Samenvatting literatuur week 1 Burgerlijk procesrecht:
→ Inleiding civiele geschillenbeslechting
Literatuur:
● Compendium (met uitzondering van de voetnoten):
- Hoofdstuk 1: in zijn geheel, met uitzondering van par. 1.13 en 1.14;
- Hoofdstuk 2: in zijn geheel;
- Hoofdstuk 13: par. 13.3.1;
- Hoofdstuk 14: par. 14.1. t/m 14.1.4, 14.1.17, 14.1.19, 14.2 t/m 14.3;
● P. Sanders, G.J. Meijer & P.E. Ernste, Mr. C. Assers Handleiding tot de
beoefening van hetNederlands Burgerlijk Recht. Procesrecht. 8. Arbitrage en
bindend advies, Deventer: Wolters Kluwer 2023, randnummers 31-34 en 65-
69 – zie Canvas
Jurisprudentie:
● EHRM 15 oktober 2009, NJ 2010/180 m.nt. E.A. Alkema ( M./Malta)
● Hof van Justitie van de Europese Unie 18 maart 2010, ECLI:EU:C:2010:146
(Alassini)
● HR 12 juli 2024, ECLI:NL:HR:2024:1078 ( CSW/PPSB)
,Hoofdstuk 1 Compendium; Inleiding
1.1 Doelstellingen van het burgerlijk procesrecht
Binnen het burgerlijk recht kan je, als het gaat om de doelstelling van het burgerlijk
procesrecht, twee verschillende onderdelen onderscheiden:
- Het ene is het vermogensrecht, waar rechten ter vrije beschikking van de
rechtssubjecten staan. Het burgerlijk procesrecht regelt vervolgens de
tussenkomst van de rechter ter beslechting van een geschil over de inhoud
van de rechtsbetrekking en / of ter verkrijging van een afdwingbare
veroordeling.
- Het andere deel is dat van het personen- en familierecht, waar de private
rechten niet ter vrije beschikking staan; de taak van de rechter is daar gericht
op de bescherming van specifieke belangen als bijvoorbeeld die van de
minderjarige.
Dit verschil in de aard van de in het geding zijnde rechten werkt door in de
doelstellingen en de regels van de betreffende rechtspleging.
Vermogensrecht
Op het terrein van het vermogensrecht heeft het burgerlijk procesrecht tot taak om
het mogelijk te maken de uit het privaatrecht voortvloeiende aanspraken op een
efficiënte, effectieve en eerlijke wijze te verwezenlijken.Van een goed functionerend
rechtsbestel gat een zekere preventieve werking jegens de debiteur uit; het maakt
‘eigenrichting’ door de crediteur in hoge mate onnodig.
Daartoe bevat het burgerlijk procesrecht voor twee verschillende onderwerpen een
regeling:
1) Namelijk voor de procedure die tot een beslissing omtrent de
rechtsverhoudingen tussen partijen moet leiden
2) Daarnaast voor de tenuitvoerlegging van die beslissing, waarvoor zo nodig
dwangmiddelen ter beschikking staan
Deze twee onderdelen worden met elkaar verbonden in de vorm van een vonnis van
de rechter.
Kenmerkend voor de burgerlijke rechtspleging is, dat de gedingvoerenden daarbij –
vanwege het tot hen gerichte verbod van eigenrichting, nr. 1.2 – aanspraak hebben
op overheidshulp ter handhaving van hun private rechten, zowel in het stadium van
de gedingvoering in samenspraak met de rechter als in dat van de tenuitvoerlegging
met behulp van de deurwaarder. In zoverre kan men het burgerlijk procesrecht als
een grensgebied tussen privaat- en publiekrecht beschouwen.
,Personen- en familierecht
Op dit terrein is het rechtssubject zelf in beperkte mate in staat zijn materiële
rechtspositie te bepalen en treedt de rechter vaak ordenend, toezichthoudend op, als
orgaan van de uitvoerende macht. Hier moet het burgerlijk procesrecht het mogelijk
maken dat het rechtssubject een eenvoudige toegang tot de rechter heeft,
bijvoorbeeld als de wetgever aan de rechter opdraagt dat zijn tussenkomst nodig is
om een nieuwe rechtstoestand te doen intreden, zoals bij naamswijziging, adoptie,
gezag over een minderjarige of echtscheiding.
