Hoofdstuk 7: Cognitieve gedragstherapie
Cognitieve gedragstherapie (CGT) is een gestructureerde vorm van psychotherapie
waarin mensen leren om anders tegen problematische situaties aan te kijken en er anders
mee om te gaan. CGT is effectief gebleken in de behandeling van diverse vormen van
psychopathologie.
CGT kent twee belangrijke componenten: de cognitieve component en de
gedragstherapeutische component. De gedragstherapeutische component richt zich op het
veranderen van gedrag. In een gedragstherapeutische behandeling leert de cliënt om met
beter en passend gedrag te reageren. De cognitieve component richt zich op de invloed van
gedachten op gevoel en gedrag. In cognitieve therapie leren cliënten hoe ze hun
disfunctionele gedachten en overtuigingen kunnen identificeren, evalueren en veranderen.
Cognitieve gedragstherapie bestaat in verschillende soorten en vormen. Ze worden
in verschillende vormen aangebied maar inhoudelijk kunnen ze ook andere accenten leggen
op verschillende onderwerpen. Al deze benaderingen hebben echter als overkoepelend
kenmerk dat ze de samenwerking tussen gedachten, gevoelens en gedrag benadrukken en
dat ze cognitieve en gedragsmatige interventies inzetten om negatieve gevoelens en
ongewenst gedrag te veranderen
Theoretisch kader
CGT is deels gebaseerd op de theorie van Beck die onderstelde dat psychisch lijden
niet zozeer ontstaat door de dingen die iemand meemaakt, maar door de manier waarop
iemand over deze dingen denkt. De cognitieve benadering kent vier niveaus van cognities:
1. Basisschema’s: Dit zijn fundamentele opvattingen die iemand heeft over zichzelf,
over de wereld en over de toekomst
2. Conditionele assumpties, veronderstellingen over oorzaak-gevolgrelaties
3. Strategische ideeën, opvattingen die mensen hebben over hoe ze gevaren het beste
het hoofd kunnen bieden en goede dingen bereiken
4. Automatische gedachten, de gedachten die meer bewust door iemands hoofd gaan.
Er wordt verondersteld dat automatische gedachten gestuurd worden door de basis
schema’s
Beck stelt dat psychopathologie ontstaat omdat bepaalde basisschema’s hyperactief
zijn geworden en de informatieverwerking is gaan domineren. Hypervalentie van dergelijke
schema’s manifesteren zich via de automatische gedachten.
In de cognitieve therapie wordt de cliënt ertoe gebracht het eigen denken te
onderwerpen aan een kritisch onderzoek en waar nodig, te vervangen door alternatieve
opvattingen die meer functioneel en helpend zijn. In de therapie wordt daarbij als het ware
van buiten naar binnen gewerkt: er wordt gestart met het opsporen en bewerken van
automatische gedachten om uiteindelijk bij de basisschema’s te komen.
De moderne CGT benadrukt meer dan ooit het samenspel van gebeurtenissen,
gedachten, gevoelens en gedrag (aka de 4 G’s).
,Diagnostiek
Tijdens de diagnostische fase probeert de therapeut een zo compleet mogelijk beeld
te krijgen van het probleemgedrag, de omstandigheden waarin dit voorkomt en cognities die
hiermee samenhangen. Ook worden de ontstaansgeschiedenis en de instandhoudende en
beschermende factoren in kaart gebracht. Dit kan door middel van vragenlijsten, tests,
observatie- en registratieopdrachten
Dan wordt er een probleemanalyse opgesteld, dit kan ook op verschillende manieren
kunnen worden opgesteld:
1. Macroanalyse (holistische theorie), worden probleemgedragingen met een
vergelijkbare functie geclusterd en worden er hypotheses opgesteld over de causale
relaties tussen de clusters. Zo ontstaat er een centrale, inter geconnecteerde
problematiek en kan er bepaald worden welk probleem eerst moet worden
aangepakt
2. Functieanalyse (microanalyse), wordt het gedrag binnen een specifiek
probleemgedrag geanalyseerd. De belangrijkste vragen die de therapeut wil
beantwoorden zijn: Welke stimuli/omstandigheden lokken het gedrag uit? Welke
reactie treedt op? Welke factoren houden het gedrag in stand?
3. Casusconceptualisatie, Vanuit eerder verzamelde informatie stelt de therapeut een
aantal hypothesen op over de functionele en disfunctionele schema’s van de cliënt,
om een indicatie te geven over de noodzakelijke duur van de therapie en de
verwachte weerstand tegen verandering
, Behandelingen
Wanneer de therapeut een compleet beeld heeft van de situatie en samen met de
cliënt heeft vastgesteld aan welk probleem er als eerste gewerkt dient te worden, worden
behandeldoelen opgesteld en worden er afspraken gemaakt over de duur van de
behandeling en de frequentie van de therapie sessies.
