College 1 (W1)
1.2 PLAATS VAN HET STRAFRECHT
Strafrecht houdt zich bezig met het bestra en van personen die een strafbaar feit hebben
gepleegd. Het strafrecht regelt wie straf kan krijgen en waarvoor. Het stra en gebeurd door de
overheid. De Staat heeft het monopolie op stra en. Als een burger een strafbaar feit pleegt, moet
hij verantwoording a eggen aan de overheid, die hem namens de samenleving straf kan
opleggen. Het civiele (burgerlijke) recht regelt de verhouding tussen burgers onderling. Als twee
burgers een civielrechtelijk geschil hebben, dan is dat hun zaak, en niet een zaak van de overheid.
Algemene regels op het gebied van het bestuursrecht vindt men in de Algemene wet
bestuursrecht (Awb). De verhouding tussen het bestuursrecht en het strafrecht is vrij complex. Zo
kunnen soms bestuurlijke sancties worden opgelegd door een bestuursorgaan voor gedragingen
die vroeger strafrechtelijk werden afgedaan.
In civielrechtelijke zin staat het burgers vrij elkaar voor de (burgerlijke) rechter te ‘slepen’. In
strafrechtelijke zin is dit anders geregeld. Burgers kunnen elkaar niet dagvaarden voor gepleegde
strafbare feiten. De enige die een verdachte van een strafbaar feit voor de (straf)rechter kan
brengen is een o cier van justitie. Hij is een vertegenwoordiger van het staatsorgaan dat belast is
met de vervolging van verdachten. Hij kan een verdachte dagvaarden, waardoor deze voor zijn
daden verantwoording moet a eggen ten overstaan van een rechter.
Er bestaan verschillende soorten dagvaardingen. Civielrechtelijke dagvaardingen worden
verstuurd door de ene burger aan de andere om een civielrechtelijk geschil uit te vechten ten
overstaan van de burgerlijke rechter, terwijl strafrechtelijk dagvaardingen worden verzonden door
een o cier van justitie om een verdachte terecht te laten staan voor de strafrechter.
Eigenrichting (het recht in eigen hand nemen) is verboden.
Civielrechtelijk procederen is een ingewikkelde, tijdrovende en geldverslindende aangelegenheid.
Daarom bestaat er binnen het strafrechtelijke systeem een mogelijkheid voor slachto ers van
strafbare feiten om als ‘benadeelde partij’ schadevergoeding te verzoeken aan de strafrechter.
Deze wettelijke voorziening zorgt ervoor dat slachto ers van strafbare feiten op een relatief
eenvoudige manier hun schade kunnen verhalen op de dader.
1.3 DOELEN VAN STRAFFEN
Het opleggen van een straf dient voornamelijk twee doelen: vergelding en preventie.
Het kwaad dat de dader van een strafbaar feit veroorzaakt bij het slachto er of aan de
maatschappij als geheel, wordt door het opleggen van straf in de eerst plaats vergolden door
leestoevoeging. Dit vergeldingsaspect kan zorgen voor een morele genoegdoening: de dader
heeft kwaad afgeroepen over de samenleving en daarom roept de samenleving kwaad af over
hem.
De preventiegedachte wordt minder intuïtief aangevoeld. Deze gaat uit van een eenvoudig
principe: mensen willen geen straf krijgen, dus zullen zij gedrag dat mogelijk tot straf leidt, zoveel
mogelijk proberen te voorkomen. Het opleggen van staf zou er zo toe moeten leiden dat minder
mensen strafbare feiten plegen.
Men onderscheidt twee soorten preventie: speciale en generale preventie.
De gedachte achter speciale preventie is dat een dader die in aanraking is gekomen met de
gevolgen van het overschrijden van een strafrechtelijke norm, de volgende keer wel twee keer zal
nadenken, voordat hij nog eens iets dergelijks doet. Dit moet dus voorkomen, of ontmoedigen,
dat de gestrafte wederom in de fout gaat. Het opleggen van voorwaardelijke stra en leunt zwaar
op dit principe.
De leer van de generale preventie heeft als uitgangspunt dat ook anderen dan de gestrafte lering
trekken uit het feit dat er voor het plegen van een strafbaar feit straf opgelegd kan worden.
ffi ffi fl fl ff ff ff ff ff ff
,1.4 MATERIEEL STRAFRECHT, FORMEEL STRAFRECHT EN SANCTIERECHT
Het rechtsgebied strafrecht kan worden onderverdeeld in drie delen. Als gesproken wordt van
materieel strafrecht, dan heeft me niet over de vraag wat een strafbaar feit is.
Materieelstrafrechtelijke vraagstukken hebben betrekking op de grenzen van de strafrechtelijke
aansprakelijkheid. Het gaat hierbij in de eerste plaats om strafbepalingen. Daarnaast behoren ook
algemene leerstukken die betrekking hebben op de uitsluiting van strafbaarheid en uitbreiding van
strafbaarheid tot het materiële strafrecht. Dit deel van het strafrecht wordt voornamelijk gevonden
in het Wetboek van Strafrecht.
Het formele stafrecht wordt ook wel het strafprocesrecht of de strafvordering genoemd. Dit deel
van het strafrecht bepaalt welke regels moten worden gevolg wanneer een norm van het materiële
strafrecht is overtreden. Het strafprocesrecht, voor het grootste gedeelte geregeld in het Wetboek
van Strafvordering, geeft bijvoorbeeld de regels voor de bevoegdheden van de politie, de duur
van de voorlopige hechtenis, de inhoud van dagvaardingen en het instellen van hoger beroep.
Het sanctierecht ten slotte heeft betrekking op de voorwaarden waaronder bepaalde stra en
mogen worden opgelegd en ten uitvoer gelegd. Het gaat dan bijvoorbeeld om de vraag of voor
een bepaald strafbaar feit een taakstraf mag worden opgelegd en welke voorwaarden de rechter
precies mag stellen wanneer hij een straf voorwaardelijk oplegt. Het sanctie recht is zowel in het
Wetboek van Strafrecht als in het Wetboek van Strafvordering te vinden.
Hoewel het Wetboek van Strafrecht voornamelijk materieel strafrecht en sanctierecht bevat, zijn
hierin ook onderwerpen geregeld met een sterk formeelstafrechtelijk karakter, zoals ne bis in idem
(art. 68 Sr).
Men moet het materiële en formele strafrecht niet verwarren met wetten in formele en materiële
zin. Dit laatste onderscheid heeft betrekking op de totstandkoming en werking van wetten. Een
wet in formele zin is een wet die tot stand is gekomen in samenwerking tussen de regering en de
Staten-Generaal.
1.5 COMMUUN EN BIJZONDER STRAFRECHT
Wetboeken zijn wetten waarin het algemene deel van het strafrecht en het strafprocesrecht is
opgenomen. Het strafrecht dat in de wetboeken is opgenomen, duidt men vaak aan als het
commune strafrecht.
Daarnaast bestaan er veel strafbepalingen in ander wetten. Deze wetten worden bijzonder
strafwetten genoemd en vormen samen het bijzondere strafrecht. In de bijzondere strafwetten
treft men strafbepalingen aan die behoren tot het materiële strafrecht, maar vaak ook
bevoegdheden die behoren tot het formele strafrecht.
Alle hiervoor genoemde wetten zijn wetten in formele zin. Er bestaan echter ook strafwetten die
niet in samenwerking tussen de Staten-Generaal en de regering tot stand komen, maar door
lagere openbare lichamen worden vastgesteld. Bijvoorbeeld de algemene plaatselijke verordening
(APV) van een gemeente. Hierin worden allerlei gedragingen strafbaar gesteld die in die gemeente
niet toegelaten zijn. Naast de APV kennen gemeenten vaak ook andere verordeningen.
Artikel 91 Sr maakt duidelijk dat de bepalingen van boek 1 van het Wetboek van Strafrecht ook
van toepassing zijn op feiten dei strafbaar zijn gesteld in bijzonder strafwetten en in lokale
strafwetgeving
ff
, 7.4.1 PROCESFASEN (ALGEMEEN)
Een strafzaak bestaat uit een aaneenschakeling van bepaalde gebeurtenissen. Vanaf het begin
van het onderzoek door de politie kunnen verschillende fasen worden onderscheiden tot aan de
uiteindelijke tenuitvoerlegging van een veroordelend vonnis.
Opsporingsonderzoek
Door een aangifte ontstaat er vaak een verdenking, De politie start naar aanleiding hiervan een
opsporingsonderzoek. Dat onderzoek heeft als uiteindelijk doel het nemen van strafvorderlijke
beslissingen.
Tijdens het opsporingsonderzoek wordt bewijsmateriaal verzameld. Dat wordt in een dossier
opgenomen. Er wordt ook wel gesproken van het voorbereidend onderzoek als verzamelnaam
van al het onderzoek dat voorafgaat aan het onderzoek ter terechtzitting De o cier van justitie is
formeel verantwoordelijk voor het opsporingsonderzoek. Tijdens dit onderzoek is ook een
belangrijke rol weggelegd voor de rechter-commissaris.
Onderzoek ter terechtzitting
De volgende procesfase wordt ingeleid door een dagvaarding. Dit is een brief van de o cier van
justitie waarin hij de verdachte oproept om op een bepaalde tijd bij een bepaald gerecht te
verschijnen. Daarnaast bevat de dagvaarding een of meer strafbare feiten waarvan de verdachte
wordt beschuldigd. Dit gedeelte wordt de tenlastelegging genoemd.
Het onderzoek ter terechtzitting begint doordat de strafzaak wordt uitgeroepen (art. 270 Sv).
Centraal in het onderzoek ter terechtzitting staat het achterhalen van wat er precies is gebeurd. Er
wordt wel gesproken van het zoeken naar de ‘materiële waarheid’. De rechtbank onderzoekt eerst
of de verschenen persoon inderdaad de verdacht is. Nadat de o cier van justitie kort heeft
weergegeven waarvan de verdachte wordt beschuldigd, begint het onderzoek naar de feiten. De
voorzitter van de rechtbank confronteert de verdachte met de meeste relevante stukken uit het
dossier en vraagt naar zijn visie op het gebeurde. Vervolgens krijgt de o cier wederom het woord,
om zijn requisitoir te houden. Dat is een rede waarin hij aangeeft wat volgens hem de uitspraak
van de rechtbank zou moeten zijn en welke straf opgelegd zou moten worden. Na het requisitoir
kan de (raadsman van de) verdachte zijn opvatting over de zaak geven in zijn pleidooi. Daarbij zal
hij meestal ook reageren op het requisitoir. De o cier van justitie moet de gelegenheid krijgen om
te reageren op het pleidooi (repliek). Ook moet de verdediging haar standpunt over de repliek van
de o cier van justitie naar voren kunnen brengen (dupliek). Wanneer de rechtbank voldoende
informatie heeft vergaard om een uitspraak te kunnen doen, krijgt de verdachte als laatste het
woord om nog iets te zeggen. Daarna wordt het onderzoek ter terechtzitting gesloten.
Het onderzoek ter terechtzitting, inclusief de behandeling in hoger beroep en cassatieberoep,
wordt wel aangeduid met de term ‘eindonderzoek’.
Beraadslaging en uitspraak
De rechtbank zal nu tot een beslissing moeten komen. De wet geeft in artikelen 348 en 350 Sv
aan op welke manier de beraadslaging daarover moet plaatsvinden. Achtereenvolgens kunnen
negen vragen worden beantwoord. De beantwoording van deze vragen leidt tot een
einduitspraak, waardoor de zaak eindigt. Een belangrijke vraag is de bewijsvraag: kan worden
bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan? Er zal voldoende
bewijsmateriaal beschikbaar moeten zijn om het ten laste gelegde feit bewezen te kunnen
verklaren.
Wanneer de rechtbank tot de conclusie komt dat het ten laste gelegde feit is begaan en daarvoor
ook moet worden gestraft, moet nog een passende sanctie worden bedacht. Hoewel er veel
soorten sancties kunnen worden opgelegd, is de rechter wel gebonden aan de wet met
betrekking tot de soort straf die hij kan opleggen en de hoogte van die straf.
De beslissing van de recht ank wordt in en vonnis opgenomen. Een veroordelend vonnis bevat
onder andere de bewezenverklaring, de bewijsmiddelen, de opgelegde straf en een motivering
van de beslissing (art. 359 Sv). De belangrijkste overwegingen en de beslissing worden tijdens
een openbare zitting van de rechtbank uitgesproken (art. 362 Sv).
ffi ffi ffi ffi ffi ffi
, Rechtsmiddelen
De veroordeelde en het OM hoeven geen genoegen te nemen met de uitspraak van de rechtbank.
In de meeste gevallen kunnen zij hoger beroep aantekenen tegen die uitspraak. De zaak wordt
dan door het gerechtshof behandeld. Valt ook de uitspraak van het gerechtshof (die overigens in
een arrest wordt opgeschreven) niet in goede aarde, dan zal in veel gevallen nog cassatieberoep
bij de Hoge Raad kunnen worden ingesteld. Hoger beroep en cassatieberoep zijn twee
rechtsmiddelen: middelen om een beslissing van een overheidsinstantie te kunnen aanvechten.
Tenuitvoerlegging
Wanneer het niet meer mogelijk is hoger beroep of cassatieberoep aan te tekenen, wordt de
uitspraak onherroepelijk. Het vonnis gaat ‘in kracht van gewijsde’, heet het dan. Dit betekent dat
het vonnis ten uitvoer gelegd kan worden (art. 6:1:1 Sv).
Gebeurtenissen ter afscheiding van de procesfasen:
1. (Meestal) verdenking (art. 27 Sv);
2. Uitroepen zaak (art. 270 Sv) na dagvaarding verdachte (art. 258 Sv);
3. Einduitspraak in eerste aanleg (art. 349, 351 en 352 Sv);
4. Einduitspraak in hoger beroep/ cassatieberoep (art. 423 en 440 Sv);
5. Einde tenuitvoerlegging (bijvoorbeeld invrijheidstelling na gevangenisstraf).
7.5.1 LEGALITEITSBEGINSEL (PROCESHANDELINGEN)
In het strafprocesrecht wordt onderzocht of een verdachte een strafbaar feit heeft begaan. Daarbij
worden dikwijls onderzoekshandelingen verricht die ingrijpend zijn voor de personen die het
voorwerp van onderzoek zijn, in het bijzonder tijdens het opsporingsonderzoek. Door veel
opsporingshandelingen wordt de uitoefening van mensenrechten beperkt.
Wanneer die handelingen personen beperken in de uitoefening van hun mensenrechten, zal er
steeds een wettelijke bepaling moeten zijn die bevoegd maakt tot dat speci eke optreden, een
bevoegdheidverlenende norm. Dit uitgangspunt wordt het legaliteitsbeginsel genoemd.
Dit is terug te vinden in de mensenrechtenbeperkende artikelen in de Grondwet en in
mensenrechtenverdragen, zoals het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM).
Artikel 1 Sv bevestigt het legaliteitsbeginsel voor strafvorderlijke handelingen.
Over het algemeen kan gezegd worden dat een inbreuk niet snel meer dan beperkt gevonden
wordt.
De meeste wettelijke bepalingen die bevoegdheden geven, zijn te vinden in het Wetboek van
Strafvordering.
9.2 HET OPENBAAR MINISTERIE
Het openbaar ministerie (OM) is een overheidsorgaan dat is belast met de strafrechtelijke
handhaving van de rechtsorde en andere bij wet vastgestelde taken. Dat blijkt uit artikel 124 van
de Wet op de rechterlijke organisatie. Dit artikel omschrijft in zeer algemeen bewoording de taak
van het OM. Een belangrijke taak is het vervolgen van strafbare feiten.
Bij de rechtbank wordt het OM vertegenwoordigd door o cieren van justitie. De afdeling van het
OM bij een gerecht wordt aangeduid als ‘het parket’. Deze term wordt overigens ook wel gebruikt
om het gebouw waarin het OM in een arrondissement of ressort zetelt aan te duiden. Dat is de
thuisbasis van de o cieren van justitie en hun ondersteunend personeel, zoals
parketsecretarissen. Het is ook de plaats van waaruit de dagvaardingen worden verzonden aan
verdachten.
Alleen het OM is bevoegd tot het instellen van een strafvervolging door middel van een
dagvaarding. Dat houdt in dat een o cier van justitie bepaalt of een bepaalde verdachte een
dagvaarding krijgt of niet. Geen enkele andere autoriteit is bevoegd tot het instellen van
strafvervolging door dagvaarding. Van een private vervolging kan is ons land nooit sprake zijn.
