Waarom ondersteunt een dubbele dissociatie sterker dan
een enkelvoudige dissociatie het bestaan van gescheiden
cognitieve processen?
A. Omdat beide patiënten dezelfde laesielocatie hebben
B. Omdat twee functies onafhankelijk selectief kunnen uitvallen
C. Omdat de testbetrouwbaarheid hoger is
D. Omdat groepsverschillen statistisch significant zijn
2. Wat is het meest directe gevolg van beschadiging van de
indirecte baan in de basale ganglia bij Parkinson?
A. Overmatige beweging door verminderde inhibitie
B. Verlies van sensorische feedback
C. Taalstoornissen
D. Visuospatiële desoriëntatie
3. Waarom leidt schade aan de mediale temporaalkwab tot een
temporale gradiënt in retrograde amnesie?
A. Oudere herinneringen zijn hippocampus-onafhankelijker
opgeslagen
B. Nieuwe herinneringen zijn corticaal gelokaliseerd
C. Procedurele herinneringen zijn kwetsbaarder
D. Werkgeheugen consolideert sneller
4. Wat is het mechanistische verschil tussen Broca- en
Wernicke-afasie?
A. Motorische planning versus fonologische verwerking
B. Productiestoornis door frontale laesie versus begripsstoornis door
temporale laesie
C. Links- versus rechtshemisfeerdisfunctie
D. Subcorticale versus corticale schade
5. Waarom kan een laesie in de rechter pariëtale cortex leiden
tot anosognosie voor hemiparese?
A. Verstoring van motorische output
B. Verminderde sensorische input
C. Stoornis in metacognitieve monitoring van lichaamsrepresentatie
D. Schade aan corticospinale baan
6. Wat verklaart dat levodopa na verloop van
tijd dyskinesieën kan veroorzaken?
A. Progressieve cerebellaire schade
B. Fluctuerende dopaminerge stimulatie van striatale receptoren
C. Serotonerge overactiviteit
D. Hippocampale plasticiteit
2
, 7. Waarom veroorzaakt NMDA-receptorhypofunctie volgens
de glutamaathypothese cognitieve stoornissen bij
schizofrenie?
A. Overmatige motorische activatie
B. Verminderde synaptische plasticiteit in corticale netwerken
C. Toegenomen dopamine in substantia nigra
D. Verlies van cerebellaire output
8. Wat is het primaire neuropsychologische verschil tussen
Alzheimer en vasculaire dementie in vroege fase?
A. Snelle taalachteruitgang bij Alzheimer
B. Episodisch geheugenverlies prominent bij Alzheimer
C. Motorische rigiditeit bij vasculair
D. Hallucinaties bij Alzheimer
9. Waarom kan diffuus axonaal letsel executieve stoornissen
veroorzaken zonder grote laesies op CT?
A. CT detecteert geen bloedingen
B. Schade betreft microscopische axonale disconnectie
C. Hippocampus is intact
D. Letsel is uitsluitend subcorticaal
10. Wat is het mechanisme achter absence-aanvallen?
A. Focale hippocampale ontlading
B. Bilaterale cortico-thalamische synchronisatie
C. Degeneratie van substantia nigra
D. Hyperactiviteit van basale ganglia
11. Waarom leidt orbitofrontale schade vaak tot
impulscontrolestoornissen?
A. Verlies van geheugenconsolidatie
B. Verminderde evaluatie van belonings- en strafsignalen
C. Toegenomen sensorische prikkelverwerking
D. Stoornis in primaire motoriek
12. Wat verklaart dat procedureel geheugen relatief intact
blijft bij amnestisch syndroom?
A. Het is afhankelijk van hippocampus
B. Het berust op striatale circuits
C. Het vereist bewuste opslag
D. Het is uitsluitend corticaal gelokaliseerd
3