, 15 open vragen
Hoofdstuk 1 – Algemene pathologie en basisprocessen
1. Leg uit wat het verschil is tussen reversibele en irreversibele celschade en beschrijf welke structurele
en functionele veranderingen in de cel daarbij optreden.
2. Beschrijf het ontstekingsproces vanaf het moment van weefselschade tot aan herstel. Ga in op
vasculaire veranderingen, cellulaire reacties en de rol van chemische mediatoren.
3. Verklaar het verschil tussen necrose en apoptose op morfologisch, biochemisch en klinisch niveau.
Geef daarbij aan waarom apoptose meestal geen ontstekingsreactie veroorzaakt.
4. Licht het proces van wondgenezing toe in fasen. Benoem factoren die dit proces positief en negatief
beïnvloeden.
5. Beschrijf hoe oedeem ontstaat. Betrek in je antwoord de rol van hydrostatische druk, colloïd-
osmotische druk en lymfedrainage.
Hoofdstuk 2 – Infecties, immunologie en tumoren
6. Leg uit hoe het aangeboren en het verworven immuunsysteem samenwerken bij de bestrijding van
een bacteriële infectie.
7. Beschrijf het verschil tussen een lokale en een systemische infectie en geef aan hoe sepsis ontstaat en
welke pathofysiologische processen daarbij een rol spelen.
8. Verklaar het mechanisme van een allergische reactie type I. Ga in op de rol van IgE, mestcellen en
histamine.
9. Beschrijf het proces van tumorvorming vanaf genetische mutatie tot metastasering. Benoem daarbij
de begrippen initiatie, promotie en progressie.
10. Leg uit waarom kwaadaardige tumoren kunnen leiden tot cachexie en verstoringen in de stofwisseling.
Hoofdstuk 3 – Orgaansystemen en chronische aandoeningen
11. Beschrijf de pathofysiologie van hartfalen. Leg uit hoe verminderde pompfunctie leidt tot klachten
zoals dyspneu en oedeem.
12. Leg uit hoe diabetes mellitus type 1 en type 2 ontstaan. Vergelijk de onderliggende mechanismen en
de gevolgen voor het lichaam.
13. Beschrijf wat er gebeurt bij chronische obstructieve longziekte (COPD) op het niveau van de
luchtwegen en de alveoli. Verklaar waarom patiënten kortademig zijn.
14. Leg uit hoe nierinsufficiëntie leidt tot stoornissen in vocht- en elektrolytenbalans en zuur-base-
evenwicht.
15. Beschrijf het ontstaan van een cerebrovasculair accident (CVA) en leg uit wat het verschil is tussen een
ischemisch en een hemorragisch CVA op pathofysiologisch niveau.