Chapter 2: Getting started with R
2.1 Typing commands
Je voert een commando in en R zal dat commando uitvoeren.
Bv. commando = 10+20, R’s antwoord op het commando = 30
2.1.1 Be very careful to avoid typos
Typ altijd precies wat je bedoelt en vermijdt typos.
R is te dom om iets anders te doen dan je instructies letterlijk te interpreteren.
2.1.2 R is (a bit) flexible with spacing
R is slim genoeg om overbodige spaties te negeren.
2.2 Doing simple calculations
● Operation (bv. addition)
● Operator voert je operation uit (bv. +)
2.2.1 Adding, subtracting, multiplying and dividing
Nu gaan we het hebben over een aantal arithmetic operations (= rekenkundige
operaties).
Operation Operator Example input Example output
addition + 10+2 12
subtraction - 9-3 6
multiplication * 5*5 25
division / 9/3 3
power ^ of ** 5^2 25
4**2 16
2.2.2 Taking powers
x^n = x verheffen tot de n-de macht
x^2 = kwadraat
x^3 = cubed
1
,2.2.3 Doing calculations in the right order
In welke volgorde doet R berekeningen?
● Van links naar rechts
● In de BEDMAS volgorde
○ Brackets
○ Exponents
○ Division and Multiplication
○ Addition and Subtraction
● Als je ooit niet zeker bent in welke volgorde R berekeningen doet, gebruik
dan haakjes
2.3 Storing a number as a variabele
Variabele = label voor een bepaald stukje informatie.
We willen een value toewijzen aan een variabele en dit doen we met de
assignment operator.
● Er zijn 3 soorten assignment operators:
○ variabele <- value
■ Dit is de meest gebruikte
○ value -> variabele
○ variabele = value
■ Hoewel je het niet ziet in het symbool zelf, heeft dit symbool
wel een richting
■ value = variabele zou error opleveren
2.4 Working with variables
Als je een variabele met een bepaalde waarde hebt en een nieuwe waarde aan
diezelfde variabele toekent, dan verwerpt R de oude waarde en neemt de
variabele de nieuwe waarde aan.
2.5 Doing calculations using variables
Als je getallen aan variabelen hebt toegekend, kan je ook berekeningen met je
variabelen gaan doen.
2.6 Storing many numbers as a vector
Vector = een variabele die meerdere waarden kan opslaan
● Een vector maken kan het beste met de combine functie c( )
2
, ● Eens je vector gemaakt is kan je er altijd nog elementen aan toevoegen
2.7 Working with a vector
2.7.1 Getting information out of a vector
Wat betekent [1] nu voor het antwoord? R geeft het eerste getal(len) dat je hebt
opgevraagd.
2.7.2 Altering the elements of a vector
Je kan een of meerdere elementen in je vector aanpassen indien nodig.
Bv. de waarde van je 5de maand veranderen
2.7.3 Using a shorthand to access a vector
c(number:number)
variabele[#number element : #number element]
Er is ook zoiets als de recycling rule
3
,2.8 Doing calculations with vectors
2.8.1 Using a single number
Wanneer je een vector met een enkel getal vermenigvuldigt, worden alle
elementen in de vector vermenigvuldigd. Hetzelfde geldt voor optellen, aftrekken,
delen en machten.
2.8.2 Using another vector
Het is belangrijk om te weten dat elke maand een verschillend aantal dagen
heeft.
Dit kan je ook gebruiken om bv. je winst per dag te berekenen.
2.8.3 The recycling rule
We illustreren de recycling rule adhv een voorbeeld.
R recycleert de waarden van de kortere vector meerdere keren.
Wat als de lengte van de langere vector geen exact veelvoud is van de lengte van
de kortere vector?
R voert het nog steeds uit, maar geeft je ook een waarschuwingsbericht.
2.9 Using functions to do calculations
2.9.1 Using a single number
Calling the function = ‘calling’ is wanneer we een functie gebruiken om iets uit te
voeren.
4
,Arguments = de waarden die we in de functie invoeren.
Square root function = de vierkantswortel van een getal berekenen. → sqrt( )
Absolute value function = de absolute waarde van een getal nemen. → abs( )
2.9.2 Using a vector
Je kan ook een vector als input invoeren voor de functie.
length( ) = dit geeft het aantal elementen in je vector weer.
2.10 Combining stuff and the work-from-within-rule
Je kan bovenstaande zaken combineren.
We maken ook gebruik van de work-from-within-rule.
● sqrt(abs(-25))
● Ik neem eerst de absolute waarde van 25 en vervolgens neem ik de
vierkantswortel daarvan
● En dus niét: ik neem de vierkantswortel van de absolute waarde van 25
(links naar rechts)
2.11 Using comments
Comment = dit duiden we aan met #.
● De # vertelt R om alles wat erna is geschreven te negeren
● Je gebruikt comments voor jezelf om beter te weten wat je exact hebt
gedaan
5
,Chapter 3: More fun with R
3.1 Errors and warnings
Error = R kon niet uitvoeren wat je had gevraagd en is daarom gestopt zonder
output te genereren.
Warning = R gaat gewoon door en genereert output, maar vermoedt dat er iets
niet klopt.
3.2 Text data
Vaak zal je data numeriek zijn, maar niet altijd. Soms moet je data worden
beschreven met tekst in plaats van met getallen.
3.2.1 Storing text data
Character string = “...” of ‘...’ → gebruikt om ervoor te zorgen dat R de ingesloten
tekst behandelt als een stuk tekstdata.
3.2.2 Storing text data as a vector
Character vector = dit is een vector die bestaat uit tekstdata.
3.2.3 Working with text data
nchar( ) = dit geeft ons het aantal letters in woorden of elementen van een vector.
3.3 Logical data aka “true” or “false” data
Logical value = een bewering over of iets true of false is.
● Er bestaan 2 logical values:
○ TRUE
○ FALSE
3.3.1 Assessing mathematical truths
Equality operator (==) = gebruikt om te bepalen of iets true of false is.
6
, Opgelet: verwar dit niet met een assignment operator (=) = gebruikt om een
waarde aan een variabele toe te wijzen.
3.3.2 Storing logical data
Logical data = true of false data.
Je kan logical data ook toekennen aan variabelen.
3.3.3 Storing logical data as a vector
Vectoren met logical values kan je op precies dezelfde manier opslaan als
vectoren met getallen en vectoren met tekstdata.
3.3.4 Working with logical data
Elke TRUE speelt de rol van een 1.
Elke FALSE speelt de rol van een 0.
3.3.5 More logical operations
Operation Operator Example input Example output
less than < 2<3 TRUE
less than or equal <= 2 <= 2 TRUE
to
greater than > 2>3 FALSE
greater than or >= 2 >= 2 TRUE
equal to
equal to == 2 == 3 FALSE
not equal to != 2 != 3 TRUE
not equal to operator geeft output TRUE wanneer beide kanten niet identiek aan
elkaar zijn.
3.3.6 Even more logical operations
Operation Operator Example input Example output
not ! !(1==1) FALSE
7