1.2 Eigenrichting
Op het terrein van het vermogensrecht is de hoofddoelstelling van het burgerlijk
procesrecht het mogelijk te maken dat de crediteur die een aanspraak heeft op een
geven, doen of nalaten, een veroordeling van de debiteur krijgt, die hij zo nodig met
overheidshulp kan executeren. De debiteur moet zich niet aan zijn verplichtingen
kunnen onttrekken. Anders zou de crediteur in de verleiding kunnen komen om zich
het hem toekomende eigenmachtig te verschaffen. Dan spreken wij van
eigenrichting, het zonder overheidshulp met eigen machtsmiddelen afdwingen van
een burgerrechtelijke aanspraak. Dit leidt vaak tot escalatie.
Het burgerlijk procesrecht stelt daarom middelen tot handhaving van de
privaatrechtelijke rechtsorde ter beschikking. Hiermee beoogt het ontoelaatbare
vormen van eigenrichting te voorkomen en escalatie van toelaatbare vormen van
eigenrichting tegen te gaan en escalatie van toelaatbare vormen van eigenrichting
tegen te gaan.
Er zijn gevallen waarin de wetgever, de betrokken belangen afwegend, voor
rechtsuitoefening geen voorafgaande tussenkomst van de rechter heeft willen
voorschrijven.
De eis dat het burgerlijk procesrecht een zodanige rechtsbescherming biedt dat men
niet in de verleiding komt ‘het recht in eigen hand te nemen’ leidt herhaaldelijk tot
aanpassingen van het procesrecht. Als aan het overbodig maken van eigenrichting
ondergeschikte doelstellingen of neveneffecten van het burgerlijk procesrecht
kunnen genoemd worden conflictoplossing, verschaffing van executoriale titels, en,
gelet op de rol van de Hoge Raad, het bevorderen van rechtsontwikkeling en
rechtseenheid.
Overbodig maken van verboden eigenrichting is het doel van het klassieke burgerlijk
procesrecht; het werd echter al vermeld dat het burgerlijk procesrecht ook voor
andere doelen wordt ingezet, zoals in de oneigenlijke rechtspraak.
, 1.3 Eigenlijke en oneigenlijke rechtspraak
De taak van de burgerlijke rechter om vermogensrechtelijke geschillen te beslechten
en/of afdwingbare veroordelingen uit te spreken wordt wel eigenlijke rechtspraak
genoemd. De bemoeienis van de rechter op het terrein van het personen- en
familierecht pleegt men aan te duiden met de term vrijwillige-/ oneigenlijke
rechtspraak. Vrijwillig is die rechtspraak echter niet, nu het juist vaak zo is dat een
beschikking van de rechter voor partijen vereist is om de verlangde wijziging tot
stand te brengen.
Deze onderscheiden rechterlijke werkzaamheden hebben ieder hun eigen kader: de
dagvaardingsprocedure en de verzoekschriftprocedure.
1.4 Soorten procedures
1.4.1 De dagvaardings- en de verzoekschriftprocedure
De dagvaardings- en de verzoekschriftprocedure zijn de afgelopen decennia, door
toedoen van wetgever en rechter, duidelijk naar elkaar toegegroeid. Toch vertonen
ze nog in een aantal opzichten verschillen.
1) De dagvaardingsprocedure vangt meestal aan met een dagvaarding. Een
dagvaarding is de door een deurwaarder uitgebrachte tot de tegenpartij
gerichte oproep om op een bepaalde dag voor de rechter te verschijnen met
een omschrijving van de eis en de gronden daarvan.
VS
De verzoekschrift- op rekestprocedure wordt ingeleid met een schriftelijk verzoek,
ingediend bij de griffie van de bevoegde rechterlijke instantie. Belanghebbenden
worden in beginsel per brief door de griffier opgeroepen.
2) In eerste aanleg is in het algemeen de rechtbank het bevoegde gerecht om
van burgerlijke zaken kennis te nemen. Voor beide procedures gelden
vervolgens wel eigen regels die aangeven of de sector civiel dan wel de
kantonrechter de zaak zal behandelen. De relatieve competentie is
verschillend: in dagvaardingszaken is in beginsel de rechter van de
woonplaats van de gedaagde bevoegd, terwijl dat in verzoekschrift zaken -
waar een ‘gedaagde’ heel goed kan ontbreken - de rechter van de woonplaats
van de verzoeker is.
