Overtuigingsmiddelen
A. Logos: Overtuiging door middel van argumenten (ratio).
Voorbeelden:
● “Als we overstappen op ledlampen, besparen we 30% op energiekosten.”
● “Uit onderzoek blijkt dat leerlingen beter presteren als ze later beginnen met school.”
● “Deze auto verbruikt maar 1 liter per 25 kilometer, dus hij is goedkoper in gebruik.”
Je wordt overtuigd omdat het redelijk en onderbouwd klinkt.
B. Ethos: Overtuiging door een beroep op karakter (ervaring)
Voorbeelden:
● “Als arts met 20 jaar ervaring raad ik dit vaccin aan.”
● “Wij zijn al 50 jaar een familiebedrijf dat kwaliteit vooropstelt.”
● “Als leraar zie ik elke dag hoe belangrijk lezen is voor kinderen.”
Je gelooft het omdat de spreker autoriteit of ervaring heeft.
C. Pathos: Overtuiging door een beroep op emoties
Voorbeelden:
● “Denk aan de toekomst van je kinderen als we nu niets doen tegen
klimaatverandering.”
● “Geen enkel dier verdient het om zo te lijden.”
● “Samen kunnen we een veiligere en mooiere wereld creëren.”
Je wordt overtuigd omdat het je raakt.
Oefenvraag 1 (meerkeuze)
Lees de uitspraken hieronder.
1. “Uit cijfers van het CBS blijkt dat het aantal verkeersongelukken met 25% daalt door
strengere snelheidscontroles.”
2. “Als moeder van drie kinderen weet ik hoe belangrijk gezonde school lunches zijn.”
3. “Stel je voor dat jouw huis onder water komt te staan door overstromingen.”
Welke uitspraak hoort bij welk overtuigingsmiddel?
A. 1 = Pathos, 2 = Logos, 3 = Ethos
B. 1 = Logos, 2 = Ethos, 3 = Pathos
C. 1 = Ethos, 2 = Pathos, 3 = Logos
D. 1 = Logos, 2 = Pathos, 3 = Ethos
Antwoord: B
Toelichting:
● Uitspraak 1 gebruikt feiten en cijfers → Logos
● Uitspraak 2 beroept zich op ervaring/karakter → Ethos
● Uitspraak 3 roept gevoelens op (angst) → Pathos
,Waarom is argumentatie van belang in recht en politiek?
• Feiten zijn betwistbaar
• Normen spreken niet voor zichzelf
• Beginselen en belangen kunnen botsen
• Over de gewenste aanpak is discussie mogelijk
Argumentatie
“Deze weg loopt dood”
→ Welke stelling wordt hier verdedigd?
→ Demonstranten willen bijdragen aan de discussie over het klimaatbeleid,
dus brengen ze een argument naar voren
Onderdelen
● Elke argumentatie bestaat in volledige vorm uit twee premissen (ofwel: argumenten):
het argument en het brug argument (verband)
● Het brug argument is vaak verzwegen; dat moet je expliciteren als ernaar wordt
gevraagd
● De premissen onderbouwen de conclusie (ofwel: het standpunt)
Q: Wat is hier verzwegen?
P Deze weg loopt dood
C Het klimaatbeleid in Nederland moet radicaal anders
Volledige redenering
P (Beleid dat een doodlopende weg is, moet radicaal anders)
P Deze weg loopt dood
C Het klimaatbeleid in Nederland moet radicaal anders
➔ Brug Argument (in grijs) = algemene regel
Syllogisme: Als beleid een doodlopende weg is, dan moet dat beleid radicaal anders.
Argumentatiestructuur
Schematisch verband tussen:
• standpunt en argument(en)
• argumenten onderling
Typen argumentatiestructuren
• Enkelvoudig
• Nevenschikkend
• Meervoudig
• Concessief
,ENKELVOUDIG
Enkelvoudige argumentatie
C De uitlatingen van gedaagde zijn onrechtmatig
P Gedaagde heeft geen te respecteren belang
(P Als de uitlatingen van een persoon geen te respecteren belang dienen,
dan zijn die uitlatingen onrechtmatig)
Signaalwoorden (of: indicatoren) → want-dus proef
→ [Standpunt] want, omdat, aangezien, immers … [argument]
→ [Argument] dus, derhalve, hieruit volgt dat … [standpunt]
Enkelvoudige argumentatie
Signaalwoorden (of: indicatoren) → want-dus proef
→ [Standpunt] want, omdat, aangezien, immers … [argument]
→ [Argument] dus, derhalve, hieruit volgt dat … [standpunt]
Voorbeeld 1
Standpunt: “De school moet later beginnen”
Argument:
Leerlingen zijn dan beter uitgerust.
➔ De school moet later beginnen, want leerlingen zijn dan beter uitgerust.
➔ Leerlingen zijn beter uitgerust, dus de school moet later beginnen.
Voorbeeld 2
Standpunt: “Deze reclame is misleidend."
Argument: De reclame belooft effecten die niet bewezen zijn.
➔ Deze reclame is misleidend, omdat de beloofde effecten niet bewezen zijn.
➔ De beloofde effecten zijn niet bewezen, dus is de reclame misleidend.
Voorbeeld 4
Standpunt: “De boete is terecht”
Argument: De bestuurder reed 20 km per uur te hard.
➔ De boete is terecht, want de bestuurder reed 20 km per uur te hard.
➔ De bestuurder reed 20 km per uur te hard, dus is de boete terecht.
, NEVENSCHIKKEND
Nevenschikkende argumentatie
C. De uitlatingen van gedaagde zijn onrechtmatig
↑
P1 Gedaagde heeft geen te respecteren belang EN
P2 Ze kan haar beschuldigingen niet waar maken EN
P3 Haar beschuldigingen zijn onnodig grievend
(P Als 1 + 2 + 3, dan zijn de uitlatingen van gedaagde onrechtmatig)
Signaalwoorden: Daarbij komt, sterker nog, zelfs, (evt.: bovendien, daarnaast) . . .
Signaalwoorden
Daarbij komt, sterker nog, zelfs (eventueel: bovendien, daarnaast) . . .
Voorbeeld 1
C (standpunt): “De reclame is misleidend."
P1: De beloften zijn niet wetenschappelijk onderbouwd.
P2: Belangrijke voorwaarden worden verzwegen.
P3: Consumenten krijgen een verkeerd beeld.
➔ De reclame is misleidend. Daarbij komt dat de beloften niet wetenschappelijk zijn
onderbouwd, bovendien worden belangrijke voorwaarden verzwegen en sterker nog,
consumenten krijgen een verkeerd beeld.
Voorbeeld 2
C (standpunt): De uitlatingen van de spreker zijn onacceptabel.
P1: Ze zijn feitelijk onjuist.
P2: Ze schaden de reputatie van anderen.
P3: Ze dragen niet bij aan het publieke debat.
➔ De uitlatingen van de spreker zijn onacceptabel. Bovendien zijn ze feitelijk onjuist,
daarbij komt dat ze de reputatie van anderen schaden en zelfs dragen ze niet bij aan
het publieke debat.