Genetische afwijkingen
MTI-4 Q3
HC – introductie in de klinische genetica
Tandarts en geneticus:
- Afwezigheid van tanden (hypo-, oligo-,anodontie)
- Hyperdontie
- Dentinogenesis imperfecta (dentine afwijkingen)
- Ameologenesis imperfecta (tandglazuurhypoplasie)
- Gingiva afwijkingen
- Cariës
- Afwijkingen van de maxilla
- Schisis
- Craniosynostose
- Congenitale craniofaciale afwijkingen/syndromen
Leerdoelen:
- Een mogelijk erfelijke aandoening op het spoor komen
- Kennis van erfelijke oorzaken van tandheelkundige aandoeningen
- Verschil syndromale en niet-syndromale aandoeningen (complex syndroom/geïsoleerd)
- Verschillende overervingsvormen kennen en toepassen
- Mogelijkheden van genetische (prenatale) diagnostiek
- Winst van genetische diagnostiek voor patiënt, familie en tandarts
- Kennis over erfelijkheidsadvisering: voor patiënten en familie.
Spreekuur van een klinische geneticus:
- Sporadisch of familiair: is het de enige persoon met de afwijkingen of hebben meerdere
mensen in de familie die afwijking
- Niet syndromaal/geïsoleerd of syndromaal?
Syndroomherkenning/dysmorfologie:
- Dysmorfologie= studie van afwijkende vorm
- Syndroom= herkenbaar patroon van aangeboren afwijkingen,
ontwikkelingsstoornissen, dysmorfe kenmerken met één
gemeenschappelijke oorzaak (typische combinatie van afwijkingen)
- Syndromaal: verzameling van verschijnselen die vaker in dezelfde
combinatie optreedt en dus als eenheid worden opgevat. Ze hebben
een gemeenschappelijke oorzaak. Syndromaal betekent dus dat iets deel uitmaakt van een
syndroom.
- Geïsoleerd: een afwijking komt of zichzelf voor zonder andere symptomen en maakt geen
deel uit van een syndroom.
Wanneer moet je denken aan een syndroom:
- Congenitale (tand) afwijkingen= aangeboren afwijkingen
- Specifieke combinatie van klinische afwijkingen/kenmerken
- Groeistoornissen (groeiretardatie/overgroei)
, - Afwijkende psychomotore ontwikkeling
- Opvallend anders dan ouders/familie
- (meerdere dsymorfe kenmerken)?
Syndroom diagnostiek:
- Dysmofologisch onderzoek:
Kijken naar uiterlijke kenmerken: stand van de ogen, kaak, oren en vorm van de
elementen van het gelaat.
A vue diagnose
Kijk ook altijd naar de ouders!
- Diagnostiek:
Databases
Literatuur
Patiëntbespreking
Overleg experts
Dysmorfologisch onderzoek:
- Anamnese
- Familieanamnese/stamboom (zie kennisklip)
- Lichamelijk/dysmorfologisch onderzoek
- Differentiaal diagnose
- Genetische diagnostiek aanvragen
- Diagnose en erfelijkheidsadvies
Voorbeeld patiënt met dentinongeneiss imperfecta waarbij er sprake is van een syndroom:
- Frequent botfracturen
- Progressie gehoorverlies (voor puberteit)
- Kleine gestalte
- Milde kromstand van pijpbeenderen
- Blauwe/grijze sclerae (oogleden)
- Familiair voorkomen
- Als je een genetische test doet, dan kan COL1A1/2 aanwijzing zijn voor osteogenesis
imperfecta (verschillende typen)
- Deze combinatie van afwijkingen is typisch voor het syndroom dentinogenesis imperfecta
Diagnose en erfelijkheidsadvisering-> nadat de diagnose is gesteld:
- Voor patiënt/ouders/familieleden:
Informatie over gediagnosticeerde aandoening/syndroom
Prognose
Behandelplan/management
Herhalingskans (overervingspatroon en kans op doorgeven van de aandoening aan
kinderen)
Kinderwens (echo/PND/PGT)
- Voor zorgprofessionals:
Behandelplan/verwijzingen/aanvullend onderzoek
Persoonsgerichte therapie keuze
Prognose
, Genoomdiagnostiek
Fenotypering (door klinische geneticus):
- Anamnese
- Familie anamnese
- Lichamelijk onderzoek:
Schedelomtrek, lengte, gewicht, verhouding ledematen
Craniofaciale dysmofiën
Extremiteiten
Thorax/wervelkolom
Huid/haren/tand/nagels (deze afwijkingen zijn gerelateerd aan de ectodermale range)
- Aanvullend onderzoek: beeldvormend onderzoek/lab/verwijzing naar andere specialsimen
Genotypering door laboratorium specialist klinische genetica.