Er zijn verschillende technieken waarop CGT kan toegepast worden, hieronder 3
uitgelicht:
Operante technieken Het basisprincipe is dat gewenst gedrag wordt bekrachtigd en
ongewenst gedrag wordt uitgedoofd of bestraft. Dit is het best
toepasbaar in klinische settings. Een klassiek voorbeeld is de
token economy, waarin een cliënt ‘tokens’ kan krijgen voor goed
gedrag zoals socialiseren, bed opmaken, eten in ruil voor
gunsten/objecten.
Exposure technieken Exposure is een verzamelbegrip voor procedures die als
gemeenschappelijk kenmerk hebben dat cliënten blootgesteld
worden aan situaties en stimulaties die spanning en angst
oproepen en die hen geneigd zijn te vermijden. Zo kan iemand
wennen aan de gevreesde stimuli. Exposure gaat ook over
variatie in stimuli, zodat een cliënt niet het niveau van angst met
veiligheid gaat associëren.
Cognitieve technieken Het identificeren van disfunctionele automatische gedachten door
middel van registratie, het toetsen en veranderen van
automatische gedachten door uitdagingen en experimenten. Om
automatische gedachten te identificeren vraagt de therapeut aan
de cliënt om moeilijke situaties bij te houden. Samen vullen ze
dan het 4G schema in waar gevoelens meestal staan voor
automatische gedachten.
Nadat er duidelijk is welke gedachten zich manifesteren wordt
een cognitie met hoge emotionele lading geselecteerd (hot
cognition) en kritisch onderzocht. De cliënt moet de gedachten
toetsen aan logische en empirische houdbaarheid en
functionaliteit. Dit wordt gedaan door geleide ontdekking (guided
discovery) met de therapeut.
Op basis van de informatie die verzameld wordt er een
alternatieve gedachten opgesteld tegenover de disfunctionele.
Dan wordt er een gedragsexperiment uitgevoerd waarin
informatie wordt verzameld om op een empirische manier de
disfunctionele opvatting te toetsen. Zo kan de disfunctionele
gedachten worden bijgesteld.
Het is belangrijk dat de cliënt zelf leert hoe hij automatische
gedachten moet opsporen om deze aan kritisch onderzoek te
onderwerpen en bewust te zijn van onderliggende assumpties en
kerngedachten.
Cognitieve gedragstherapie (CGT) is een gestructureerde vorm van psychotherapie
waarin mensen leren om anders tegen problematische situaties aan te kijken en er anders
mee om te gaan. CGT is effectief gebleken in de behandeling van diverse vormen van
psychopathologie.
CGT kent twee belangrijke componenten: de cognitieve component en de
gedragstherapeutische component. De gedragstherapeutische component richt zich op het
veranderen van gedrag. In een gedragstherapeutische behandeling leert de cliënt om met
beter en passend gedrag te reageren. De cognitieve component richt zich op de invloed van
gedachten op gevoel en gedrag. In cognitieve therapie leren cliënten hoe ze hun
disfunctionele gedachten en overtuigingen kunnen identificeren, evalueren en veranderen.
Cognitieve gedragstherapie bestaat in verschillende soorten en vormen. Ze worden
in verschillende vormen aangebied maar inhoudelijk kunnen ze ook andere accenten leggen
op verschillende onderwerpen. Al deze benaderingen hebben echter als overkoepelend
kenmerk dat ze de samenwerking tussen gedachten, gevoelens en gedrag benadrukken en
dat ze cognitieve en gedragsmatige interventies inzetten om negatieve gevoelens en
ongewenst gedrag te veranderen
Theoretisch kader
CGT is deels gebaseerd op de theorie van Beck die onderstelde dat psychisch lijden
niet zozeer ontstaat door de dingen die iemand meemaakt, maar door de manier waarop
iemand over deze dingen denkt. De cognitieve benadering kent vier niveaus van cognities:
1. Basisschema’s: Dit zijn fundamentele opvattingen die iemand heeft over zichzelf,
over de wereld en over de toekomst
2. Conditionele assumpties, veronderstellingen over oorzaak-gevolgrelaties
3. Strategische ideeën, opvattingen die mensen hebben over hoe ze gevaren het beste
het hoofd kunnen bieden en goede dingen bereiken
4. Automatische gedachten, de gedachten die meer bewust door iemands hoofd gaan.
Er wordt verondersteld dat automatische gedachten gestuurd worden door de basis
schema’s
Beck stelt dat psychopathologie ontstaat omdat bepaalde basisschema’s hyperactief
zijn geworden en de informatieverwerking is gaan domineren. Hypervalentie van dergelijke
schema’s manifesteren zich via de automatische gedachten.
