,1. Waarom verhoogt aggregatie over meerdere gedragingen de
voorspellende kracht van een trekmeting?
A. Omdat situaties geen invloed meer hebben
B. Omdat meetfouten elkaar compenseren en gemiddelde neiging
zichtbaar wordt
C. Omdat trekken alleen in sterke situaties zichtbaar zijn
D. Omdat staten stabieler worden dan trekken
2. Wat impliceert een lage test-hertest correlatie voor een
vermeende persoonlijkheidstrek?
A. De trek is situationeel bepaald
B. De meetfout is waarschijnlijk hoog of de trek instabiel
C. De steekproef is te groot
D. De validiteit is automatisch hoog
3. Waarom vormt het third-variable probleem een beperking van
correlatieonderzoek?
A. Omdat correlaties altijd nul zijn
B. Omdat onafhankelijke variabelen niet gemeten mogen worden
C. Omdat een onbekende factor de samenhang kan veroorzaken
D. Omdat significantie niet berekend kan worden
4. Waarom zijn sterke situaties problematisch voor trait-
onderzoek?
A. Ze vergroten individuele verschillen
B. Ze maskeren individuele verschillen in gedrag
C. Ze verlagen meetbetrouwbaarheid
D. Ze verhogen erfelijkheidsschattingen
5. Wat volgt logisch uit een hoge erfelijkheidsschatting van
extraversie?
A. Extraversie is onveranderlijk
B. Omgeving heeft geen invloed
C. Genetische verschillen verklaren variantie binnen die populatie
D. De trek is universeel identiek verdeeld
2
,6. Waarom verklaart gen-omgeving correlatie stabiliteit van
persoonlijkheid over tijd?
A. Omdat genen situaties elimineren
B. Omdat individuen omgevingen selecteren die hun disposities
versterken
C. Omdat omgeving genetische invloed neutraliseert
D. Omdat erfelijkheid stijgt met leeftijd
7. Wat is het functionele doel van
het Behavioral Activation System (BAS)?
A. Vermijden van straf
B. Reguleren van slaap
C. Detecteren van dreiging
D. Benaderen van beloningssignalen
8. Waarom kan frequentie-afhankelijke selectie
persoonlijkheidsvariatie in stand houden?
A. Omdat dominante trekken altijd winnen
B. Omdat zeldzame strategieën soms voordeel hebben
C. Omdat alle strategieën gelijk succesvol zijn
D. Omdat mutaties constant optreden
9. Wat is het gevolg van discrepantie tussen impliciet en expliciet
prestatiemotief?
A. Verhoogde gedragsconsistentie
B. Betere zelfregulatie
C. Interne spanning en inconsistent gedrag
D. Hogere objectieve prestatie
10. Waarom verhoogt een pessimistische attributiestijl
kwetsbaarheid voor depressie?
A. Omdat succes extern wordt verklaard
B. Omdat falen intern, stabiel en globaal wordt toegeschreven
C. Omdat locus of control altijd extern is
D. Omdat zelfeffectiviteit stijgt
3
, 11. Wat verklaart het maturity principle in
persoonlijkheidsontwikkeling?
A. Biologische achteruitgang
B. Willekeurige fluctuatie
C. Toename van impulsiviteit
D. Gemiddelde toename in sociaal adaptieve trekken
12. Waarom verlaagt chronische activatie van het stresssysteem
de gezondheid?
A. Omdat allostase stopt
B. Omdat allostatic load fysiologische slijtage veroorzaakt
C. Omdat cortisol permanent daalt
D. Omdat coping altijd probleemgericht wordt
13. Wat maakt borderline persoonlijkheidsstoornis conceptueel
onderscheidend binnen cluster B?
A. Afwezigheid van emotie
B. Strikte rigiditeit
C. Affectieve instabiliteit en identiteitsdiffusie
D. Volledige empathieloosheid
14. Waarom is de dimensionele benadering van
persoonlijkheidsstoornissen theoretisch consistenter
met traitpsychologie?
A. Omdat DSM onjuist is
B. Omdat stoornissen extreme varianten van normale trekken kunnen zijn
C. Omdat categorieën betrouwbaarder zijn
D. Omdat comorbiditeit onmogelijk is
15. Wat verklaart dat extraversie samenhangt met positief
affect?
A. Hogere gevoeligheid voor beloningssystemen
B. Lagere hartslagvariabiliteit
C. Hogere negatieve affectiviteit
D. Zwakkere sociale steun
4