Welke genetische test:
- Chromosomen onderzoek
- FISH onderzoek
- Micro-array
- Sequencing (sanger, NGS)
Exoom sequencing: test meerdere genen tegelijk. Er is een CFA
genenpakket waarmee craniofaciale afwijkingen getest kunnen
worden: schisis, craniosynostose, stoornissen in de tandontwikkeling en congenitale craniofaciale
afwijkingen/syndromen.
Patiënten met amelogenesis imperfecta:
- Er zijn veel genen die het kunnen veroorzaken dus een test die meerdere genen tegelijk test
is heel fijn-> exoom sequencing. Het CFA genenpakket bevat >191 genen en deze worden dan
ook tegelijk getest.
- Amelogenesis imperfecta is genetisch heterogeen
- Overerving:
Autosomaal dominant
Autosomaal recessief
X-linked-> geboden aan geslachtschromosoom
Overervingsvormen en herhalingskans:
- Mendeliaanse overerving: overerving waarbij de nakomeling van elk
van de ouders één allel ontvangt. Het fenotype van het individu
hangt ervan af welk van de twee allelen dominant is en welke
recessief.
- Niet mendeliaans overerving: overerving van kenmerken die
ontstaan door meerdere mutaties of invloeden die niet per se
genetisch zijn (sommige aandoeningen erven zo over)
Klinische geneticus aan de tand
Casus 1:
MTI-4 Q3
HC – introductie in de klinische genetica
Tandarts en geneticus:
- Afwezigheid van tanden (hypo-, oligo-,anodontie)
- Hyperdontie
- Dentinogenesis imperfecta (dentine afwijkingen)
- Ameologenesis imperfecta (tandglazuurhypoplasie)
- Gingiva afwijkingen
- Cariës
- Afwijkingen van de maxilla
- Schisis
- Craniosynostose
- Congenitale craniofaciale afwijkingen/syndromen
Leerdoelen:
- Een mogelijk erfelijke aandoening op het spoor komen
- Kennis van erfelijke oorzaken van tandheelkundige aandoeningen
- Verschil syndromale en niet-syndromale aandoeningen (complex syndroom/geïsoleerd)
- Verschillende overervingsvormen kennen en toepassen
- Mogelijkheden van genetische (prenatale) diagnostiek
- Winst van genetische diagnostiek voor patiënt, familie en tandarts
- Kennis over erfelijkheidsadvisering: voor patiënten en familie.
Spreekuur van een klinische geneticus:
- Sporadisch of familiair: is het de enige persoon met de afwijkingen of hebben meerdere
mensen in de familie die afwijking
- Niet syndromaal/geïsoleerd of syndromaal?
Syndroomherkenning/dysmorfologie:
- Dysmorfologie= studie van afwijkende vorm
- Syndroom= herkenbaar patroon van aangeboren afwijkingen,
ontwikkelingsstoornissen, dysmorfe kenmerken met één
gemeenschappelijke oorzaak (typische combinatie van afwijkingen)
- Syndromaal: verzameling van verschijnselen die vaker in dezelfde
combinatie optreedt en dus als eenheid worden opgevat. Ze hebben
een gemeenschappelijke oorzaak. Syndromaal betekent dus dat iets deel uitmaakt van een
syndroom.
- Geïsoleerd: een afwijking komt of zichzelf voor zonder andere symptomen en maakt geen
deel uit van een syndroom.
