Nathalie van der Horst
Samenvatting kennis bij
stemscholing
1. Wat is goed stemgeluid en de 5 stemparameters.
Goed stemgeluid is te herkennen aan 5 stemparameters:
- Stemkwaliteit: leer je goed herkennen door te luisteren naar afwijkende
stemkwaliteit. Zoals schor, wiebelig, Hoorbare ruis, hees, wilde lucht, Kraakjes,
Geknepen.
Stemkwaliteit is te herkennen aan 4 kenmerken:
1. Zuiverheid: een goede sluiting van de stemplooien.
Niet goed hees
2. Regelmaat: stemplooien bewegen symmetrisch.
Niet goed schor
3. Vloeiendheid: het openen en sluiten van de stemplooien volgt vlot op elkaar.
Niet goed krakerig
4. Stabiliteit: de verkeerde aansturing van de spieren door bijvoorbeeld zenuwen of
problemen met luidheidscontrole. Een instabiele stem is bibberig of beverig.
- Toonhoogte: optimale spreektoonhoogte bij leeftijd, geslacht, stemsoort en
frequentie. Hoe sneller de stemplooi trilt, hoe hoger de toon. Bij een lage stem zijn
de stemplooien kort en breed en beweegt het grootste deel van de slijmvliesmassa.
Hoe hoger we spreken, hoe meer de stemplooien in lengterichting opspannen. Voor
mannen ligt de gemiddelde spreektoonhoogte tussen de 80 en 180 Hz en voor de
vrouwen tussen de 160 en de 280 Hz.
De habituele toonhoogte is de toonhoogte die iemand gewoonlijk gebruikt en die
kan afwijken van de natuurlijke toonhoogte.
De natuurlijke toonhoogte is de meest ideale toonhoogte volgens de bouw van het
stemapparaat.
- Luidheid: juiste luidheid passend bij situatie. Hoe sterker de ademkracht, hoe luider
de stem. Onze laagste tonen kunnen we alleen maar zacht produceren en onze
hoogste tonen alleen maar luid. De amplitude van de stemplooitrilling bepaald de
luidheid.
- Resonantie: juist evenwicht tussen orale en nasale klanken. Niet hypo- / hypernasaal.
Hyponasaal: te veel lucht door je neus.
Hypernasaal: te weinig lucht door je neus.
Ruimte trilt mee om bepaalde klanken te versterken of te verzwakken.
- Prosodie: juist gebruik van melodie en accenten. Niet monotoon. Denk hierbij aan
gebruik van toonhoogte, luidheid, intonatie, klemtoon, tempo en ritme.
2. Normaal of afwijkend stemgebruik?
Afwijkend stemgebruik: schor, hoorbare ruis, kraakjes, wilde lucht, hees, geknepen, onvast,
hypernasaal, hyponasaal, monotoon, luis/zacht, hoog/laag.
, Nathalie van der Horst
Ruis: een stukje van de stemplooien sluit niet goed, hierdoor komt er wilde lucht vrij. Dit niet
verwerkte lucht wat door de glottis heen komt hoor je ruis.
Hyponasaal: te veel lucht door je neus
Hypernasaal: te weinig lucht door je neus.
3. Wat is een perceptieve beoordeling van de stem?
Beoordeling op wat je hoort en ziet:
- Stem tijdens spontaan spreken
- Stemhygiëne
- Stembeheersing
- Maximale vocale prestaties
- Plasticiteit van de stem
o Kneedbaarheid
o Vormbaarheid
- Houding
- ademhaling
4. Anatomische structuren
Hyoid = tongbeen
Cricoid = ringkraakbeen
Thyroid = schildklier
Epiglottis = strotklepje
Arythenoiden = bekerkraakbeentjes
Trachea = luchtpijp
m. crico-arythenoideus lateralis: Vernauwen
stemspleet. Zorgt voor stemplooisluiting.
m. interarythenoideus transversus:
Zorgt ook voor dichtgaan stemplooien.
(horizontale spier)
m. interarythenoideus obliques: sluiten van
stemplooien (adductie). Verticaal, kruisende
spieren.
m. crico-arythenoideus posterior: actief bij inademing. Enige spier die stemplooien opent.
m. thyreo-arthenoideus (m. Vocalis): stemspier, maakt stemplooien langer of korter.
thyreohyodieus membraan: membraan tussen thyroid en hyoid (schildkraakbeen en
tongbeen). Tijdens slikken beweegt mee.
Sinii morgagni: ruimte tussen valse en ware stemplooien.
