπον, ὃς μάλα πολλὰ
1 Bezing mij, Muze, de man, de vindingrijke, die zeer veel rondg ezworven heeft,
2 πλάγχθη, ἐπεὶ Τροίης ἱερὸν πτολίεθρον ἔπερσε·
2 nadat hij de heilige stad van het Trojaanse land had verwoest;
3 πολλῶν δ’ ἀνθρώπων ἴδεν ἄστεα καὶ νόον ἔγνω,
3 en van veel mensen zag hij de steden en leerde hij de geest/aard kennen,
4 πολλὰ δ’ ὅ γ’ ἐν πόντῳ πάθεν ἄλγεα ὃν κατὰ θυμόν,
4 en veel leed/beproevingen doorstond hij op zee in zijn hart,
5 ἀρνύμενος ἥν τε ψυχὴν καὶ νόστον ἑταίρων.
5 vechtend voor (en) zijn leven en de terugkeer van zijn makkers.
6 Ἀλλ’ οὐδ’ ὣς ἑτάρους ἐρρύσατο, ἱέμενός περ·
6 Maar toch redde hij zijn makkers niet, hoewel hij het verlangde:
7 αὐτῶν γὰρ σφετέρῃσιν ἀτασθαλίῃσιν ὄλοντο,
7 want door hun eigen stommiteiten kwamen zij om,
8 νήπιοι, οἳ κατὰ βοῦς Ὑπερίονος Ἠελίοιο
8 de dwazen, die de runderen van Helius Hyperion opaten;
9 ἤσθιον· αὐτὰρ ὁ τοῖσιν ἀφείλετο νόστιμον ἦμαρ.
9 maar die/hij ontnam hun de dag van de terugkeer.
10 Τῶν ἁμόθεν γε, θεά, θύγατερ Διός, εἰπὲ καὶ ἡμῖν.
10 Zeg/Vertel ook ons, godin, dochter van Zeus, van deze gebeurtenissen vanaf een of ander
punt.
B: schets van de situatie van Odysseus
11 Ἔνθ’ ἄλλοι μὲν πάντες, ὅσοι φύγον αἰπὺν ὄλεθρον,
11 Op dat moment waren alle anderen, die de vreselijke ondergang ontvlucht waren,
12 οἴκοι ἔσαν, πόλεμόν τε πεφευγότες ἠδὲ θάλασσαν·
12 thuis, ontsnapt (en) aan de strijd en de zee;
13 τὸν δ’ οἶον, νόστου κεχρημένον ἠδὲ γυναικός,
13 hem alleen, verlangend naar de terugkeer en zijn vrouw,
14 νύμφη πότνι’ ἔρυκε Καλυψώ, δῖα θεάων,
14 hield de machtige nimf Calypso vast, de stralende onder de godinnen,
15 ἐν σπέσσι γλαφυροῖσι, λιλαιομένη πόσιν εἶναι.
15 in een gewelfde grot, ernaar verlangend dat hij haar echtgenoot was.
16 Ἀλλ’ ὅτε δὴ ἔτος ἦλθε περιπλομένων ἐνιαυτῶν,
16 Maar toen het jaar was gekomen bij het verstrijken der jaren,
,17 τῷ οἱ ἐπεκλώσαντο θεοὶ οἶκόνδε νέεσθαι
17 waarin de goden voor hem hadden beschikt naar huis terug te keren,
18 εἰς Ἰθάκην, οὐδ’ ἔνθα πεφυγμένος ἦεν ἀέθλων,
18 naar Ithaca, zelfs toen/daar was hij niet verlost van inspanningen,
19 καὶ μετὰ οἷσι φίλοισι. Θεοὶ δ’ ἐλέαιρον ἅπαντες
19 zelfs te midden van zijn vrienden/de zijnen/dierbaren. De goden hadden allen medelijden
20 νόσφι Ποσειδάωνος· ὁ δ’ ἀσπερχὲς μενέαινεν
20 behalve Poseidon; hij was hevig vertoornd
21 ἀντιθέῳ Ὀδυσῆϊ πάρος ἣν γαῖαν ἱκέσθαι.
21 op de goddelijke Odysseus voordat hij zijn land bereikte.
, Homerus Boek 5 H3
1. Hermens bij Calypso
A:Hermes betreedt de grot van calypso
75 Ἔνθα στὰς θηεῖτο διάκτορος ἀργειφόντης.
75 Nadat hij daar was blijven staan, bekeek hij (het) met bewondering de bode/schenker, de
Argusdoder.
76 Αὐτὰρ ἐπεὶ δὴ πάντα ἑῷ θηήσατο θυμῷ,
76 En toen hij alles met bewondering had bekeken met/in zijn hart,
77 αὐτίκ’ ἄρ’ εἰς εὐρὺ σπέος ἤλυθεν· οὐδέ μιν ἄντην
77 ging hij meteen de brede grot in; en
78 ἠγνοίησεν ἰδοῦσα Καλυψώ, δῖα θεάων,
78 toen Calypso hem in de ogen had gezien, herkende zij hem (niet goed), de stralende onder de
godinnen,
79 οὐ γάρ τ’ ἀγνῶτες θεοὶ ἀλλήλοισι πέλονται
79 want de onsterfelijke goden zijn aan elkaar niet onbekend/kennen elkaar goed,
80 ἀθάνατοι, οὐδ’ εἴ τις ἀπόπροθι δώματα ναίει.
80 zelfs als iemand veraf zijn huis bewoont.