Wanneer moet je denken aan een syndroom:
- Congenitale (tand) afwijkingen= aangeboren afwijkingen
- Specifieke combinatie van klinische afwijkingen/kenmerken
- Groeistoornissen (groeiretardatie/overgroei)
, - Afwijkende psychomotore ontwikkeling
- Opvallend anders dan ouders/familie
- (meerdere dsymorfe kenmerken)?
Syndroom diagnostiek:
- Dysmofologisch onderzoek:
Kijken naar uiterlijke kenmerken: stand van de ogen, kaak, oren en vorm van de
elementen van het gelaat.
A vue diagnose
Kijk ook altijd naar de ouders!
- Diagnostiek:
Databases
Literatuur
Patiëntbespreking
Overleg experts
Dysmorfologisch onderzoek:
- Anamnese
- Familieanamnese/stamboom (zie kennisklip)
- Lichamelijk/dysmorfologisch onderzoek
- Differentiaal diagnose
- Genetische diagnostiek aanvragen
- Diagnose en erfelijkheidsadvies
Voorbeeld patiënt met dentinongeneiss imperfecta waarbij er sprake is van een syndroom:
- Frequent botfracturen
- Progressie gehoorverlies (voor puberteit)
- Kleine gestalte
- Milde kromstand van pijpbeenderen
- Blauwe/grijze sclerae (oogleden)
- Familiair voorkomen
- Als je een genetische test doet, dan kan COL1A1/2 aanwijzing zijn voor osteogenesis
imperfecta (verschillende typen)
- Deze combinatie van afwijkingen is typisch voor het syndroom dentinogenesis imperfecta
Diagnose en erfelijkheidsadvisering-> nadat de diagnose is gesteld:
- Voor patiënt/ouders/familieleden:
Informatie over gediagnosticeerde aandoening/syndroom
Prognose
Behandelplan/management
Herhalingskans (overervingspatroon en kans op doorgeven van de aandoening aan
kinderen)
Kinderwens (echo/PND/PGT)
- Voor zorgprofessionals:
Behandelplan/verwijzingen/aanvullend onderzoek
Persoonsgerichte therapie keuze
Prognose
, Genoomdiagnostiek
Fenotypering (door klinische geneticus):
- Anamnese
- Familie anamnese
- Lichamelijk onderzoek:
Schedelomtrek, lengte, gewicht, verhouding ledematen
Craniofaciale dysmofiën
Extremiteiten
Thorax/wervelkolom
Huid/haren/tand/nagels (deze afwijkingen zijn gerelateerd aan de ectodermale range)
- Aanvullend onderzoek: beeldvormend onderzoek/lab/verwijzing naar andere specialsimen
Genotypering door laboratorium specialist klinische genetica.
Welke genetische test:
- Chromosomen onderzoek
- FISH onderzoek
- Micro-array
- Sequencing (sanger, NGS)
Exoom sequencing: test meerdere genen tegelijk. Er is een CFA
genenpakket waarmee craniofaciale afwijkingen getest kunnen
worden: schisis, craniosynostose, stoornissen in de tandontwikkeling en congenitale craniofaciale
afwijkingen/syndromen.
Patiënten met amelogenesis imperfecta:
- Er zijn veel genen die het kunnen veroorzaken dus een test die meerdere genen tegelijk test
is heel fijn-> exoom sequencing. Het CFA genenpakket bevat >191 genen en deze worden dan
ook tegelijk getest.
- Amelogenesis imperfecta is genetisch heterogeen
- Overerving:
Autosomaal dominant
Autosomaal recessief
X-linked-> geboden aan geslachtschromosoom
Overervingsvormen en herhalingskans:
- Mendeliaanse overerving: overerving waarbij de nakomeling van elk
van de ouders één allel ontvangt. Het fenotype van het individu
hangt ervan af welk van de twee allelen dominant is en welke
recessief.
- Niet mendeliaans overerving: overerving van kenmerken die
ontstaan door meerdere mutaties of invloeden die niet per se
genetisch zijn (sommige aandoeningen erven zo over)
Klinische geneticus aan de tand
Casus 1: