Samenvatting
onderzoeksmethoden
voor bedrijfskunde
Prof. dr. Petrus Te Braak
AJ 2025-2026
,INHOUD
1. Inleiding tot het studiedeel ...................................................................................................1
2. The scientific approach (H2).................................................................................................1
2.1 Wat heet wetenschap? ...................................................................................................2
2.2 Positie van sociale wetenschappen ................................................................................2
2.3 Brede definitie sociaalwetenschappelijk onderzoek ........................................................3
2.4 Inductie en deductie.......................................................................................................4
2.5 Rationalisme vs. empiricisme .........................................................................................5
2.6 Wetenschapsfilosofie.....................................................................................................7
3. Introduction to business research (H1) ............................................................................... 16
4. Research process .............................................................................................................. 18
4.1 Van onderwerp naar masterproef .................................................................................. 18
4.2 Kenmerken van wetenschappelijk onderzoek ................................................................ 19
4.3 Ethiek: Ethische principes ten aanzien van onderzoeksubjecten .................................... 21
5. Probleemstelling (H4) ........................................................................................................ 24
6. Kritische literatuurstudie (H5) ............................................................................................ 27
6.1 Inleiding ....................................................................................................................... 27
6.2 Kritische literatuurstudie .............................................................................................. 27
7. Theoretisch raamwerk en ontwikkelen van hypothese (H6) .................................................. 32
8. Elementen uit het onderzoeksopzet (H7) ............................................................................ 35
9. Meten: Operationele definitie (H12) .................................................................................... 37
10. Meten: schalen, betrouwbaarheid en validiteit (H13) ......................................................... 39
11. Steekproeftrekking (H14).................................................................................................. 43
11.1 Stap 1: Definieer populatie.......................................................................................... 44
11.2 Stap 2: Bepaal steekproefkader .................................................................................. 44
11.3 Stap 3: Bepaal steekproefontwerp .............................................................................. 44
11.3.1 Probabilistisch ..................................................................................................... 45
11.3.2 Niet-probabilistisch ............................................................................................. 47
11.4 Stap 4: Bepaal de gepaste steekproefgrootte ............................................................... 48
11.5 Stap 5: Voer het proces van steekproeftrekking uit ....................................................... 48
12. Vragenlijsten (H10) .......................................................................................................... 49
13. Experimenteel ontwerp (H11) ........................................................................................... 52
14. Kwalitatieve onderzoeksmethoden (gastcollege)............................................................... 57
14.1 Interviews .................................................................................................................. 57
, 14.1.1 Individuele interviews ........................................................................................... 57
14.1.2 Groepsinterviews ................................................................................................. 61
14.2 Thematische analyse en gefundeerde theorie (grounded theory) (gastcollege) .............. 62
14.4 Case-studieontwerp/case study design ...................................................................... 65
15. Content analyse: een praktisch voorbeeld van eigen onderzoek ........................................ 66
15.1 Theorie....................................................................................................................... 66
16. Observaties (H9) .............................................................................................................. 69
17. WPO 1 ............................................................................................................................. 72
17.1 Probleemstelling (WP1) .............................................................................................. 72
18. WPO 2 ............................................................................................................................. 75
18.1 Introductie ................................................................................................................. 75
18.2 Kwaliteitsvereisten (WP2) ........................................................................................... 75
18.2.1 Kwaliteitsvereisten voor kwantitatieve studies ...................................................... 75
18.2.2 Kwaliteitsvereisten voor kwalitatieve studies ........................................................ 77
18.3 Kadering van het onderzoek (WP3) .............................................................................. 79
19. Voorbeeld examenvragen ................................................................................................. 81
,1. INLEIDING TOT HET STUDIEDEEL
Waarom onderzoeksmethoden?
