Biologie Fleur Dalenberg CTP 6.2
THEMA 1 INLEIDING IN DE BIOLOGIE
Wat is biologie?
Biologie is de leer van het leven.
Met stofwisseling worden alle chemische reacties in een organisme
bedoeld,
Een individu heeft een levensloop, start-dood.
Een levenscyclus heeft betrekking tot een bepaalde soort als geheel. Zij
doorlopen als soort dezelfde fasen. Levenscyclus eindigt als de soort
uitsterft. Als individu heb je je taak volbracht in de organisatie als je je
voortplant, je levenscyclus is dan volbracht.
Organisatieniveaus:
- Cel
- Weefsel
- Orgaan
- Organenstelsel
- Organisme
Emergente eigenschappen:
Als er op een organisatieniveau een nieuw eigenschap ontstaat die er op
een lager organisatieniveau niet is, noem je dat een emergente
eigenschap. Zoals dat een populatie vliegen in een v-vorm. Of
spierweefsel, dat kan niet bloed rondpompen, het hart wel, dus het
emergente eigenschap is het rondpompen van bloed.
Organen, weefsels en cellen
Een organenstelsel bestaat uit een aantal organen dat samen een
bepaalde functie uitoefent.
Een groep cellen met dezelfde vorm en functie noem je een weefsel.
- Dekweefsel (epitheelweefsel) alles wat je lichaam bedekt.
- Zenuwweefsel
- Spierweefsel
- Bindweefsel (wat zorgt voor stevigheid en geeft organen de vorm en
bewaart de vorm)
- Kraakbeenweefsel
- Beenweefsel
,De vorm van de cellen in een weefsel hangt nauw samen met de functie.
Ook de tussencelstof hangt samen met de functie van een weefsel.
Organen :
Bij alle onderdelen van het lichaam is er een verband tussen de vorm dat
het heeft en de functie ervan, denk aan oorschelpen; ze hebben die vorm
om geluidstrillingen op te vangen.
Plantaardige & dierlijke cellen
Lichtmicroscoop.
Bij een lichtmicroscoop valt het licht van onder door een preparaat.
Lichtmicroscopen op scholen vergroten meestal tot 1000x.
Bijeen electrodenmicroscoop wordt een bundel electroden op het object
gericht. Er zijn grofweg 2 type electrodenmicroscopen:
- Transmissie electrodenmicroscoop (TEM)
- Scanning electrodenmicroscoop (SEM)
Een TEM geeft een tweedimensionaal beeld. -> geen diepte
Een SEM geeft een driedimensionaal beeld.
Met electrodenmicroscoop kan je alleen het in zwart-wit zien dus als het
kleur heeft is het er daarna gedaan.
,Vergroting berekenen:
De vergroting waarmee je door de microscoop kijkt is de vergroting
oculair x vergroting objectief.
Vergroting object/afbeelding berekenen:
De vergroting van een object of afbeelding bereken je als volgt:
Grootte van afbeelding / werkelijke grootte object.
Celorganellen
Dierlijke cel – Binas 79C
Celkern: regelt alles wat er in de cel gebeurt, geeft instructies aan de cel
d.m.v. mRNA.
RER: daar worden de eiwitten gevormd. De eiwitsynthese zelf wordt in het
RER uitgevoerd door ribosomen.
GER: in dit gedeelte zitten bijna geen ribosomen. Hier vindt de synthese
van bijvoorbeeld lipiden en fosfolipiden plaats. Ook is het een
doorvoerplek van hevormde eiwitten (door RER) naar het golgi systeem.
Ribosoom: maakt aan de hand van de instructie van mRNA eiwitten. Er
bevinden zich ook losse ribosomen in het cytoplasma. Chaperonne
eiwitten helpen gevormde eiwitten in de juiste vorm te vouwen en
beschermen tegen verkeerd gevouwen eiwitten.
Transportblaasje: vervoeren stoffen door de cel heen, maar kunnen
stoffen ook naar het celmembraan sturen (of andersom). De
transportblaasjes worden vervoerd langs het cytoskelet (soort
kabelbaantjes).
Cytoskelet: is een netwerk van eiwitvezels in de cel. Het geeft de cel zijn
stevigheid en vorm. Daarnaast kunnen er stoffen langs het cytoskelet
worden vervoerd.
