1. I ja
II nee
III nee
IV ja
2. a. De buien in de meting veranderen van vorm, die in de prognose bewegen alleen verder in
dezelfde richting over het scherm zonder van vorm te veranderen.
b. Temperatuur en windsnelheid.
c. Temperatuur en verschillende windstromen.
d. Verandering van windsnelheid en verandering van drukgebieden.
3.
- Hoe makkelijk verspreid de griep zich?
- Hoelang duurt de griep voor n gemiddeld persoon?
- Aan hoeveel mensen draagt de gemiddelde persoon de griep over?
- Hoe snel verspreid de griep?
4. a. Zodat er vroegtijdig medicijnen kunnen worden geproduceerd en zodat ze ervoor kunnen
zorgen dat zo min mogelijk mensen ziek worden.
b. hoe snel de griep zich verspreidt, hoe lang het duurt voor een gemiddeld persoon.
5. a. I/II/III/V
b. III/IV/VII
6. a. eerst worden alleen maar meer mensen ziek, iedereen raakt besmet en steken anderen aan.
Op het toppunt is het maximum van aantal besmette mensen bereikt en vanaf daar worden de
mensen alleen nog maar beter.
b. hoe besmettelijk het is en welk deel van de mensen vatbaar zijn voor de ziekte.
7. a. Er gebeurt niks op grote schaal bij een te kleine tijdstap.
b. Er gebeurt te veel en je kan niet nauwkeurig zeggen wat er gebeurd is.
c. 1-4 dagen, in deze tijdstap raken er zeker mensen besmet en is misschien ook al te zien
hoelang de griep duurt voor deze personen. Er is in ieder geval progressie te zien in een aantal
dagen.
8. a. 10 mensen waren ziek, op de tweede dag kwamen er 10 bij, er zijn echter 20% van de
mensen imuun geworden na de eerste dag, dus er gaan er 2 van de eerste 10 mensen af. Er zijn
dus nog 18 zieke mensen over.
, b. 2
c.
Gezond Ziek Immuun
na 1 dag 980 18 2
na 2 dag 970 24.4 5.6
na 3 dag 960 29.52 10.48
9. a.
b. B6 = B5 – 10
c. gezond op dag 1 zijn het aantal mensen die op dag 0 totaal gezond waren min de besmette
mensen, 10 per dag.
d.
e. gezond(n+1)= gezond(n-10)
10. a. D6 = D5 + (0,2*C5)
b. immuun(1) = immuun(0) + 0,2*ziek(n-1)
c.
d.
e. immuun(n+1) = immuun(n) + 0,2*ziek(n)
11. a. C6 = C5 + 10 – D6
b. ziek(1) = ziek(0) + 10 – (0,2*ziek(0))
c. ziek(n+1) = ziek(n) + 10 – immuun(n)
12. a.
b.
c.
d. gezond
e. Dan worden er evenveel mensen imuun als er ziek worden.
f. In het begin worden er steeds een ander aantal mensen imuun omdat het aantal zieke
mensen ook steeds verandert.
13. a. het aantal zieke mensen stagneert eerder bij 50 en het aantal gezonde mensen neemt sneller
af. In de grafiek is er nu een snijpunt in het aantal zieke en gezonde mensen en komt het aantal
gezonde mensen bij de 0.