• Weerbaar zijn in een samenleving gedreven door onderzoek
• Helpt ons beslissingen te nemen
• Onderzoeksmethoden als noodzaak → wetenschap is een voortdurend proces
Drie ultieme doelstellingen
1. Wat is onderzoek?
o Inzicht in de rol en relevantie van onderzoeksmethoden in bedrijfskunde
2. Zelf onderzoek leren uitvoeren
o Inzicht verwerven in de bronnen en methodes voor onderzoek
o Onderbouwde methodologische keuzes kunnen maken bij het voeren van
onderzoek
▪ Inzicht in de verschillende stappen van het onderzoeksproces
▪ Methodologische terminologie en onderliggende begrippen die gebruikt
wordt in de sociale wetenschappen kunnen toepassen
▪ Inzicht in de voor- en nadelen van verschillende onderzoeksdesigns,
methoden van dataverzameling en operationalisering
▪ Correcte onderzoeksattitude aanleren: empirie, logica, literatuur,
ethisch
3. Onderzoek kunnen evalueren en beoordelen
o Een wetenschappelijke en kritische houding aannemen tegenover verschillende
denk- en werkwijzen in de onderzoekspraktijk => via WPO’s
Brede basis in dit vak
• Methodologie
• Extreem uitgebreid domein - verscheidene aspecten komen in andere vakken aan bod:
literatuurstudie, effectieve dataverzameling, statistische verwerking en data-analyse,
kwalitatieve onderzoekstechnieken, academisch schrijven → Hier: breed overzicht
2. THE SCIENTIFIC APPROACH (H2)
Doelstellingen
• Kunnen uitleggen wat er wordt bedoeld met (sociaal)wetenschappelijk onderzoek
• Belang van de context in sociaalwetenschappelijk onderzoek kunnen duiden
• Kunnen uitleggen wat de belangrijkste ontologische en epistemologische
wetenschapsfilosofische perspectieven zijn op wetenschap en hoe zij zich van elkaar
onderscheiden (bv. positivisme, neo-positivisme, interpretivisme, constructivisme,
kritisch realisme, pragmatisme)
• De inductieve-deductieve cyclus kunnen uitleggen en illustreren met voorbeelden
1
,2.1 WAT HEET WETENSCHAP?
Wat?
• Systeem/methode om tot gefundeerde kennis te komen
• Langzaam eeuwenlang proces
• Geaccumuleerde kennis: georganiseerd in theorieën en gestoeld op empirische gegevens
Verschil tussen wetenschappelijke kennis en alledaagse/andere vormen van kennis?
• Strikte regels om de kwaliteit te waarborgen en zo tot geldige en betrouwbare kennis te
komen
Andere bronnen van kennis
• Eigen ervaringen en waarnemingen
• Pers, media (werd vroeger als meer feitelijk beschreven dan nu)
• Ideologieën
“The whole point of science is that most of it is uncertain. That's why science is exciting, because
we don't know. Science is all about things we don't understand. The public, of course, imagines
science is just a set of facts. But it's not. Science is a process of exploring, which is always partial.
We explore, and we find out things that we understand. We find out things we thought we
understood were wrong. That's how it makes progress. “
- Physicist Freeman Dyson - uncertainty in Science (2014): Een belangrijk punt van
wetenschappelijke kennis is dat het altijd onzeker is (<-> dogmatische kennis). We
ontwikkelen theorieën en verwerpen die na een aantal jaar weer. Het is nooit volledig.
2.2 POSITIE VAN SOCIALE WETENSCHAPPEN
Alfa, beta- en gammawetenschappen
• Organisatie in grote wetenschapsgebieden en disciplines beïnvloedt onze manier van
denken en wetenschap uitoefenen
• Wat is er zo bijzonder aan sociale wetenschappen?
• Methodologie is onderdeel van elke discipline
• Welke methoden moet sociaalwetenschappelijk onderzoek gebruiken? → methodenstrijd
Alfa- en betawetenschappen (19e eeuw)
• Alfa-wetenschap (geesteswetenschap) = klassieke studie van menselijke productie
(musicologie, taalkunde, geschiedenis…)
• Beta-wetenschap (natuurwetenschap) = vooral over natuurwetten (hard sciences/
exacte wetenschappen: fysica, chemie,…).
