- Drie manieren om het bbp te berekenen:
o Objectieve methode => (omzet bedrijven – inkoopwaarde bedrijven) +
ambtenarensalarissen overheid = netto toegevoegde waarde => netto
toegevoegde waarde + afschrijvingen = bruto toegevoegde waarde =
bbp (de waarde die door productie toegevoegd)
o Subjectieve methode = optelsom van alle primaire inkomens (verkregen
uit de beloningen van productiefactoren (kano)) + afschrijvingen = bbp
o Finale bestedingen => Y = C + I + O + E – M
- 3 soorten inkomens
o Primair = uit beloning productiefactoren (kano)
o Secundair = primair inkomen min belastingen en premies en plus
uitkeringen/toeslagen)
o Tertiair = secundair min kostprijsverhogende belasting (btw) en min
kostprijsverlagende subsidies
- Verschil tussen bbp en nbp = afschrijvingen
- Verschil tussen bbp en bnp => binnenlands is verdiend binnen de
landsgrenzen, nationaal is door nederlanders verdiend in nederland, maar ook
in het buitenland
- Categoriale inkomensverdeling => elke beloning van elke productiefactor als
percentage van het netto binnenlandsinkomen, waarbij de
arbeidsinkomenquote (aiq) de belangrijkste is (let op bij arbeidsinkomen wordt
niet alleen gekeken naar inkomen uit loondienst maar ook naar het inkomen
van zzp’ers)
- Het kringloopmodel => kunnen uitrekenen bij elke economische actor wat er
aan geldstroom in en uitgaat (met het principe: wat er in gaat, gaat er ook uit)
- Het kringloopmodel gaat uit van geldstromen en niet van
goederen/dienstenstromen
- Uit het kringloopmodel kan de (e-m) = (b-o) + (s – i) worden afgeleid.
o E – M = saldo buitenland
o B – O = saldo overheid
o S – I = particulier spaarsaldo
o (B– O) + (S – I) = nationaal spaarsaldo
o E -M = gelijk aan het nationaal spaarsaldo = (uitvoersaldo) lopende
rekening
- Noem bij economische groei niet alleen dat de bestedingen gaan stijgen, maar
ook dat hierdoor de binnenlandse productie stijgt
- Betalingsbalans. Je weet het volgende:
o Dat deze bestaat uit de lopende rekening (goederen (handelsbalans),
diensten en inkomens (kano) en de kapitaalbalans (leningen,
aflossingen, investeringen en beleggingen)