Wel staat het burgers vrij om, via tussenkomst van advocaten, elkaar in civielrechtelijke zin te
dagvaarden. Op deze manier kunnen zij hun geschil laten beoordelen door de rechter, maar van
ffi ffi ffi fi
1.2 PLAATS VAN HET STRAFRECHT
Strafrecht houdt zich bezig met het bestra en van personen die een strafbaar feit hebben
gepleegd. Het strafrecht regelt wie straf kan krijgen en waarvoor. Het stra en gebeurd door de
overheid. De Staat heeft het monopolie op stra en. Als een burger een strafbaar feit pleegt, moet
hij verantwoording a eggen aan de overheid, die hem namens de samenleving straf kan
opleggen. Het civiele (burgerlijke) recht regelt de verhouding tussen burgers onderling. Als twee
burgers een civielrechtelijk geschil hebben, dan is dat hun zaak, en niet een zaak van de overheid.
Algemene regels op het gebied van het bestuursrecht vindt men in de Algemene wet
bestuursrecht (Awb). De verhouding tussen het bestuursrecht en het strafrecht is vrij complex. Zo
kunnen soms bestuurlijke sancties worden opgelegd door een bestuursorgaan voor gedragingen
die vroeger strafrechtelijk werden afgedaan.
In civielrechtelijke zin staat het burgers vrij elkaar voor de (burgerlijke) rechter te ‘slepen’. In
strafrechtelijke zin is dit anders geregeld. Burgers kunnen elkaar niet dagvaarden voor gepleegde
strafbare feiten. De enige die een verdachte van een strafbaar feit voor de (straf)rechter kan
brengen is een o cier van justitie. Hij is een vertegenwoordiger van het staatsorgaan dat belast is
met de vervolging van verdachten. Hij kan een verdachte dagvaarden, waardoor deze voor zijn
daden verantwoording moet a eggen ten overstaan van een rechter.
Er bestaan verschillende soorten dagvaardingen. Civielrechtelijke dagvaardingen worden
verstuurd door de ene burger aan de andere om een civielrechtelijk geschil uit te vechten ten
overstaan van de burgerlijke rechter, terwijl strafrechtelijk dagvaardingen worden verzonden door
een o cier van justitie om een verdachte terecht te laten staan voor de strafrechter.
Eigenrichting (het recht in eigen hand nemen) is verboden.
Civielrechtelijk procederen is een ingewikkelde, tijdrovende en geldverslindende aangelegenheid.
Daarom bestaat er binnen het strafrechtelijke systeem een mogelijkheid voor slachto ers van
strafbare feiten om als ‘benadeelde partij’ schadevergoeding te verzoeken aan de strafrechter.
Deze wettelijke voorziening zorgt ervoor dat slachto ers van strafbare feiten op een relatief
eenvoudige manier hun schade kunnen verhalen op de dader.
1.3 DOELEN VAN STRAFFEN
Het opleggen van een straf dient voornamelijk twee doelen: vergelding en preventie.
Het kwaad dat de dader van een strafbaar feit veroorzaakt bij het slachto er of aan de
maatschappij als geheel, wordt door het opleggen van straf in de eerst plaats vergolden door
leestoevoeging. Dit vergeldingsaspect kan zorgen voor een morele genoegdoening: de dader
heeft kwaad afgeroepen over de samenleving en daarom roept de samenleving kwaad af over
hem.
De preventiegedachte wordt minder intuïtief aangevoeld. Deze gaat uit van een eenvoudig
principe: mensen willen geen straf krijgen, dus zullen zij gedrag dat mogelijk tot straf leidt, zoveel
mogelijk proberen te voorkomen. Het opleggen van staf zou er zo toe moeten leiden dat minder
mensen strafbare feiten plegen.
Men onderscheidt twee soorten preventie: speciale en generale preventie.
De gedachte achter speciale preventie is dat een dader die in aanraking is gekomen met de
gevolgen van het overschrijden van een strafrechtelijke norm, de volgende keer wel twee keer zal
nadenken, voordat hij nog eens iets dergelijks doet. Dit moet dus voorkomen, of ontmoedigen,
dat de gestrafte wederom in de fout gaat. Het opleggen van voorwaardelijke stra en leunt zwaar
op dit principe.
De leer van de generale preventie heeft als uitgangspunt dat ook anderen dan de gestrafte lering
trekken uit het feit dat er voor het plegen van een strafbaar feit straf opgelegd kan worden.
ffi ffi fl fl ff ff ff ff ff ff
,1.4 MATERIEEL STRAFRECHT, FORMEEL STRAFRECHT EN SANCTIERECHT
Het rechtsgebied strafrecht kan worden onderverdeeld in drie delen. Als gesproken wordt van
materieel strafrecht, dan heeft me niet over de vraag wat een strafbaar feit is.