In de cognitieve therapie wordt de cliënt ertoe gebracht het eigen denken te
onderwerpen aan een kritisch onderzoek en waar nodig, te vervangen door alternatieve
opvattingen die meer functioneel en helpend zijn. In de therapie wordt daarbij als het ware
van buiten naar binnen gewerkt: er wordt gestart met het opsporen en bewerken van
automatische gedachten om uiteindelijk bij de basisschema’s te komen.
De moderne CGT benadrukt meer dan ooit het samenspel van gebeurtenissen,
gedachten, gevoelens en gedrag (aka de 4 G’s).
,Diagnostiek
Tijdens de diagnostische fase probeert de therapeut een zo compleet mogelijk beeld
te krijgen van het probleemgedrag, de omstandigheden waarin dit voorkomt en cognities die
hiermee samenhangen. Ook worden de ontstaansgeschiedenis en de instandhoudende en
beschermende factoren in kaart gebracht. Dit kan door middel van vragenlijsten, tests,
observatie- en registratieopdrachten
Dan wordt er een probleemanalyse opgesteld, dit kan ook op verschillende manieren
kunnen worden opgesteld:
1. Macroanalyse (holistische theorie), worden probleemgedragingen met een
vergelijkbare functie geclusterd en worden er hypotheses opgesteld over de causale
relaties tussen de clusters. Zo ontstaat er een centrale, inter geconnecteerde
problematiek en kan er bepaald worden welk probleem eerst moet worden
aangepakt
2. Functieanalyse (microanalyse), wordt het gedrag binnen een specifiek
probleemgedrag geanalyseerd. De belangrijkste vragen die de therapeut wil
beantwoorden zijn: Welke stimuli/omstandigheden lokken het gedrag uit? Welke
reactie treedt op? Welke factoren houden het gedrag in stand?
3. Casusconceptualisatie, Vanuit eerder verzamelde informatie stelt de therapeut een
aantal hypothesen op over de functionele en disfunctionele schema’s van de cliënt,
om een indicatie te geven over de noodzakelijke duur van de therapie en de
verwachte weerstand tegen verandering
, Behandelingen
Wanneer de therapeut een compleet beeld heeft van de situatie en samen met de
cliënt heeft vastgesteld aan welk probleem er als eerste gewerkt dient te worden, worden
behandeldoelen opgesteld en worden er afspraken gemaakt over de duur van de
behandeling en de frequentie van de therapie sessies.
Er zijn verschillende technieken waarop CGT kan toegepast worden, hieronder 3
uitgelicht:
Operante technieken Het basisprincipe is dat gewenst gedrag wordt bekrachtigd en
ongewenst gedrag wordt uitgedoofd of bestraft. Dit is het best
toepasbaar in klinische settings. Een klassiek voorbeeld is de
token economy, waarin een cliënt ‘tokens’ kan krijgen voor goed
gedrag zoals socialiseren, bed opmaken, eten in ruil voor
gunsten/objecten.
Exposure technieken Exposure is een verzamelbegrip voor procedures die als
gemeenschappelijk kenmerk hebben dat cliënten blootgesteld
worden aan situaties en stimulaties die spanning en angst
oproepen en die hen geneigd zijn te vermijden. Zo kan iemand
wennen aan de gevreesde stimuli. Exposure gaat ook over
variatie in stimuli, zodat een cliënt niet het niveau van angst met
veiligheid gaat associëren.
Cognitieve technieken Het identificeren van disfunctionele automatische gedachten door
middel van registratie, het toetsen en veranderen van
automatische gedachten door uitdagingen en experimenten. Om
automatische gedachten te identificeren vraagt de therapeut aan
de cliënt om moeilijke situaties bij te houden. Samen vullen ze
dan het 4G schema in waar gevoelens meestal staan voor
automatische gedachten.
Nadat er duidelijk is welke gedachten zich manifesteren wordt
een cognitie met hoge emotionele lading geselecteerd (hot
cognition) en kritisch onderzocht. De cliënt moet de gedachten
toetsen aan logische en empirische houdbaarheid en
functionaliteit. Dit wordt gedaan door geleide ontdekking (guided
discovery) met de therapeut.
Op basis van de informatie die verzameld wordt er een
alternatieve gedachten opgesteld tegenover de disfunctionele.
Dan wordt er een gedragsexperiment uitgevoerd waarin
informatie wordt verzameld om op een empirische manier de
disfunctionele opvatting te toetsen. Zo kan de disfunctionele
gedachten worden bijgesteld.
Het is belangrijk dat de cliënt zelf leert hoe hij automatische
gedachten moet opsporen om deze aan kritisch onderzoek te
onderwerpen en bewust te zijn van onderliggende assumpties en
kerngedachten.