→ Inleiding civiele geschillenbeslechting
Literatuur:
● Compendium (met uitzondering van de voetnoten):
- Hoofdstuk 1: in zijn geheel, met uitzondering van par. 1.13 en 1.14;
- Hoofdstuk 2: in zijn geheel;
- Hoofdstuk 13: par. 13.3.1;
- Hoofdstuk 14: par. 14.1. t/m 14.1.4, 14.1.17, 14.1.19, 14.2 t/m 14.3;
● P. Sanders, G.J. Meijer & P.E. Ernste, Mr. C. Assers Handleiding tot de
beoefening van hetNederlands Burgerlijk Recht. Procesrecht. 8. Arbitrage en
bindend advies, Deventer: Wolters Kluwer 2023, randnummers 31-34 en 65-
69 – zie Canvas
Jurisprudentie:
● EHRM 15 oktober 2009, NJ 2010/180 m.nt. E.A. Alkema ( M./Malta)
● Hof van Justitie van de Europese Unie 18 maart 2010, ECLI:EU:C:2010:146
(Alassini)
● HR 12 juli 2024, ECLI:NL:HR:2024:1078 ( CSW/PPSB)
,Hoofdstuk 1 Compendium; Inleiding
1.1 Doelstellingen van het burgerlijk procesrecht
Binnen het burgerlijk recht kan je, als het gaat om de doelstelling van het burgerlijk
procesrecht, twee verschillende onderdelen onderscheiden:
- Het ene is het vermogensrecht, waar rechten ter vrije beschikking van de
rechtssubjecten staan. Het burgerlijk procesrecht regelt vervolgens de
tussenkomst van de rechter ter beslechting van een geschil over de inhoud
van de rechtsbetrekking en / of ter verkrijging van een afdwingbare
veroordeling.
- Het andere deel is dat van het personen- en familierecht, waar de private
rechten niet ter vrije beschikking staan; de taak van de rechter is daar gericht
op de bescherming van specifieke belangen als bijvoorbeeld die van de
minderjarige.
Dit verschil in de aard van de in het geding zijnde rechten werkt door in de
doelstellingen en de regels van de betreffende rechtspleging.
Vermogensrecht
Op het terrein van het vermogensrecht heeft het burgerlijk procesrecht tot taak om
het mogelijk te maken de uit het privaatrecht voortvloeiende aanspraken op een
efficiënte, effectieve en eerlijke wijze te verwezenlijken.Van een goed functionerend
rechtsbestel gat een zekere preventieve werking jegens de debiteur uit; het maakt
‘eigenrichting’ door de crediteur in hoge mate onnodig.
Daartoe bevat het burgerlijk procesrecht voor twee verschillende onderwerpen een
regeling:
1) Namelijk voor de procedure die tot een beslissing omtrent de
rechtsverhoudingen tussen partijen moet leiden
2) Daarnaast voor de tenuitvoerlegging van die beslissing, waarvoor zo nodig
dwangmiddelen ter beschikking staan
Deze twee onderdelen worden met elkaar verbonden in de vorm van een vonnis van
de rechter.
Kenmerkend voor de burgerlijke rechtspleging is, dat de gedingvoerenden daarbij –
vanwege het tot hen gerichte verbod van eigenrichting, nr. 1.2 – aanspraak hebben
op overheidshulp ter handhaving van hun private rechten, zowel in het stadium van
de gedingvoering in samenspraak met de rechter als in dat van de tenuitvoerlegging
met behulp van de deurwaarder. In zoverre kan men het burgerlijk procesrecht als
een grensgebied tussen privaat- en publiekrecht beschouwen.
,Personen- en familierecht
Op dit terrein is het rechtssubject zelf in beperkte mate in staat zijn materiële
rechtspositie te bepalen en treedt de rechter vaak ordenend, toezichthoudend op, als
orgaan van de uitvoerende macht. Hier moet het burgerlijk procesrecht het mogelijk
maken dat het rechtssubject een eenvoudige toegang tot de rechter heeft,
bijvoorbeeld als de wetgever aan de rechter opdraagt dat zijn tussenkomst nodig is
om een nieuwe rechtstoestand te doen intreden, zoals bij naamswijziging, adoptie,
gezag over een minderjarige of echtscheiding.
