Writing Grammar 11-20
Writing Grammar 11 Vragende voornaamwoorden
Who: wie, whose: van wie en whom: nette, ouderwetse vorm van ‘who’.
Who(m) did you see, whose fault is it and whom did you talk?
‘What?’ vraagt naar personen, dieren of zaken in het algemeen.
Waar is dit voor? → What is this for? Hoe heet dat? → What’s that called?
‘Which?’ vraagt naar personen, dieren of zaken uit een beperkt aantal.
Writing Grammar 12 Woordvolgorde
Tijdsbepaling → onderwerp → werkwoord → voorwerp → plaatsbepaling →
tijdsbepaling.
OW, WW en LV vormen de kern van de Engelse zin. Plaats nooit bepalingen
tussen WW en LV.
‘We kwamen afgelopen week een vriend tegen.’ → ‘We met a friend last week.’
In vraagzinnen staat het OW na het hulpwerkwoord of na ‘to be’. Do you like
this? Is this yours?
Het OW staat na het HWW als de zin met ontkennende bepaling begint. (Never
(again), only (then/when/after/), not until, seldom, rarely, no sooner than,
when) Only then did he arrive.
Writing Grammar 13 Kunnen
Kunnen, in staat zijn, mogen toestemming hebben, mogelijk zijn → can of
could.
He can do it. She couldn’t find it. You can go now. Could I smoke in here? You
can go by plane.
‘Can’ kan alleen in TT en could alleen in VT. Bij andere tijden gebruik je vormen
van ‘be able to’.
He will be able to walk again in a few weeks. She hoped she would have been
able to go.
‘Could’ betekent vooral dat iemand in het algemeen in staat is tot iets.
He could run very fast when he was young.
Bij een bepaalde situatie in het verleden → able/managed to.
Everyone was able to/managed to escape.
Als iets niet is gebeurd → could (have). Als iets wel echt is gebeurd → had been
able to.
You could win the competition. You could’ve known. He had been able to travel
in his youth.
Writing Grammar 14 Mogen
Mogen, toestemming hebben → may. You may go now. May I borrow your car?
Niet mogen → must not (verbod vanuit de spreker) of not be allowed to
(algemeen verbod).
You musn’t tell anybody. You are not allowed to cross here.
Misschien, het kan zijn dat → may. I may be wrong. That may be so.
Misschien, zou kunnen → might (drukt grotere onzekerheid uit dan may) He
might be there.