Economie samenvattingen
Groei economie of economie → ontwikkeling van het bbp = waarde van productie van land
in jaar. → gelijk aan; waarde van het verdiende inkomen in land in een jaar.
-> nominale bbp = €750 mjd. = €750 mjd. productie = €750 mjd. inkomen.
Welvaart: de mate waarin je in je behoeften kunt voorzien.
Groei productiehoeveelheid= reële groei.
Economische groei = groei reële bbp → groei nominale bbp gecorrigeerd voor
prijsveranderingen.
Ontwikkeling algemeen prijspeil -> door CBS bijgehouden -> gepubliceerd in CPI.
Stijging algemeen prijspeil = inflatie.
RIC = (NIC/PIC) x 100
Beloningen voor productiefactoren (kano) = primaire inkomens
Arbeidsinkomen: loon van werknemers en winst van zelfstandigen.
Kapitaalinkomen: rente, pacht, huur, winst = dividend.
Productiewaarde:
Objectieve methode:
toegevoegde waarde = omzet - onderlinge leveringen.
Subjectieve methode:
som van de primaire inkomens + afschrijvingen.
Bestedingsmethode : C + I + O + E - M
Productiewaarde overheid en niet-commerciële instellingen = gelijk aan de loonsom van alle
werknemers.
bbi = som primaire inkomens + afschrijvingen.
bbi = bbp -> verschil is de methode
(nbi = nbp..)
Categoriale inkomensverdeling: verdeling van het nationaal inkomen tussen arbeid en
kapitaal.
winst uit eigen bedrijf ; box 1.
AIQ = (arbeidsinkomen/ nationaal inkomen) x 100%
AIQ + KIQ = 100%
Hoge AIQ; veel gebruik arbeid = relatief arbeidsintensief.
Lage AIQ; relatief kapitaalintensief.
Macro-economische ontwikkelingen:
Flexibele schil
kwaliteit kapitaalgoederen (^)
communicatie- en transportmogelijkheden (^)
maximaliseren van waarde voor aandeelhouders (-> loonmatiging).
Gini-coëfficiënt: weergeeft de mate van inkomensongelijkheid.
Say → aanbod schept eigen vraag
maximale productie = maximaal inkomen
→ werkelijke bbp = potentiële bbp
Economische groei op lange termijn → bepaald door aanbodkant economie.
Klassieke economie focust op aanbodkant.
Smith → individu voorop.
,-> marktwerking: vraag in evenwicht met het aanbod.
→ 'onzichtbare hand’
→ geen overheidsbemoeienis; vrije marktwerking: wel ‘niet marktzaken’; veiligheid en
algemeen bestuur.
Omvang potentiële productie bepaald door; hoeveelheid arbeid, kapitaal en de totale
factorproductiviteit.
→ Hoeveelheid arbeid: omvang van de beroepsbevolking: het potentiële aantal werkenden.
→ Hoeveelheid kapitaal: alle kapitaalgoederen die potentieel kunnen worden ingezet bij de
productie.
→ Totale factorproductiviteit: de kwaliteit van de productiefactoren en de efficiëntie
waarmee ze worden ingezet bij de productie.
TFP = 'productiviteit van onze kapitaalgoederen’
TFP -> ook wel stand van de technologie genoemd: beïnvloed door:
Economisch kapitaal; innovaties, onderzoek & ontwikkeling en infrastructuur.
Menselijk kapitaal; hoe hoger de scholing van de beroepsbevolking, (hoe hoger de
productiviteit)
→ Beter onderwijs
Natuurlijk kapitaal; geografische ligging -> waar het land ligt, het landschap,
bodemschatten, kwaliteit van het leefmilieu en het klimaat.
Maatschappelijke factoren; politieke stabiliteit en kwalitatief goede instituties. ->
zaken die de omgang van mensen in een maatschappij structuur geven.
Productiefunctie: Y* = A (K, L) (+)
→ Y* : Omvang van de potentiële productie (potentiële bbp)
L: hoeveelheid arbeid
K: hoeveelheid kapitaal en land
A: factor die TFP weergeeft.
