voor normering?
A. Omdat standaardisatie de betrouwbaarheid automatisch
, maximaliseert
B. Omdat zonder gelijke afnamecondities verschillen niet aan
personen kunnen worden toegeschreven
C. Omdat standaardisatie variantie tussen personen vergroot
D. Omdat normgroepen alleen bij digitale tests bruikbaar zijn
2. Wat is het gevolg voor de validiteit wanneer
constructirrelevante variantie toeneemt?
A. De betrouwbaarheid stijgt maar validiteit daalt niet
B. De test wordt gevoeliger voor individuele verschillen
C. De test meet deels iets anders dan het beoogde construct
D. De normgroep wordt representatiever
3. Waarom begrenst lage betrouwbaarheid de maximale
validiteit van een test?
A. Omdat meetfout de observeerbare correlatie met het criterium
verzwakt
B. Omdat betrouwbaarheid alleen relevant is voor interne
consistentie
C. Omdat validiteit onafhankelijk is van meetprecisie
D. Omdat criteriumvaliditeit geen correlaties gebruikt
4. Wat is het centrale verschil tussen klassieke testtheorie en
item-responstheorie met betrekking tot meetfout?
A. Klassieke theorie ontkent meetfout
B. IRT veronderstelt constante meetfout over de schaal
C. Klassieke theorie modelleert fout als funct ie van
itemmoeilijkheid
D. IRT maakt meetprecisie afhankelijk van eigenschapsniveau
5. Waarom leidt range-restrictie vaak tot onderschatting
van predictieve validiteit?
A. Omdat de test te moeilijk wordt
B. Omdat beperkte spreiding de correlatie verlaagt
C. Omdat de normgroep verandert
D. Omdat meetfout verdwijnt
6. Wat is het risico van een conjunctief beslissingsmodel bij
selectie?
A. Overmatige compensatie tussen zwakke en sterke scores
B. Verhoging van fout-positieven
C. Verhoging van fout-negatieven
D. Verlaging van betrouwbaarheid
2
, 7. Waarom is unidimensionaliteit een cruciale aanname binnen
IRT?
A. Omdat meerdere dimensies altijd betrouwbaarheid verhogen
B. Omdat itemparameters anders niet invariant zijn
C. Omdat normering anders onmogelijk is
D. Omdat percentielscores anders niet berekend kunnen worden
8. Wat is het functionele nut van een normgroep bij score-
interpretatie?
A. Vaststellen van absolute beheersing
B. Elimineren van meetfout
C. Plaatsbepaling van individu binnen referentiepopulatie
D. Bepalen van itemdiscriminatie
9. Waarom kan sociale wenselijkheid de constructvaliditeit van
persoonlijkheidsvragenlijsten ondermijnen?
A. Omdat het interne consistentie verhoogt
B. Omdat antwoorden systematisch loskomen van het werkelijke
kenmerk
C. Omdat het percentielscores verlaagt
D. Omdat het alleen bij open vragen optreedt
10. Wat is het effect van verlenging van een homogene test
volgens de Spearman-Brown-logica?
A. Betrouwbaarheid neemt toe
B. Validiteit daalt automatisch
C. Itemmoeilijkheid verandert
D. Normering vervalt
11. Waarom verhoogt adaptief testen de meetprecisie?
A. Omdat alle items even moeilijk zijn
B. Omdat items willekeurig worden geselecteerd
C. Omdat items worden afgestemd op geschat vaardigheidsniveau
D. Omdat meetfout wordt geëlimineerd
12. Wat is het kernprobleem wanneer een criterium
deficiënt is?
A. Het criterium bevat te veel meetfout
B. Het criterium omvat niet alle relevante aspecten van succes
C. Het criterium correleert te hoog met de test
D. Het criterium is te objectief
13. Waarom kan een ceiling-effect de discriminatie van een
test verminderen?
A. Omdat lage scorers verdwijnen uit de steekproef
B. Omdat scores kunstmatig worden verhoogd
3