Materieelstrafrechtelijke vraagstukken hebben betrekking op de grenzen van de strafrechtelijke
aansprakelijkheid. Het gaat hierbij in de eerste plaats om strafbepalingen. Daarnaast behoren ook
algemene leerstukken die betrekking hebben op de uitsluiting van strafbaarheid en uitbreiding van
strafbaarheid tot het materiële strafrecht. Dit deel van het strafrecht wordt voornamelijk gevonden
in het Wetboek van Strafrecht.
Het formele stafrecht wordt ook wel het strafprocesrecht of de strafvordering genoemd. Dit deel
van het strafrecht bepaalt welke regels moten worden gevolg wanneer een norm van het materiële
strafrecht is overtreden. Het strafprocesrecht, voor het grootste gedeelte geregeld in het Wetboek
van Strafvordering, geeft bijvoorbeeld de regels voor de bevoegdheden van de politie, de duur
van de voorlopige hechtenis, de inhoud van dagvaardingen en het instellen van hoger beroep.
Het sanctierecht ten slotte heeft betrekking op de voorwaarden waaronder bepaalde stra en
mogen worden opgelegd en ten uitvoer gelegd. Het gaat dan bijvoorbeeld om de vraag of voor
een bepaald strafbaar feit een taakstraf mag worden opgelegd en welke voorwaarden de rechter
precies mag stellen wanneer hij een straf voorwaardelijk oplegt. Het sanctie recht is zowel in het
Wetboek van Strafrecht als in het Wetboek van Strafvordering te vinden.
Hoewel het Wetboek van Strafrecht voornamelijk materieel strafrecht en sanctierecht bevat, zijn
hierin ook onderwerpen geregeld met een sterk formeelstafrechtelijk karakter, zoals ne bis in idem
(art. 68 Sr).
Men moet het materiële en formele strafrecht niet verwarren met wetten in formele en materiële
zin. Dit laatste onderscheid heeft betrekking op de totstandkoming en werking van wetten. Een
wet in formele zin is een wet die tot stand is gekomen in samenwerking tussen de regering en de
Staten-Generaal.
1.5 COMMUUN EN BIJZONDER STRAFRECHT
Wetboeken zijn wetten waarin het algemene deel van het strafrecht en het strafprocesrecht is
opgenomen. Het strafrecht dat in de wetboeken is opgenomen, duidt men vaak aan als het
commune strafrecht.
Daarnaast bestaan er veel strafbepalingen in ander wetten. Deze wetten worden bijzonder
strafwetten genoemd en vormen samen het bijzondere strafrecht. In de bijzondere strafwetten
treft men strafbepalingen aan die behoren tot het materiële strafrecht, maar vaak ook
bevoegdheden die behoren tot het formele strafrecht.
Alle hiervoor genoemde wetten zijn wetten in formele zin. Er bestaan echter ook strafwetten die
niet in samenwerking tussen de Staten-Generaal en de regering tot stand komen, maar door
lagere openbare lichamen worden vastgesteld. Bijvoorbeeld de algemene plaatselijke verordening
(APV) van een gemeente. Hierin worden allerlei gedragingen strafbaar gesteld die in die gemeente
niet toegelaten zijn. Naast de APV kennen gemeenten vaak ook andere verordeningen.
Artikel 91 Sr maakt duidelijk dat de bepalingen van boek 1 van het Wetboek van Strafrecht ook
van toepassing zijn op feiten dei strafbaar zijn gesteld in bijzonder strafwetten en in lokale
strafwetgeving
ff
, 7.4.1 PROCESFASEN (ALGEMEEN)
Een strafzaak bestaat uit een aaneenschakeling van bepaalde gebeurtenissen. Vanaf het begin
van het onderzoek door de politie kunnen verschillende fasen worden onderscheiden tot aan de
uiteindelijke tenuitvoerlegging van een veroordelend vonnis.
Opsporingsonderzoek
Door een aangifte ontstaat er vaak een verdenking, De politie start naar aanleiding hiervan een
opsporingsonderzoek. Dat onderzoek heeft als uiteindelijk doel het nemen van strafvorderlijke
beslissingen.