Arbeidsproductiviteit = Y* ÷ L
Kapitaalproductiviteit = Y* ÷ K
Schaalopbrengsten: extra productie die ontstaat als beide productiefactoren met een
eenheid laat toenemen.
Afnemende meeropbrengsten: als één productiefactor toeneemt, terwijl de andere in
omvang gelijk blijft. "(op bepaald moment extra eenheid niet meer handig).
Beleid gericht op verhogen van L, K en/ of A => groeibevorderend beleid of structuurbeleid.
Groeifonds NL -> bijdrage aan groei van de productiviteit en daarmee groei van
verdienvermogen van NL; kennisontwikkeling, onderzoek, ontwikkeling en innovatie en
infrastructuur.
Werkelijke bbp bepaald door; hoogte van de bestedingen = aankopen van goederen en
diensten door consumenten, bedrijven, overheid en buitenland.
Economische kringloop -> model van een economie op macroniveau; niveau van een land als
geheel.
5 sectoren: alleen geldstromen "(in = uit)"
Gezinnen; productiefactoren -> arbeid en kapitaal => primair inkomen = arbeids- en
kapitaalinkomen.
Totale som primaire inkomens = nationaal inkomen Y.
Gezinnen = C + B + S
Besteedbare inkomen = Y - B
, Bedrijven; pf. arbeid en kapitaal => primaire inkomens aan gezinnen.
Y=C+I+O+E-M
Overheid: Overheidsbeleid = B - O
Buitenland;
saldo buitenland = E - M
-> saldo op de lopende rekening.
Financiële instellingen; brengen aanbieders en vragers samen op de
vermogensmarkt (geld).
Particuliere sector: gezinnen en bedrijven. Reële stroom tegenover geldstroom.
Reële kringloop -> evenwicht op de goederen- en dienstenmarkt => bestedingen =
productie/ het inkomen.
Y=C+I+O+E-M
Totale vraag van gezinnen, bedrijven, overheid en buitenland : effectieve vraag
(inkomensidentiteit) = EV = C + I + O + E - M = Y -> Bestedingsmethode.
Financiële kringloop → evenwicht op de vermogensmarkt => aanbod vermogen = vraag
vermogen
(Spaaridentiteit) S = I + (O - B) + (E - M)
→Y=Y
C+B+S=C+I+O+E-M
B+S=I+O+E-M
S=I+O-B+E-M
S = I + (O - B) + (E - M)
Gezinnen = particuliere investeringen + overheidssaldo + saldo lopende rekening.
Nationaal spaarsaldo = saldo lopende rekening -> (S - I) + (B - O) = (E - M)
Particulier spaarsaldo = (S - I)
Overheidssaldo = (B - O)
Buitenlandsaldo = (E - M)
Keynesianen of vraageconomen ; macro-economie -> mogelijk dat alle afzonderlijke markten
in evenwicht, maar geen garantie dat die micro-evenwichten samen ook tot een optimaal
macro-economisch evenwicht met volledige werkgelegenheid leiden.
Klassieken: micro-economie -> er zijn verschillende markten die allemaal via het
marktmechanisme in evenwicht komen en dat leidt automatisch ook tot het optimale
macro-economische evenwicht met volledige werkgelegenheid.
Werkloosheid daalt vanzelf via het marktmechanisme op de markten:
Vermogensmarkt → sparen, lenen; rente = prijs van vermogen.
Arbeidsmarkt -> prijs van arbeid = loon.
Goederenmarkt → prijzen dalen; vraag stijgt.
Keynes:
Effectieve vraag = totale bestedingen
Conjunctuur centraal; schommelingen (conjunctuurgolf) in het bbp als gevolg van
schommelingen in de effectieve vraag.
Langetermijngroei = de trend.
Output gap : verschil tussen de werkelijke productie en de potentiële productie.
Conjunctuurcyclus → conjunctuurfases 'herhalen’ zichzelf.
Negatieve output gap = werkelijke productie < potentiële productie. -> laagconjunctuur of
onderbesteding.
Hoge werkloosheid.
