Referentiekaders bij professioneel en methodisch werken. Pagina
99 t/m 122 van Snellen (2014)
1. Psychodynamisch referentiekader
Het gaat over de manier waarop een persoon omgaat met innerlijke conflicten. De onbewuste
processen die het gedrag beïnvloeden. Het is dus gericht op de persoon van binnen en
individueel. Je kijkt naar 1 persoon.
1. Es (id)
a. De driften en impulsen die naar onmiddellijke ontlading en bevrediging
zoeken volgens het lustprincipe.
2. Ich (ego)
a. Persoonlijkheid wordt gestuurd door rekening houden met de externe realiteit.
b. Ego probeert Id onder controle te houden en stelt de persoon staande te
houden in de realiteit.
c. Functies: waarnemend, verdedigend-aanpassend, integrerend en uitvoerend.
3. Über-ich (Superego)
a. De waarden en normen van de omgeving.
b. Het geweten.
c. Controleert het Ego en Id.
● Conflicten van persoon zijn onbewust en daarom is er weerstand tegen verandering.
● Je wilt hiermee inzicht krijgen in het hoe en het waarom van het probleem.
● Het confronteren/verhelderen van het probleem.
● Je gaat op zoek naar geborgen gevoelens (trauma’s, stoornissen, opvoeding).
● Het is 1 vd 3 referentiekaders die gericht is op innerlijke processen.
Nadeel: het kan leiden tot aannames.
2. Experiëntieel referentiekader
Het psychosociaal functioneren wordt gezien als (uitkomst van) de manier waarop een
persoon de overeenstemming tussen denken, voelen en handelen (congruentie) verwerft
tussen zijn zelfconcept en zijn ervaringen.
● Het gaat over continu in proces zijn, continu open staan voor ervaringen.
● Het denken, voelen en handelen moet gelijk zijn aan elkaar anders is er angst of
onzekerheid. Je wilt dus veranderen of je aanpassen en ongelukkig zijn.
● De relatie tussen hulpverlener en cliënt is de verandering. Je geeft therapie om de
cliënt te laten ontwikkelen en leren problemen op te lossen.
● Als sociaal werker betrek je de gevoelens en emoties van de cliënt bij het handelen.
● De relatie is de verandering.
● Het is bedoeld de cliënt de gelegenheid te bieden zich te ontwikkelen, zodat hij leert
op een betere manier problemen op te lossen.
● Probleemoplossing verloopt beter naarmate de cliënt meer in relatie is met zijn
gevoelens.
● Het is belangrijk om aandacht te schenken aan het hier en nu en niet aan het verleden.
Fasen binnen dit kader:
1) Non directieve fase > veilig klimaat scheppen. Als hulpverlener geen opdrachten
geven, geen oplossingen geven en stelt zich neutraal op.
2) Reflectieve fase > spiegelen/verplaatsen in de belevingswereld. Als hulpverlener laten
blijken dat je je kan verplaatsen in de belevingswereld van de cliënt. Reflection of
feeling.
99 t/m 122 van Snellen (2014)
1. Psychodynamisch referentiekader
Het gaat over de manier waarop een persoon omgaat met innerlijke conflicten. De onbewuste
processen die het gedrag beïnvloeden. Het is dus gericht op de persoon van binnen en
individueel. Je kijkt naar 1 persoon.
1. Es (id)
a. De driften en impulsen die naar onmiddellijke ontlading en bevrediging
zoeken volgens het lustprincipe.
2. Ich (ego)
a. Persoonlijkheid wordt gestuurd door rekening houden met de externe realiteit.
b. Ego probeert Id onder controle te houden en stelt de persoon staande te
houden in de realiteit.
c. Functies: waarnemend, verdedigend-aanpassend, integrerend en uitvoerend.
3. Über-ich (Superego)
a. De waarden en normen van de omgeving.
b. Het geweten.
c. Controleert het Ego en Id.
● Conflicten van persoon zijn onbewust en daarom is er weerstand tegen verandering.
● Je wilt hiermee inzicht krijgen in het hoe en het waarom van het probleem.
● Het confronteren/verhelderen van het probleem.
● Je gaat op zoek naar geborgen gevoelens (trauma’s, stoornissen, opvoeding).
● Het is 1 vd 3 referentiekaders die gericht is op innerlijke processen.
Nadeel: het kan leiden tot aannames.
2. Experiëntieel referentiekader
Het psychosociaal functioneren wordt gezien als (uitkomst van) de manier waarop een
persoon de overeenstemming tussen denken, voelen en handelen (congruentie) verwerft
tussen zijn zelfconcept en zijn ervaringen.
● Het gaat over continu in proces zijn, continu open staan voor ervaringen.
● Het denken, voelen en handelen moet gelijk zijn aan elkaar anders is er angst of
onzekerheid. Je wilt dus veranderen of je aanpassen en ongelukkig zijn.
● De relatie tussen hulpverlener en cliënt is de verandering. Je geeft therapie om de
cliënt te laten ontwikkelen en leren problemen op te lossen.
● Als sociaal werker betrek je de gevoelens en emoties van de cliënt bij het handelen.
● De relatie is de verandering.
● Het is bedoeld de cliënt de gelegenheid te bieden zich te ontwikkelen, zodat hij leert
op een betere manier problemen op te lossen.
● Probleemoplossing verloopt beter naarmate de cliënt meer in relatie is met zijn
gevoelens.
● Het is belangrijk om aandacht te schenken aan het hier en nu en niet aan het verleden.
Fasen binnen dit kader:
1) Non directieve fase > veilig klimaat scheppen. Als hulpverlener geen opdrachten
geven, geen oplossingen geven en stelt zich neutraal op.
2) Reflectieve fase > spiegelen/verplaatsen in de belevingswereld. Als hulpverlener laten
blijken dat je je kan verplaatsen in de belevingswereld van de cliënt. Reflection of
feeling.