Globalisering = De wereldwijde uitwisseling van geld, goederen, ideeën
en mensen.
Vanuit verschillende dimensies (de manier waarop je ergens naar
kijkt) globalisering te bekijken:
- Demografisch: bevolkingsomvang, groei, samenstelling, enz.
- Sociaal-cultureel: gewoonten, taal, godsdienst, normen en
waarden, enz.
- Economisch: bestaansmiddelen, werkeloosheid, BNP, enz.
- Politiek: koninkrijk, republiek, democratie, dictatuur, enz.
Door deze toename van uitwisseling gaan mensen elkaar steeds meer
beïnvloeden, waardoor de wereld geleidelijk verandert in één groot dorp =
global village en daarnaast ontstaan er mondiale (wereldwijd) en
transnationale netwerken (specifiek verschillende landen) door
samenwerking tussen landen door overheden, bedrijven, instellingen en
migranten.
Globalisering leid tot economische groei, maar ook tot:
- Sociale ongelijkheid: door het verplaatsen van fabrieken en doordat ze
dus verdwijnen (= de-industrialisatie) uit centrum landen bijvoorbeeld,
verliest de lager opgeleide werknemer zijn werk en daarnaast profiteren
vaak vooral de ondernemers met een goed netwerk, die goed onderwijs
krijgen en tot de bevoorrechte bevolkingsgroep behoren in het (semi-)
periferie land.
- Regionale ongelijkheid: kerngebied (vaak de hoofdstad) profiteert en de
periferie (platteland) loopt vooral leeg door migratie naar steden.
MNO (multinationale onderneming) / multinational = Wanneer
bedrijven zich in minstens drie verschillende landen vestigen. Deze
stromen geld die hierdoor tussen landen heen en weer gaan zijn
kapitaalstromen.
MNO’s vestigen zich vooral graag in agglomeraties (stedelijke gebieden),
omdat daar sprake is van agglomeratievoordelen (veel macht, geld, kennis
en creativiteit & innovatie). Hoe verder bij de agglomeratie vandaan hoe
minder de voordelen = afstandsverval.
Een MNO bestaat vaak uit een productieketen (ontwerpafdeling,
productie en verkoop). Een uitbesteding van de productie bijvoorbeeld,
1
,dus het werk overlaten aan een externe partij (ander bedrijf) heet
outsourcing. De productie wordt ook vaak naar een ander land
verplaatst, een lage lonenland bijvoorbeeld, dit heet offshoring. Deze
uitschuiving leidt tot een internationale arbeidsverdeling.
Offshoring heeft alleen ook nadelen. Het bijkomende transport levert
kosten, milieuvervuiling en afhankelijkheid op. Bijvoorbeeld de blokkade
van het Suezkanaal of de coronapandemie. Sommige bedrijven besluiten
daarom om de productie weer naar het thuisland terug te halen. Dit
terughalen van productieactiviteiten naar het thuisland die voorheen in
andere landen waren heet reshoring.
Global shift = De verschuiving van het economische en politieke
zwaartepunt in de wereld.
Tot 1990 was er sprake van twee machtsblokken die naast elkaar
bestonden (VS en Sovjet-Unie) = bipolaire wereld. Toen de Sovjet-Unie
uit elkaar viel bleef de VS over als wereldmacht en was er een unipolaire
wereld. Een wereld met meerdere machtsblokken naast elkaar, zoals we
die nu hebben, noemen we een multipolaire wereld.
De ontwikkeling van een land aanduiden
1. Demografisch (bevolking)
- Leeftijdsopbouw als er in een land meer oudere mensen wonen zal
het een relatief rijk land zijn.
- Vruchtbaarheid hoger in arme landen. Het kan ook hoger zijn door
een hoge kindersterfte (kinderen jonger dan 5 jaar). Een afname van het
(kinder)sterftecijfer leidt tot bevolkingsgroei
Bevolkingsspreiding = de manier waarop mensen verdeeld zijn over
een bepaald gebied, zoals een land, regio of de wereld. De
bevolkingsdichtheid kan dus verschillen binnen een land. Deze twee zijn
alleen geen indicaties voor de ontwikkeling van een land.
2. Economisch
- BBP (bruto binnenlands product, waarde van alle eindgoederen en
diensten die in een land worden geproduceerd uitgedrukt in een
geldbedrag). Bij het BBP/hoofd gaat het altijd om het gemiddelde in een
land, maar:
2
, Kleine groepen rijken kunnen het gemiddelde enorm beïnvloeden
(Lorenz-curve: spreiding van de welvaart over de bevolking
lineair betekent dat iedereen een gelijk inkomen heeft).
- Sommige regio’s zijn welvarender dan andere, dus wordt ook het
BRP/hoofd gebruikt. Dat is het Bruto Regionaal Product per hoofd.
De cijfers/statistieken zijn niet altijd betrouwbaar, soms gaat het om
schattingen.
In arme landen is sprake van zelfvoorziening
De waarde van de munt wijkt soms erg af van de werkelijke waarde
in dollars of euro’s en valuta’s schommelen soms sterk in waarde.
Er zijn grote verschillen in koopkracht tussen landen.
3. Politiek
- Staatsinrichting: de manier waarop een land bestuurd wordt.
Bijvoorbeeld het democratisch gehalte (kiezen mensen zelf hun leiders
of niet).
- Aanwezigheid van mensenrechten (vrijheid van meningsuiting, pers,
geloof, etc.)
- Corruptie
- Vestigingsklimaat: hoe de regels zijn in een land waar een bedrijf zich
mogelijk wil vestigen. Drie factoren:
1. Stabiliteit en betrouwbaarheid van de regering
2. Overheidsbemoeienis en een vrijemarkteconomie
3. Investeringen in infrastructuur en opleidingsniveau en aantrekkelijkheid
voor bedrijven met speciale wetgeving.
4. Sociaal-cultureel
- Scholing
- Analfabetisme, = mensen die niet kunnen lezen of schrijven.
- Het percentage meisjes dat niet naar school gaat is vaak groter in minder
ontwikkelde landen
- Het percentage aanhangers van een godsdienst zegt niet iets over de
ontwikkeling van een land, maar het vermogen om om te gaan met
minderheden in een land, wél (mensenrechten bijvoorbeeld).
3