Samenvatting kennis bij
stemscholing
1. Wat is goed stemgeluid en de 5 stemparameters.
Goed stemgeluid is te herkennen aan 5 stemparameters:
- Stemkwaliteit: leer je goed herkennen door te luisteren naar afwijkende
stemkwaliteit. Zoals schor, wiebelig, Hoorbare ruis, hees, wilde lucht, Kraakjes,
Geknepen.
Stemkwaliteit is te herkennen aan 4 kenmerken:
1. Zuiverheid: een goede sluiting van de stemplooien.
Niet goed hees
2. Regelmaat: stemplooien bewegen symmetrisch.
Niet goed schor
3. Vloeiendheid: het openen en sluiten van de stemplooien volgt vlot op elkaar.
Niet goed krakerig
4. Stabiliteit: de verkeerde aansturing van de spieren door bijvoorbeeld zenuwen of
problemen met luidheidscontrole. Een instabiele stem is bibberig of beverig.
- Toonhoogte: optimale spreektoonhoogte bij leeftijd, geslacht, stemsoort en
frequentie. Hoe sneller de stemplooi trilt, hoe hoger de toon. Bij een lage stem zijn
de stemplooien kort en breed en beweegt het grootste deel van de slijmvliesmassa.
Hoe hoger we spreken, hoe meer de stemplooien in lengterichting opspannen. Voor
mannen ligt de gemiddelde spreektoonhoogte tussen de 80 en 180 Hz en voor de
vrouwen tussen de 160 en de 280 Hz.
De habituele toonhoogte is de toonhoogte die iemand gewoonlijk gebruikt en die
kan afwijken van de natuurlijke toonhoogte.
De natuurlijke toonhoogte is de meest ideale toonhoogte volgens de bouw van het
stemapparaat.
- Luidheid: juiste luidheid passend bij situatie. Hoe sterker de ademkracht, hoe luider
de stem. Onze laagste tonen kunnen we alleen maar zacht produceren en onze
hoogste tonen alleen maar luid. De amplitude van de stemplooitrilling bepaald de
luidheid.
- Resonantie: juist evenwicht tussen orale en nasale klanken. Niet hypo- / hypernasaal.
Hyponasaal: te veel lucht door je neus.
Hypernasaal: te weinig lucht door je neus.
Ruimte trilt mee om bepaalde klanken te versterken of te verzwakken.
- Prosodie: juist gebruik van melodie en accenten. Niet monotoon. Denk hierbij aan
gebruik van toonhoogte, luidheid, intonatie, klemtoon, tempo en ritme.
2. Normaal of afwijkend stemgebruik?
Afwijkend stemgebruik: schor, hoorbare ruis, kraakjes, wilde lucht, hees, geknepen, onvast,
hypernasaal, hyponasaal, monotoon, luis/zacht, hoog/laag.
, Nathalie van der Horst
Ruis: een stukje van de stemplooien sluit niet goed, hierdoor komt er wilde lucht vrij. Dit niet
verwerkte lucht wat door de glottis heen komt hoor je ruis.
Hyponasaal: te veel lucht door je neus
Hypernasaal: te weinig lucht door je neus.
3. Wat is een perceptieve beoordeling van de stem?
Beoordeling op wat je hoort en ziet:
- Stem tijdens spontaan spreken
- Stemhygiëne
- Stembeheersing
- Maximale vocale prestaties
- Plasticiteit van de stem
o Kneedbaarheid
o Vormbaarheid
- Houding
- ademhaling
4. Anatomische structuren
Hyoid = tongbeen
Cricoid = ringkraakbeen
Thyroid = schildklier
Epiglottis = strotklepje
Arythenoiden = bekerkraakbeentjes
Trachea = luchtpijp
m. crico-arythenoideus lateralis: Vernauwen
stemspleet. Zorgt voor stemplooisluiting.
m. interarythenoideus transversus:
Zorgt ook voor dichtgaan stemplooien.
(horizontale spier)
m. interarythenoideus obliques: sluiten van
stemplooien (adductie). Verticaal, kruisende
spieren.
m. crico-arythenoideus posterior: actief bij inademing. Enige spier die stemplooien opent.
m. thyreo-arthenoideus (m. Vocalis): stemspier, maakt stemplooien langer of korter.
thyreohyodieus membraan: membraan tussen thyroid en hyoid (schildkraakbeen en
tongbeen). Tijdens slikken beweegt mee.
Sinii morgagni: ruimte tussen valse en ware stemplooien.