Golgisysteem: hier worden de eiwitten, die in het RER worden gevormd,
gebruiksklaar gemaakt en worden vervolgens ‘gelabeld’ en verstuurd.
Mitochondrium: hierin wordt glucose verbrand. Met de vrijgekomen ATP
gevormd uit ADP. ATP is de brandstof voor elke cel. Op het moment dat
ATP wordt verbruikt ontstaat ADP.
Lysosoom: blaasje gevuld met verterende enzymen met als functie om
eiwitten of oude organellen op te ruimen. De pH-waarde in een lysosoom
, is lager (5) dan de pH-waarde in het cytoplasma (7). Mocht een lysosoom
knappen, dan zullen de verterende enzymen inactief worden.
Peroxisoom: zijn blaasjes gevuld met o.a. waterstofperoxide. Zij spelen
een belangrijke rol bij het neutraliseren van giftige stoffen (alcohol).
Celmembraan: opgebouwd uit dubbele laag van fosfolipiden. Hierin zitten
speciale eiwitten die als poortjes dienen voor de toegang van bepaalde
stoffen.
Cytoplasma: is een vloeistof in de cel waarin alle cel onderdelen liggen en
ook alle bouwstenen voor eiwitten (de aminozuren).
De cel als zelfstandig functionerende eenheid.
Als de cel overbelast raakt, dan gaat hij zichzelf vernietigen -> apoptose
(gereguleerde zelfdood). De cellen die overblijven krijgen het dan heel
druk waardoor elke cel uitvalt, zoals met insuline -> diabetes Mellitus. Dus
als je teveel suiker eet.
Membranen:
Het celmembraan is opgebouwd uit een dubbele laag fosfolipiden.
Dat bestaat uit een kop van fosfaat, en 2 staartjes van lipiden
(vetdeeltjes). Het kopstuk is hydrofiel (waterminnend) en de
dubbelestaartstuk is hydrofoob (bang voor water). Als je dus een
vetdruppel in water gooit dan gaan die vetdruppels elkaar opzoeken en de
stukjes die hydrofiel zijn gaan naar de buitenkant. Zo ontstaat er een
celmembraan.
THEMA 1 INLEIDING IN DE BIOLOGIE
Wat is biologie?
Biologie is de leer van het leven.
Met stofwisseling worden alle chemische reacties in een organisme
bedoeld,
Een individu heeft een levensloop, start-dood.
Een levenscyclus heeft betrekking tot een bepaalde soort als geheel. Zij
doorlopen als soort dezelfde fasen. Levenscyclus eindigt als de soort
uitsterft. Als individu heb je je taak volbracht in de organisatie als je je
voortplant, je levenscyclus is dan volbracht.
Organisatieniveaus:
- Cel
- Weefsel
- Orgaan
- Organenstelsel
- Organisme
Emergente eigenschappen:
Als er op een organisatieniveau een nieuw eigenschap ontstaat die er op
een lager organisatieniveau niet is, noem je dat een emergente
eigenschap. Zoals dat een populatie vliegen in een v-vorm. Of
spierweefsel, dat kan niet bloed rondpompen, het hart wel, dus het
emergente eigenschap is het rondpompen van bloed.
Organen, weefsels en cellen
Een organenstelsel bestaat uit een aantal organen dat samen een
bepaalde functie uitoefent.
Een groep cellen met dezelfde vorm en functie noem je een weefsel.
- Dekweefsel (epitheelweefsel) alles wat je lichaam bedekt.
- Zenuwweefsel
- Spierweefsel
- Bindweefsel (wat zorgt voor stevigheid en geeft organen de vorm en
bewaart de vorm)
- Kraakbeenweefsel
- Beenweefsel
,De vorm van de cellen in een weefsel hangt nauw samen met de functie.
Ook de tussencelstof hangt samen met de functie van een weefsel.
Organen :
Bij alle onderdelen van het lichaam is er een verband tussen de vorm dat
het heeft en de functie ervan, denk aan oorschelpen; ze hebben die vorm
om geluidstrillingen op te vangen.
Plantaardige & dierlijke cellen
Lichtmicroscoop.
Bij een lichtmicroscoop valt het licht van onder door een preparaat.
Lichtmicroscopen op scholen vergroten meestal tot 1000x.
