,1. Een patiënt vertoont na hersenletsel een onvermogen om
bewuste motorische handelingen uit te voeren, terwijl
onbewuste lichaamsprocessen zoals de hartslag stabiel
blijven. Welk deel van het zenuwstelsel is hier waarschijnlijk
primair aangedaan?
A. Het autonoom zenuwstelsel, omdat dit de aansturing van de
homeostase reguleert.
B. Het somatisch zenuwstelsel, aangezien dit verantwoordelijk is
voor de bewuste motoriek.
C. Het parasympathisch zenuwstelsel, vanwege de remmende
werking op fysiologische arousal.
D. Het sympathisch zenuwstelsel, omdat dit de fysiologische arousal
bij inspanning activeert.
2. Wat is het functionele gevolg voor een neuron wanneer de
hyperpolarisatiefase na een actiepotentiaal volledig
geblokkeerd zou worden?
A. Het neuron kan geen nieuwe actiepotentialen meer genereren
door een gebrek aan Na+-instroom.
B. De membraanpotentiaal blijft stabiel op het rustniveau, waardoor
prikkelbaarheid afneemt.
C. De kans op overactivatie neemt toe omdat de refractaire periode
niet correct wordt gevormd.
D. De snelheid van de saltatoire geleiding neemt toe door een
lagere weerstand bij de Nodes van Ranvier.
3. Bij de aandoening Multiple Sclerose (MS) wordt de myeline
rond axonen aangetast. Welk mechanisme wordt hierdoor
direct verstoord?
A. De integratie van synaptische input in het cellichaam.
B. De eiwitsynthese binnen de organellen van het soma.
C. De snelheid en efficiëntie van de actiepotentiaalgeleiding.
D. De neurotransmitterbinding aan de postsynaptische receptoren.
4. Een laesie in de witte stof van de associatiebanen zal
waarschijnlijk leiden tot:
A. Een gebrek aan communicatie tussen de linker- en
rechterhemisfeer.
B. Een verstoring van de integratie tussen verschillende corticale
gebieden binnen één hemisfeer.
C. Een volledige uitval van motorische output vanuit de cortex naar
het ruggenmerg.
D. Een blokkade van de cerebrospinale vloeistofstroom in de
2
, ventrikels.
5. Indien de werking van de radiale gliacellen tijdens de
embryonale ontwikkeling faalt, wat is hiervan het meest
waarschijnlijke resultaat?
A. Er worden geen nieuwe neuronen aangemaakt vanuit de
stamcellen (neurogenese).
B. De gevormde neuronen migreren niet naar de juiste corticale
lagen, wat leidt tot misvormingen.
C. Het proces van synaptisch snoeien wordt versneld, wat leidt tot
een tekort aan verbindingen.
D. De vorming van de neurale buis wordt stopgezet, wat fataal is
voor het embryo.
6. Wat is het fundamentele verschil tussen de
'protomaptheorie' en de 'protocortextheorie' wat betreft
corticale organisatie?
A. De protomaptheorie benadrukt de rol van thalamische input,
terwijl de protocortextheorie uitgaat van genetica.
B. De protomaptheorie stelt dat de cortex aanvankelijk uniform is,
terwijl de protocortextheorie uitgaat van vroege specialisatie.
C. De protomaptheorie gaat uit van prenatale genetische
vastlegging, terwijl de protocortextheorie de nadruk legt op ervaring
en input.
D. De protomaptheorie richt zich op de subcorticale structuren,
terwijl de protocortextheorie zich beperkt tot de neocortex.
7. Waarom wordt schade aan de medulla oblongata doorgaans
als fataal beschouwd?
A. Omdat het de primaire plek is voor de consolidatie van het
episodisch geheugen.
B. Omdat het de verbinding vormt tussen de twee hemisferen
(corpus callosum). C. Omdat het vitale functies zoals ademhaling en
hartslag direct reguleert.
D. Omdat het de sensorische integratie van visuele en auditieve
prikkels verzorgt.
8. Bij een patiënt met schade aan de superieure colliculi is de
verwachting dat er problemen ontstaan met:
A. Het lokaliseren van geluidsbronnen in de omgeving.
B. Het maken van snelle, reflexmatige oriëntatiebewegingen van de
3