1.2 Eigenrichting
Op het terrein van het vermogensrecht is de hoofddoelstelling van het burgerlijk
procesrecht het mogelijk te maken dat de crediteur die een aanspraak heeft op een
geven, doen of nalaten, een veroordeling van de debiteur krijgt, die hij zo nodig met
overheidshulp kan executeren. De debiteur moet zich niet aan zijn verplichtingen
kunnen onttrekken. Anders zou de crediteur in de verleiding kunnen komen om zich
het hem toekomende eigenmachtig te verschaffen. Dan spreken wij van
eigenrichting, het zonder overheidshulp met eigen machtsmiddelen afdwingen van
een burgerrechtelijke aanspraak. Dit leidt vaak tot escalatie.
Het burgerlijk procesrecht stelt daarom middelen tot handhaving van de
privaatrechtelijke rechtsorde ter beschikking. Hiermee beoogt het ontoelaatbare
vormen van eigenrichting te voorkomen en escalatie van toelaatbare vormen van
eigenrichting tegen te gaan en escalatie van toelaatbare vormen van eigenrichting
tegen te gaan.
Er zijn gevallen waarin de wetgever, de betrokken belangen afwegend, voor
rechtsuitoefening geen voorafgaande tussenkomst van de rechter heeft willen
voorschrijven.
De eis dat het burgerlijk procesrecht een zodanige rechtsbescherming biedt dat men
niet in de verleiding komt ‘het recht in eigen hand te nemen’ leidt herhaaldelijk tot
aanpassingen van het procesrecht. Als aan het overbodig maken van eigenrichting
ondergeschikte doelstellingen of neveneffecten van het burgerlijk procesrecht
kunnen genoemd worden conflictoplossing, verschaffing van executoriale titels, en,
gelet op de rol van de Hoge Raad, het bevorderen van rechtsontwikkeling en
rechtseenheid.
Overbodig maken van verboden eigenrichting is het doel van het klassieke burgerlijk
procesrecht; het werd echter al vermeld dat het burgerlijk procesrecht ook voor
andere doelen wordt ingezet, zoals in de oneigenlijke rechtspraak.
, 1.3 Eigenlijke en oneigenlijke rechtspraak
De taak van de burgerlijke rechter om vermogensrechtelijke geschillen te beslechten
en/of afdwingbare veroordelingen uit te spreken wordt wel eigenlijke rechtspraak
genoemd. De bemoeienis van de rechter op het terrein van het personen- en
familierecht pleegt men aan te duiden met de term vrijwillige-/ oneigenlijke
rechtspraak. Vrijwillig is die rechtspraak echter niet, nu het juist vaak zo is dat een
beschikking van de rechter voor partijen vereist is om de verlangde wijziging tot
stand te brengen.
Deze onderscheiden rechterlijke werkzaamheden hebben ieder hun eigen kader: de
dagvaardingsprocedure en de verzoekschriftprocedure.
1.4 Soorten procedures
1.4.1 De dagvaardings- en de verzoekschriftprocedure
De dagvaardings- en de verzoekschriftprocedure zijn de afgelopen decennia, door
toedoen van wetgever en rechter, duidelijk naar elkaar toegegroeid. Toch vertonen
ze nog in een aantal opzichten verschillen.
1) De dagvaardingsprocedure vangt meestal aan met een dagvaarding. Een
dagvaarding is de door een deurwaarder uitgebrachte tot de tegenpartij
gerichte oproep om op een bepaalde dag voor de rechter te verschijnen met
een omschrijving van de eis en de gronden daarvan.
VS
De verzoekschrift- op rekestprocedure wordt ingeleid met een schriftelijk verzoek,
ingediend bij de griffie van de bevoegde rechterlijke instantie. Belanghebbenden
worden in beginsel per brief door de griffier opgeroepen.
2) In eerste aanleg is in het algemeen de rechtbank het bevoegde gerecht om
van burgerlijke zaken kennis te nemen. Voor beide procedures gelden
vervolgens wel eigen regels die aangeven of de sector civiel dan wel de
kantonrechter de zaak zal behandelen. De relatieve competentie is
verschillend: in dagvaardingszaken is in beginsel de rechter van de
woonplaats van de gedaagde bevoegd, terwijl dat in verzoekschrift zaken -
waar een ‘gedaagde’ heel goed kan ontbreken - de rechter van de woonplaats
van de verzoeker is.