Bijeen electrodenmicroscoop wordt een bundel electroden op het object
gericht. Er zijn grofweg 2 type electrodenmicroscopen:
- Transmissie electrodenmicroscoop (TEM)
- Scanning electrodenmicroscoop (SEM)
Een TEM geeft een tweedimensionaal beeld. -> geen diepte
Een SEM geeft een driedimensionaal beeld.
Met electrodenmicroscoop kan je alleen het in zwart-wit zien dus als het
kleur heeft is het er daarna gedaan.
,Vergroting berekenen:
De vergroting waarmee je door de microscoop kijkt is de vergroting
oculair x vergroting objectief.
Vergroting object/afbeelding berekenen:
De vergroting van een object of afbeelding bereken je als volgt:
Grootte van afbeelding / werkelijke grootte object.
Celorganellen
Dierlijke cel – Binas 79C
Celkern: regelt alles wat er in de cel gebeurt, geeft instructies aan de cel
d.m.v. mRNA.
RER: daar worden de eiwitten gevormd. De eiwitsynthese zelf wordt in het
RER uitgevoerd door ribosomen.
GER: in dit gedeelte zitten bijna geen ribosomen. Hier vindt de synthese
van bijvoorbeeld lipiden en fosfolipiden plaats. Ook is het een
doorvoerplek van hevormde eiwitten (door RER) naar het golgi systeem.
Ribosoom: maakt aan de hand van de instructie van mRNA eiwitten. Er
bevinden zich ook losse ribosomen in het cytoplasma. Chaperonne
eiwitten helpen gevormde eiwitten in de juiste vorm te vouwen en
beschermen tegen verkeerd gevouwen eiwitten.
Transportblaasje: vervoeren stoffen door de cel heen, maar kunnen
stoffen ook naar het celmembraan sturen (of andersom). De
transportblaasjes worden vervoerd langs het cytoskelet (soort
kabelbaantjes).
Cytoskelet: is een netwerk van eiwitvezels in de cel. Het geeft de cel zijn
stevigheid en vorm. Daarnaast kunnen er stoffen langs het cytoskelet
worden vervoerd.
Golgisysteem: hier worden de eiwitten, die in het RER worden gevormd,
gebruiksklaar gemaakt en worden vervolgens ‘gelabeld’ en verstuurd.
Mitochondrium: hierin wordt glucose verbrand. Met de vrijgekomen ATP
gevormd uit ADP. ATP is de brandstof voor elke cel. Op het moment dat
ATP wordt verbruikt ontstaat ADP.
Lysosoom: blaasje gevuld met verterende enzymen met als functie om
eiwitten of oude organellen op te ruimen. De pH-waarde in een lysosoom
, is lager (5) dan de pH-waarde in het cytoplasma (7). Mocht een lysosoom
knappen, dan zullen de verterende enzymen inactief worden.
Peroxisoom: zijn blaasjes gevuld met o.a. waterstofperoxide. Zij spelen
een belangrijke rol bij het neutraliseren van giftige stoffen (alcohol).
Celmembraan: opgebouwd uit dubbele laag van fosfolipiden. Hierin zitten
speciale eiwitten die als poortjes dienen voor de toegang van bepaalde
stoffen.
Cytoplasma: is een vloeistof in de cel waarin alle cel onderdelen liggen en
ook alle bouwstenen voor eiwitten (de aminozuren).
De cel als zelfstandig functionerende eenheid.
Als de cel overbelast raakt, dan gaat hij zichzelf vernietigen -> apoptose
(gereguleerde zelfdood). De cellen die overblijven krijgen het dan heel
druk waardoor elke cel uitvalt, zoals met insuline -> diabetes Mellitus. Dus
als je teveel suiker eet.
Membranen:
Het celmembraan is opgebouwd uit een dubbele laag fosfolipiden.
Dat bestaat uit een kop van fosfaat, en 2 staartjes van lipiden
(vetdeeltjes). Het kopstuk is hydrofiel (waterminnend) en de
dubbelestaartstuk is hydrofoob (bang voor water). Als je dus een
vetdruppel in water gooit dan gaan die vetdruppels elkaar opzoeken en de
stukjes die hydrofiel zijn gaan naar de buitenkant. Zo ontstaat er een
celmembraan.