• De hele praktijk van wetenschap is gestart bij beta-wetenschappen (waren het meest
productief om aan wetenschappelijke kennis te doen)
• C.P. Snow (1959) “The Two Cultures”
2
,Gammawetenschappen - sociale wetenschappen (20e eeuw)
• Gamma-wetenschap (sociale wetenschappen/menswetenschappen) = iets
onderzoeken waar we zelf deel van uitmaken en waarbij ons onderzoek directe gevolgen
kan hebben voor hetgeen we onderzoeken (vb. bedrijfskunde, sociologie)
• Focus op mensen & maatschappij
• Past niet in alfa/betawetenschappen
• Dit wordt ook wel ‘harder sciences’ genoemd
• Wolf Lepenies (1985) “Die drei Kulturen”
2.3 BREDE DEFINITIE SOCIAALWETENSCHAPPELIJK ONDERZOEK
Sociaalwetenschappelijk onderzoek = Productie van geldige en betrouwbare kennis over de
sociale realiteit door het combineren van theorie (ideeën, bestaande kennis) en empirie
(gegevens uit de echte wereld, zoals enquêtes en interviews) volgens rigoureuze (strenge)
methodologische principes.
• Geldigheid gaat over meten wat we willen meten (vb. duidelijkheid over het woord ‘job
satisfaction’ bij afnemen van een enquête)
• Betrouwbaarheid gaat over dat we op dezelfde manier moeten onderzoeken (vb.
temperatuur wordt altijd gemeten in Ukkel)
Context van sociaalwetenschappelijk onderzoek
• Wetenschap is een product van verschillende waarden, theorieën, epistemologische en
ontologische assumpties en praktische beperkingen
• Geen vacuüm → context van verschillende elementen
o Theorieën
o Visie op theorie & empirie
o Epistemologische & ontologische beschouwingen
o Ethische beschouwingen
o Doel onderzoek
o Politieke context
o Persoonlijkheid van de onderzoeker
Wat is een theorie?
• Verhalen die we maken over onze realiteit (over het hoe en waarom), dat doen we op basis
van concepten
• Logisch samenhangend geheel van uitspraken over relaties tussen concepten =
bouwstenen
o Voorbeeld Broken Window Theory: brengt de concepten ‘criminaliteit’ en
‘verloedering’ met elkaar samen
▪ Daar waar verloedering is (vb. ingeslagen ruit) voelen mensen dat er
minder normen worden nageleefd, er is minder sociale controle →
mensen stellen zich sneller crimineel op → meer criminaliteit
3
, • Een theorie moet altijd empirisch toetsbaar zijn
o Verifieerbaar (waarneembaar = observeerbare gevolgen)
o Weerlegbaar (mogelijk te weerleggen)
o Gemeenschappelijk, transparantie
o Belangrijk verschil met andere kennissystemen
• Veralgemeenbaar: gaat over meer dan éénmalig fenomeen op één plaats
o “Theorieën zijn verklaringen voor terugkerende patronen of voor regelmatigheden
in het sociale leven.” (Blaikie, 2000, p. 143)
• => In lekentaal:
theorie = verhalen over het hoe en waarom verschijnselen optreden, op basis van
concepten
Wat is een empirie?
• Ervaren van de wereld rondom ons door waarneming (via onze 5 zintuigen)
• In de wetenschap gebeurt dat via dataverzameling
• Is elke observatie betrouwbaar? Kunnen we effectief objectief waarnemen?
→ Dat is moeilijk, er is sprake van intersubjectiviteit (we kijken allemaal op een
andere manier naar de wereld en naar onszelf)
Samenspel tussen empirie en theorie → ‘empirische cyclus’
• Verloopt via twee argumentaties
o Vanuit een observatie (inductie) of van specifiek naar algemeen
o Vanuit een theorie (deductie) of van algemeen naar specifiek
→ Inductieve-deductieve cyclus of empirische cyclus
2.4 INDUCTIE EN DEDUCTIE
Hoe komen theorieën tot stand: voortdurend proces
• Inductie
o Observeren van fenomenen die vragen oproepen
o Systematische observatie → hypothesen → theorie
o Vb. Je gaat naar verschillende parken en ziet enkel witte zwanen, je leidt inductief
af dat alle zwanen op aarde wit zijn
• Deductie
o Theorie onderwerpen aan
➔ toetsing en evaluatie
➔ bijstelling
4