Groei economie of economie → ontwikkeling van het bbp = waarde van productie van land
in jaar. → gelijk aan; waarde van het verdiende inkomen in land in een jaar.
-> nominale bbp = €750 mjd. = €750 mjd. productie = €750 mjd. inkomen.
Welvaart: de mate waarin je in je behoeften kunt voorzien.
Groei productiehoeveelheid= reële groei.
Economische groei = groei reële bbp → groei nominale bbp gecorrigeerd voor
prijsveranderingen.
Ontwikkeling algemeen prijspeil -> door CBS bijgehouden -> gepubliceerd in CPI.
Stijging algemeen prijspeil = inflatie.
RIC = (NIC/PIC) x 100
Beloningen voor productiefactoren (kano) = primaire inkomens
Arbeidsinkomen: loon van werknemers en winst van zelfstandigen.
Kapitaalinkomen: rente, pacht, huur, winst = dividend.
Productiewaarde:
Objectieve methode:
toegevoegde waarde = omzet - onderlinge leveringen.
Subjectieve methode:
som van de primaire inkomens + afschrijvingen.
Bestedingsmethode : C + I + O + E - M
Productiewaarde overheid en niet-commerciële instellingen = gelijk aan de loonsom van alle
werknemers.
bbi = som primaire inkomens + afschrijvingen.
bbi = bbp -> verschil is de methode
(nbi = nbp..)
Categoriale inkomensverdeling: verdeling van het nationaal inkomen tussen arbeid en
kapitaal.
winst uit eigen bedrijf ; box 1.
AIQ = (arbeidsinkomen/ nationaal inkomen) x 100%
AIQ + KIQ = 100%
Hoge AIQ; veel gebruik arbeid = relatief arbeidsintensief.
Lage AIQ; relatief kapitaalintensief.
Macro-economische ontwikkelingen:
Flexibele schil
kwaliteit kapitaalgoederen (^)
communicatie- en transportmogelijkheden (^)
maximaliseren van waarde voor aandeelhouders (-> loonmatiging).
Gini-coëfficiënt: weergeeft de mate van inkomensongelijkheid.
Say → aanbod schept eigen vraag
maximale productie = maximaal inkomen
→ werkelijke bbp = potentiële bbp
Economische groei op lange termijn → bepaald door aanbodkant economie.
Klassieke economie focust op aanbodkant.
Smith → individu voorop.
,-> marktwerking: vraag in evenwicht met het aanbod.
→ 'onzichtbare hand’
→ geen overheidsbemoeienis; vrije marktwerking: wel ‘niet marktzaken’; veiligheid en
algemeen bestuur.
Omvang potentiële productie bepaald door; hoeveelheid arbeid, kapitaal en de totale
factorproductiviteit.
→ Hoeveelheid arbeid: omvang van de beroepsbevolking: het potentiële aantal werkenden.
→ Hoeveelheid kapitaal: alle kapitaalgoederen die potentieel kunnen worden ingezet bij de
productie.
→ Totale factorproductiviteit: de kwaliteit van de productiefactoren en de efficiëntie
waarmee ze worden ingezet bij de productie.
TFP = 'productiviteit van onze kapitaalgoederen’
TFP -> ook wel stand van de technologie genoemd: beïnvloed door:
Economisch kapitaal; innovaties, onderzoek & ontwikkeling en infrastructuur.
Menselijk kapitaal; hoe hoger de scholing van de beroepsbevolking, (hoe hoger de
productiviteit)
→ Beter onderwijs
Natuurlijk kapitaal; geografische ligging -> waar het land ligt, het landschap,
bodemschatten, kwaliteit van het leefmilieu en het klimaat.
Maatschappelijke factoren; politieke stabiliteit en kwalitatief goede instituties. ->
zaken die de omgang van mensen in een maatschappij structuur geven.
Productiefunctie: Y* = A (K, L) (+)
→ Y* : Omvang van de potentiële productie (potentiële bbp)
L: hoeveelheid arbeid
K: hoeveelheid kapitaal en land
A: factor die TFP weergeeft.