Tijdens het opsporingsonderzoek wordt bewijsmateriaal verzameld. Dat wordt in een dossier
opgenomen. Er wordt ook wel gesproken van het voorbereidend onderzoek als verzamelnaam
van al het onderzoek dat voorafgaat aan het onderzoek ter terechtzitting De o cier van justitie is
formeel verantwoordelijk voor het opsporingsonderzoek. Tijdens dit onderzoek is ook een
belangrijke rol weggelegd voor de rechter-commissaris.
Onderzoek ter terechtzitting
De volgende procesfase wordt ingeleid door een dagvaarding. Dit is een brief van de o cier van
justitie waarin hij de verdachte oproept om op een bepaalde tijd bij een bepaald gerecht te
verschijnen. Daarnaast bevat de dagvaarding een of meer strafbare feiten waarvan de verdachte
wordt beschuldigd. Dit gedeelte wordt de tenlastelegging genoemd.
Het onderzoek ter terechtzitting begint doordat de strafzaak wordt uitgeroepen (art. 270 Sv).
Centraal in het onderzoek ter terechtzitting staat het achterhalen van wat er precies is gebeurd. Er
wordt wel gesproken van het zoeken naar de ‘materiële waarheid’. De rechtbank onderzoekt eerst
of de verschenen persoon inderdaad de verdacht is. Nadat de o cier van justitie kort heeft
weergegeven waarvan de verdachte wordt beschuldigd, begint het onderzoek naar de feiten. De
voorzitter van de rechtbank confronteert de verdachte met de meeste relevante stukken uit het
dossier en vraagt naar zijn visie op het gebeurde. Vervolgens krijgt de o cier wederom het woord,
om zijn requisitoir te houden. Dat is een rede waarin hij aangeeft wat volgens hem de uitspraak
van de rechtbank zou moeten zijn en welke straf opgelegd zou moten worden. Na het requisitoir
kan de (raadsman van de) verdachte zijn opvatting over de zaak geven in zijn pleidooi. Daarbij zal
hij meestal ook reageren op het requisitoir. De o cier van justitie moet de gelegenheid krijgen om
te reageren op het pleidooi (repliek). Ook moet de verdediging haar standpunt over de repliek van
de o cier van justitie naar voren kunnen brengen (dupliek). Wanneer de rechtbank voldoende
informatie heeft vergaard om een uitspraak te kunnen doen, krijgt de verdachte als laatste het
woord om nog iets te zeggen. Daarna wordt het onderzoek ter terechtzitting gesloten.
Het onderzoek ter terechtzitting, inclusief de behandeling in hoger beroep en cassatieberoep,
wordt wel aangeduid met de term ‘eindonderzoek’.
Beraadslaging en uitspraak
De rechtbank zal nu tot een beslissing moeten komen. De wet geeft in artikelen 348 en 350 Sv
aan op welke manier de beraadslaging daarover moet plaatsvinden. Achtereenvolgens kunnen
negen vragen worden beantwoord. De beantwoording van deze vragen leidt tot een
einduitspraak, waardoor de zaak eindigt. Een belangrijke vraag is de bewijsvraag: kan worden
bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan? Er zal voldoende
bewijsmateriaal beschikbaar moeten zijn om het ten laste gelegde feit bewezen te kunnen
verklaren.
Wanneer de rechtbank tot de conclusie komt dat het ten laste gelegde feit is begaan en daarvoor
ook moet worden gestraft, moet nog een passende sanctie worden bedacht. Hoewel er veel
soorten sancties kunnen worden opgelegd, is de rechter wel gebonden aan de wet met
betrekking tot de soort straf die hij kan opleggen en de hoogte van die straf.
De beslissing van de recht ank wordt in en vonnis opgenomen. Een veroordelend vonnis bevat
onder andere de bewezenverklaring, de bewijsmiddelen, de opgelegde straf en een motivering
van de beslissing (art. 359 Sv). De belangrijkste overwegingen en de beslissing worden tijdens
een openbare zitting van de rechtbank uitgesproken (art. 362 Sv).
ffi ffi ffi ffi ffi ffi
, Rechtsmiddelen
De veroordeelde en het OM hoeven geen genoegen te nemen met de uitspraak van de rechtbank.
In de meeste gevallen kunnen zij hoger beroep aantekenen tegen die uitspraak. De zaak wordt
dan door het gerechtshof behandeld. Valt ook de uitspraak van het gerechtshof (die overigens in
een arrest wordt opgeschreven) niet in goede aarde, dan zal in veel gevallen nog cassatieberoep
bij de Hoge Raad kunnen worden ingesteld. Hoger beroep en cassatieberoep zijn twee
rechtsmiddelen: middelen om een beslissing van een overheidsinstantie te kunnen aanvechten.
Tenuitvoerlegging
Wanneer het niet meer mogelijk is hoger beroep of cassatieberoep aan te tekenen, wordt de
uitspraak onherroepelijk. Het vonnis gaat ‘in kracht van gewijsde’, heet het dan. Dit betekent dat
het vonnis ten uitvoer gelegd kan worden (art. 6:1:1 Sv).
Gebeurtenissen ter afscheiding van de procesfasen:
1. (Meestal) verdenking (art. 27 Sv);
2. Uitroepen zaak (art. 270 Sv) na dagvaarding verdachte (art. 258 Sv);
3. Einduitspraak in eerste aanleg (art. 349, 351 en 352 Sv);
4. Einduitspraak in hoger beroep/ cassatieberoep (art. 423 en 440 Sv);
5. Einde tenuitvoerlegging (bijvoorbeeld invrijheidstelling na gevangenisstraf).
7.5.1 LEGALITEITSBEGINSEL (PROCESHANDELINGEN)
In het strafprocesrecht wordt onderzocht of een verdachte een strafbaar feit heeft begaan. Daarbij
worden dikwijls onderzoekshandelingen verricht die ingrijpend zijn voor de personen die het
voorwerp van onderzoek zijn, in het bijzonder tijdens het opsporingsonderzoek. Door veel
opsporingshandelingen wordt de uitoefening van mensenrechten beperkt.
Wanneer die handelingen personen beperken in de uitoefening van hun mensenrechten, zal er
steeds een wettelijke bepaling moeten zijn die bevoegd maakt tot dat speci eke optreden, een
bevoegdheidverlenende norm. Dit uitgangspunt wordt het legaliteitsbeginsel genoemd.
Dit is terug te vinden in de mensenrechtenbeperkende artikelen in de Grondwet en in
mensenrechtenverdragen, zoals het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM).
Artikel 1 Sv bevestigt het legaliteitsbeginsel voor strafvorderlijke handelingen.
Over het algemeen kan gezegd worden dat een inbreuk niet snel meer dan beperkt gevonden
wordt.
De meeste wettelijke bepalingen die bevoegdheden geven, zijn te vinden in het Wetboek van
Strafvordering.
9.2 HET OPENBAAR MINISTERIE
Het openbaar ministerie (OM) is een overheidsorgaan dat is belast met de strafrechtelijke
handhaving van de rechtsorde en andere bij wet vastgestelde taken. Dat blijkt uit artikel 124 van
de Wet op de rechterlijke organisatie. Dit artikel omschrijft in zeer algemeen bewoording de taak
van het OM. Een belangrijke taak is het vervolgen van strafbare feiten.
Bij de rechtbank wordt het OM vertegenwoordigd door o cieren van justitie. De afdeling van het
OM bij een gerecht wordt aangeduid als ‘het parket’. Deze term wordt overigens ook wel gebruikt
om het gebouw waarin het OM in een arrondissement of ressort zetelt aan te duiden. Dat is de
thuisbasis van de o cieren van justitie en hun ondersteunend personeel, zoals
parketsecretarissen. Het is ook de plaats van waaruit de dagvaardingen worden verzonden aan
verdachten.
Alleen het OM is bevoegd tot het instellen van een strafvervolging door middel van een
dagvaarding. Dat houdt in dat een o cier van justitie bepaalt of een bepaalde verdachte een
dagvaarding krijgt of niet. Geen enkele andere autoriteit is bevoegd tot het instellen van
strafvervolging door dagvaarding. Van een private vervolging kan is ons land nooit sprake zijn.
Wel staat het burgers vrij om, via tussenkomst van advocaten, elkaar in civielrechtelijke zin te
dagvaarden. Op deze manier kunnen zij hun geschil laten beoordelen door de rechter, maar van
ffi ffi ffi fi