81 Οὐδ’ ἄρ’ Ὀδυσσῆα μεγαλήτορα ἔνδον ἔτετμεν,
81 En hij trof de dappere Odysseus niet binnen aan,
82 ἀλλ’ ὅ γ’ ἐπ’ ἀκτῆς κλαῖε καθήμενος, ἔνθα πάρος περ,
82 maar hij, zittend op de kust, huilde/was aan het huilen, waar hij ook eerder huilde,
83 δάκρυσι καὶ στοναχῇσι καὶ ἄλγεσι θυμὸν ἐρέχθων.
83 terwijl/waarbij hij zijn hart teisterde met tranen (en) gezucht en leed.
84 Πόντον ἐπ’ ἀτρύγετον δερκέσκετο δάκρυα λείβων.
84 Hij keek steeds naar de oneindig grote zee, terwijl hij tranen stortte.
85 Ἑρμείαν δ’ ἐρέεινε Καλυψώ, δῖα θεάων,
85 Calypso, de stralende onder de godinnen, vroeg Hermes,
86 ἐν θρόνῳ ἱδρύσασα φαεινῷ σιγαλόεντι·
86 nadat zij hem deed plaatsnemen op een schitterende, glanzende zetel
B: Hermes is een welkome gast
87 Tίπτε μοι, Ἑρμεία χρυσόρραπι, εἰλήλουθας
87 ‘Waarom ben je, Hermes met gouden staf, toch naar mij gekomen, (jij) (en) gerespecteerd en
geliefd/dierbaar?
88 αἰδοῖός τε φίλος τε; πάρος γε μὲν οὔ τι θαμίζεις.
88 Anders kom je toch helemaal niet vaak.
89 Αὔδα ὅ τι φρονέεις· τελέσαι δέ με θυμὸς ἄνωγεν,
89 Zeg wat je wenst; mijn hart spoort mij aan (dat) te voltooien,
, 90 εἰ δύναμαι τελέσαι γε καὶ εἰ τετελεσμένον ἐστίν.
90 als ik (het) tenminste kan voltooien en het iets is dat ooit is vervuld/vervulbaar is.
91 Ἀλλ’ ἕπεο προτέρω, ἵνα τοι πὰρ ξείνια θείω.”
91 Maar volg mij verder, opdat ik bij jou een gastmaal neerzet.’
92 Ὣς ἄρα φωνήσασα θεὰ παρέθηκε τράπεζαν
92 Nadat de godin zo dus/dan had gesproken, zette zij een tafel (bij hem) neer
93 ἀμβροσίης πλήσασα, κέρασσε δὲ νέκταρ ἐρυθρόν.
93 na die gevuld te hebben met godenspijs, en zij mengde de rode nectar.
94 Αὐτὰρ ὁ πῖνε καὶ ἦσθε διάκτορος ἀργειφόντης.
94 En hij dronk en at, de bode/schenker, de Argusdoder.
95 Αὐτὰρ ἐπεὶ δείπνησε καὶ ἤραρε θυμὸν ἐδωδῇ,
95 En toen hij had gegeten en zijn hart/gemoed met het eten had gesterkt,
96 καὶ τότε δή μιν ἔπεσσιν ἀμειβόμενος προσέειπεν·
96 toen nu sprak hij ten antwoord tot haar met de woorden:
C: Hermes is door zeus gestuurd
97 Εἰρωτᾷς μ’ ἐλθόντα θεὰ θεόν· αὐτὰρ ἐγώ τοι
97 Jij vraagt mij die gekomen is/nu ik gekomen ben, een godin een god; ik zal van mijn kant jou
mijn mededeling/de zaak naar waarheid zeggen;
98 νημερτέως τὸν μῦθον ἐνισπήσω· κέλεαι γάρ.
98 jij vraagt er namelijk om.
99 Ζεὺς ἐμέ γ’ ἠνώγει δεῦρ’ ἐλθέμεν οὐκ ἐθέλοντα·
99 Zeus spoorde mij aan hierheen te komen, ook al wilde ik niet;
100 τίς δ’ ἂν ἑκὼν τοσσόνδε διαδράμοι ἁλμυρὸν ὕδωρ
100 want wie zou vrijwillig snellen over het zo grote zilte water, ontzaglijk groot?
101 ἄσπετον; Οὐδέ τις ἄγχι βροτῶν πόλις, οἵ τε θεοῖσιν
101 Ook is er nabij geen stad van mensen, die aan goden
102 ἱερά τε ῥέζουσι καὶ ἐξαίτους ἑκατόμβας.
102 en offers brengen en uitgelezen feestoffers/hecatomben.
103 Ἀλλὰ μάλ’ οὔ πως ἔστι Διὸς νόον αἰγιόχοιο
103 Maar het is volstrekt niet mogelijk dat een andere god het plan/de wil van de aegis dragende
Zeus
104 οὔτε παρεξελθεῖν ἄλλον θεὸν οὔθ’ ἁλιῶσαι.
104 noch/of schendt noch/of verijdelt.
D: Calypso moet van Zeus Odysseus laten gaan
105 Φησί τοι ἄνδρα παρεῖναι ὀϊζυρώτατον ἄλλων,
105 Hij zegt dat er een man bij jou aanwezig is, de rampzaligste in verhouding/vergelijking met
anderen,
106 τῶν ἀνδρῶν, οἳ ἄστυ πέρι Πριάμοιο μάχοντο
106 van/behorend tot de mannen/helden die rond de stad van Priamus negen jaar lang streden,