Arbeidsproductiviteit = Y* ÷ L
Kapitaalproductiviteit = Y* ÷ K
Schaalopbrengsten: extra productie die ontstaat als beide productiefactoren met een
eenheid laat toenemen.
Afnemende meeropbrengsten: als één productiefactor toeneemt, terwijl de andere in
omvang gelijk blijft. "(op bepaald moment extra eenheid niet meer handig).
Beleid gericht op verhogen van L, K en/ of A => groeibevorderend beleid of structuurbeleid.
Groeifonds NL -> bijdrage aan groei van de productiviteit en daarmee groei van
verdienvermogen van NL; kennisontwikkeling, onderzoek, ontwikkeling en innovatie en
infrastructuur.
Werkelijke bbp bepaald door; hoogte van de bestedingen = aankopen van goederen en
diensten door consumenten, bedrijven, overheid en buitenland.
Economische kringloop -> model van een economie op macroniveau; niveau van een land als
geheel.
5 sectoren: alleen geldstromen "(in = uit)"
Gezinnen; productiefactoren -> arbeid en kapitaal => primair inkomen = arbeids- en
kapitaalinkomen.
Totale som primaire inkomens = nationaal inkomen Y.
Gezinnen = C + B + S
Besteedbare inkomen = Y - B
, Bedrijven; pf. arbeid en kapitaal => primaire inkomens aan gezinnen.
Y=C+I+O+E-M
Overheid: Overheidsbeleid = B - O
Buitenland;
saldo buitenland = E - M
-> saldo op de lopende rekening.
Financiële instellingen; brengen aanbieders en vragers samen op de
vermogensmarkt (geld).
Particuliere sector: gezinnen en bedrijven. Reële stroom tegenover geldstroom.
Reële kringloop -> evenwicht op de goederen- en dienstenmarkt => bestedingen =
productie/ het inkomen.
Y=C+I+O+E-M
Totale vraag van gezinnen, bedrijven, overheid en buitenland : effectieve vraag
(inkomensidentiteit) = EV = C + I + O + E - M = Y -> Bestedingsmethode.
Financiële kringloop → evenwicht op de vermogensmarkt => aanbod vermogen = vraag
vermogen
(Spaaridentiteit) S = I + (O - B) + (E - M)
→Y=Y
C+B+S=C+I+O+E-M
B+S=I+O+E-M
S=I+O-B+E-M
S = I + (O - B) + (E - M)
Gezinnen = particuliere investeringen + overheidssaldo + saldo lopende rekening.
Nationaal spaarsaldo = saldo lopende rekening -> (S - I) + (B - O) = (E - M)
Particulier spaarsaldo = (S - I)
Overheidssaldo = (B - O)
Buitenlandsaldo = (E - M)
Keynesianen of vraageconomen ; macro-economie -> mogelijk dat alle afzonderlijke markten
in evenwicht, maar geen garantie dat die micro-evenwichten samen ook tot een optimaal
macro-economisch evenwicht met volledige werkgelegenheid leiden.
Klassieken: micro-economie -> er zijn verschillende markten die allemaal via het
marktmechanisme in evenwicht komen en dat leidt automatisch ook tot het optimale
macro-economische evenwicht met volledige werkgelegenheid.
Werkloosheid daalt vanzelf via het marktmechanisme op de markten:
Vermogensmarkt → sparen, lenen; rente = prijs van vermogen.
Arbeidsmarkt -> prijs van arbeid = loon.
Goederenmarkt → prijzen dalen; vraag stijgt.
Keynes:
Effectieve vraag = totale bestedingen
Conjunctuur centraal; schommelingen (conjunctuurgolf) in het bbp als gevolg van
schommelingen in de effectieve vraag.
Langetermijngroei = de trend.
Output gap : verschil tussen de werkelijke productie en de potentiële productie.
Conjunctuurcyclus → conjunctuurfases 'herhalen’ zichzelf.
Negatieve output gap = werkelijke productie < potentiële productie. -> laagconjunctuur of
onderbesteding.
Hoge werkloosheid.